Psalm 44:1-9
Sommigen hebben de opmerking gemaakt dat de meeste psalmen, die het woord maskil in hun opschrift hebben, dus psalmen zijn ter onderwijzing, treurpsalmen zijn, want beproevingen geven onderricht, en droefheid van geest opent er het oor voor. Welgelukzalig is de man, o Heere, die Gij tuchtigt en leert.
In deze verzen roept de kerk, ofschoon zij nu vertreden wordt, de dagen van haar triomf in de herinnering terug, van haar triomf in God en over haar vijanden. Daar wordt hier uitvoerig melding van gemaakt:
1. Als een verzwaring van haar tegenwoordige benauwdheid. Het juk van de dienstbaarheid moet wel zweer drukken op de hals van hen die de kroon van de overwinning plachten te dragen en de tekenen van Gods misnoegen moeten wel smartelijk zijn voor hen, die lang gewoon zijn geweest aan de tekenen van Zijn gunst.
2. Als een aanmoediging om te hopen dat God hun gevangenschap nog zal wenden, en in genade tot hen zal weerkeren, en zo mengt hij gebeden en troostrijke verwachtingen met zijn herdenken van vroegere zegeningen.
Merk op:
I. Hun herdenking van de grote dingen, die God in vroegere tijden voor hen gedaan heeft. In het algemeen, vers 2 Onze vaders hebben ons verteld dat Gij een werk hebt gewrocht in hun dagen.
Merk op:
1. Van de vele werkingen van Gods voorzienigheid wordt hier gesproken als van (en werk: Zij hebben ons verteld het werk dat Gij gewrocht hebt", want er is een verwonderlijke harmonie en eenparigheid in alles wat God doet, en de vele raderen vormden een rad Ezechiël 10:13, vele werken vormen tezamen één werk.
2. Het is een schuld van iedere eeuw aan het nageslacht om rekening te houden van Gods wonderwerken en er de kennis van mee te delen aan het volgende geslacht. Zij, die voor ons gingen, vertelden ons wat God in hun dagen gedaan heeft: wij zijn verplicht om aan hen, die na ons komen, bekend te maken wat Hij in onze dagen gedaan heeft, en laat hen dan hetzelfde recht doen aan hen, die hen zullen opvolgen; aldus zal "geslacht aan geslacht Zijn werken roemen," Psalm 145:4. "de vader zal de kinderen Gods waarheid bekend maken" Jesaja 38; 19.
3. Wij moeten niet alleen melding maken van het werk, dat God gedaan heeft in onze eigen dagen, maar moeten onszelf en onze kinderen ook bekendmaken met hetgeen Hij vanouds gedaan heeft, lang voor onze tijd; en daarvan hebben wij in de Schrift een woord van geschiedenis, dat zeer vast is, even vast als het profetisch woord. 4. Kinderen moeten naarstig letten op hetgeen hun ouders hun vertellen van de wonderwerken Gods, en het in hun geheugen bewaren als hetgeen hun later van groot nut zal wezen.
5. Vroegere ervaringen van Gods macht en goedheid zijn een krachtige steun voor het geloof en krachtige pleitgronden in het gebed onder tegenwoordige rampen. Zie hoe Gideon hierop wijst, Richt 6:13 :"Waar zijn al Zijn wonderen, die onze vaders ons verteld hebben?" In het bijzonder hadden hun vaders hun verteld:
A. Hoe wonderbaarlijk God in het eerst Israël in Kanaän geplant heeft, vers 3, 4 Hij heeft de inboorlingen verdreven om plaats te maken voor Israël, hen geplaagd en uitgeworpen, hen als stof gegeven aan hun zwaard en als een voortgedreven stoppel aan hun boog. De menigvuldige algehele overwinningen, die Israël onder aanvoering van Jozua had behaald over de Kanaänieten, konden niet toegeschreven worden aan henzelf, noch konden zij aanspraak maken op de eer ervan.
a. Zij hadden die niet te danken aan hun eigen verdiensten maar aan Gods gunst en vrije genade; het was door het licht Uws aangezichts, "omdat Gij een welbehagen in hen had. Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid uws harten verdrijft hen de Heere uw God voor uw aangezicht uit de bezitting," Deuteronomium 9:5, 6, maar omdat Hij "de eed wilde houden, die Hij hun vaderen gezworen had," Deuteronomium 7:8. Hoe minder lof dit ons toekent, hoe meer vertroosting het ons schenkt, opdat wij zien dat al onze bezittingen en uitbreidingen van de gunst Gods en het licht Zijns aangezichts tot ons komen.
b. Zij hebben die niet behaald door hun eigen kracht, maar door Gods kracht, die tot hun behoeve werd aangewend, en zonder welke al hun eigen pogingen vruchteloos zouden gebleven zijn. Het was niet door hun zwaard dat zij het land hebben geërfd, hoewel zij een groot aantal kloeke helden hadden, ook heeft hun eigen arm hen er niet voor behoed om door de Kanaänieten teruggedreven te worden te schande te worden gemaakt, maar het was Gods rechterhand en Zijn arm. Hij streed voor Israël, anders hadden zij tevergeefs gestreden; het was door Hem, dat zij kloeke daden deden en overwonnen. Het was God, die Israël in dat goede land geplant heeft, zoals de zorgzame landman een boom plant, waarvan hij zich vrucht belooft. Zie Psalm 80-9 Dit is van toepassing op het planten van de Christelijke kerk in de wereld door de prediking van het Evangelie. Het heidendom werd wonderbaarlijk uitgedreven zoals de Kanaänieten, niet op eenmaal, maar langzamerhand; niet door menselijke wijsheid of kracht want God verkoos het te doen door het zwakke en dwaze van de wereld, maar door de wijsheid en kracht Gods. Christus is door Zijn Geest uitgegaan overwinnende en opdat Hij zou overwinnen, en de herinnering daaraan is een grote steun en troost voor hen, die zuchten onder het juk van anti-christelijke tirannie; want sommigen, inzonderheid de geleerde Amyraldus, denken dat de klachten in het laatste gedeelte van deze psalm zeer juist van toepassing zijn op de toestand van de kerk onder het Nieuwtestamentische Babylon. Hij, die door Zijn macht en goedheid zich een kerk geplant heeft in de wereld zal haar gewis door dezelfde macht en goedheid ondersteunen en staande houden, en de poorten van de hel zullen niet tegen haar vermogen.
B. Hoe menigmaal Hij hun voorspoed had gegeven tegen hun vijanden, die poogden hen in het bezit van dat land te verontrusten, verse. Gij hebt ons menigmaal verlost van onze tegenpartijen, en onze haters beschaamd gemaakt, getuige de voorspoed van de richters tegen de volken, die Israël hebben verdrukt. Menigmaal zijn de vervolgers van de Christelijke kerk en zij, die haar haatten, beschaamd gemaakt door de kracht van de waarheid, Handelingen 6:10
II. Het goede gebruik, dat zij van dit bericht maken en er vroeger van gemaakt hebben, uit aanmerking van de grote dingen, die God vanouds voor hun vaderen gedaan had.
1. Zij hebben God aangenomen voor hun Opperheer, hebben Hem trouw gezworen en zich onder Zijn bescherming gesteld, vers 5 " Gij zelf zijt mijn Koning, o God." Hij spreekt in naam van de kerk, zoals in Psalm 74:12 :"God is mijn Koning vanouds af." God heeft als Koning wetten gemaakt voor Zijn kerk, voorzien voor de vrede en de goede orde er in er recht voor gesproken, haar twistzaak getwist haar strijd gestreden en haar beschermd, zij is Zijn koninkrijk in de wereld, en behoort Hem onderworpen te zijn en schatting te betalen. Of, de psalmist spreekt hier voor zichzelf: Heere, Gij zijt mijn Koning; tot wie zal ik met mijne beden gaan dan tot U? De gunst, die ik vraag, is niet voor mijzelf, maar voor Uw kerk." Het is ieders plicht om zijn persoonlijken invloed bij de troon van de genade te gebruiken voor het openbare welzijn en de voorspoed van het volk van God; zoals Mozes: "indien ik genade gevonden heb in Uwe ogen, zo leid Uw volk," Exodus 33:13
2. Zij hebben zich altijd door het gebed tot Hem gewend om verlossing, als zij te eniger tijd in benauwdheid waren; Gebied de verlossingen Jakob's.
Merk op:
a. De uitbreiding van hun begeerte; zij bidden om verlossingen, niet om een, maar om vele, zoveel als zij nodig hebben, hoeveel dit ook mochten wezen, een gehele reeks van verlossingen, een verlossing uit elk gevaar.
b. De kracht van hun geloof in de macht van God; zij zeggen niet: Werk verlossingen, maar gebied verlossingen, hetgeen aanduidt dat Hij het gemakkelijk doet en terstond. "Spreek en het is geschied;" zodanig was het geloof van de overste over honderd: "Spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen zijn," Mattheus 8:8 Het duidt ook Zijn krachtdadig doen ervan aan: Gebied als gezaghebbende, wiens gebod gehoorzaamd zal worden." Waar het woord van een koning is, daar is heerschappij, daar is macht, en nog veel meer waar het woord van de Koning van de koningen is.
3. Zij hebben op Hem vertrouwd en in Hem getriomfeerd. Gelijk zij erkenden dat het niet hun zwaard noch hun boog was, die hen had gered, vers 4, zo vertrouwen zij ook niet op hun zwaard en hun boog om hen in het vervolg te verlossen, vers 7 "Ik vertrouw niet op mijn boog, noch op mijn krijgskundige toebereidselen, alsof die mij zouden helpen zonder God; neen, door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten, " vers 6; wij zullen het ondernemen in Uw kracht, steunende op deze alleen en niet op het aantal of de dapperheid van onze troepen, en U aan onze zijde hebbende zullen wij niet twijfelen aan de goede uitslag. In Uw naam, door de kracht van Uw wijsheid die ons leidt, Uw macht, die ons versterkt en voor ons werkt, en Uw belofte, die ons voorspoed verzekert, zullen wij vertreden die tegen ons opstaan."
4. Zij hadden Hem tot hun blijdschap en hun roem gemaakt. "In God roemen wij, vers 8 de gehele dag, en iedere dag." Als hun vijanden roemden op hun kracht en hun voorspoed, zoals Sanherib en Rabsake snoefden tegenover Hizkia, erkenden zij dat zij niets hadden om op te roemen in antwoord hierop dan hun betrekking tot God en hun deel in Hem, en zo Hij voor hen was, konden zij geheel de wereld trotseren. Wie roemt, roeme in de Heere, en laat dit voor altijd allen anderen roem buitensluiten. Laat hen, die God vertrouwen, Hem tot hun roem stellen, want zij weten op wie zij hebben vertrouwd; laat hen in Hem roemen de gehele dag:, want het is een onderwerp, dat nooit uitgeput zal wezen. Maar laat hen daarbij zijn naam tot in eeuwigheid loven; als zij de vertroosting hebben van Zijn naam, laat hen Hem dan de eer van Zijn naam geven.