Psalm 62:9-13
Hier hebben wij Davids vermaning aan anderen om op God te vertrouwen en Hem te verwachten, zoals hij gedaan heeft Zij, die zelf de vertroosting van de wegen Gods hebben ervaren, zullen anderen uitnodigen om op die wegen te wandelen. Er is in God genoeg voor al de heiligen, en wij zullen nooit minder om hebben, als anderen er met ons in delen.
I. Hij raadt allen aan om op God te vertrouwen, zoals hij gedaan heeft, vers 9.
Merk op:
1. Aan wie hij deze goede raad geeft, gij volk, dat is: gij allen, al het volk, allen zullen welkom wezen om op God te vertrouwen, want Hij is het vertrouwen aller einden van de aarde, Psalm 65:6. Gij volk van het huis Israëls (aldus de Chaldeeër), zij worden inzonderheid aangespoord en uitgenodigd om op God te vertrouwen, want Hij is de God Israëls, en moet een volk zijn God niet vertrouwen?
2 Waarin de goede raad bestaat, die hij hun geeft.
a. Te vertrouwen op God. Vertrouwt op Hem, handelt met Hem, en weest bereid om dit in vertrouwen te doen, rekent op Hem, om alles voor u te doen, op Zijn wijsheid en goedheid, Zijn macht en Zijn belofte, Zijn voorzienigheid en Zijn genade. Doet dit te aller tijde Wij moeten Hem altijd vertrouwen, moeten een leven leiden van vertrouwen op Hem, moeten zo te aller tijd op Hem vertrouwen, dat wij nooit dat vertrouwen in onszelf gaan stellen of in enig schepsel dat alleen in Hem gesteld moet worden. Wij moeten op Hem vertrouwen in iedere omstandigheid, om ons te leiden als wij in twijfel zijn, ons te beschermen als wij ons in gevaar bevinden, in onze behoeften te voorzien als wij gebrek hebben, ons voor ieder goed woord en werk te sterken.
b. Om met God om te gaan, met Hem te spreken, stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht, die uitdrukking schijnt een toespeling te zijn op het uitstorten van de drankoffers voor het aangezicht des Heeren. Als wij een berouwvolle belijdenis doen van zonde, dan wordt daarin ons "hart voor Gods aangezicht uitgestort," 1 Samuël 7:6. Maar hier wordt het bedoeld van het gebed, dat, indien het is zoals het wezen moet, een uitstorten van het hart is voor God. Wij moeten Hem ons leed voorleggen, Hem met nederige vrijmoedigheid onze begeerten kenbaar maken, onze wil geduldig onderwerpen aan Zijn wil, ons geheel overgeven aan Zijn goedvinden, dit is voor Hem ons hart uitstorten.
3. Waarmee hij ons aanmoedigt om deze goede raad aan te nemen: God is ons een toevlucht, niet alleen mijn toevlucht, vers 8 maar een toevlucht voor ons allen, voor zovelen als slechts tot Hem gaan om in Hem een schuilplaats te vinden.
II. Hij waarschuwt ons om wel toe te zien dat wij geen misplaatst vertrouwen in iemand hebben, waarin, evenzeer als in wat het ook zij het hart bedrieglijk is, Jeremia 17:5-9. Zij, die waarlijk op God vertrouwen, vers 2, zullen op Hem alleen vertrouwen, vers 6. 1. Laat ons niet vertrouwen op de lieden van de wereld, want zij zijn gebroken rietstaven vers 10. Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, volstrekt onmachtig om ons te helpen, en de grote lieden zijn leugen, die ons zullen bedriegen als wij op hen vertrouwen. Men zou zo denken dat op gemene lieden vertrouwd kan worden vanwege hun groot aantal, hun lichaamskracht en hun dienst, en op de grote lieden om hun wijsheid, macht en invloed, maar noch op de gemene lieden noch op de grote lieden kan gerekend worden, en van de twee soorten worden de grote lieden noch met de meeste geringachting aangeduid, want zij zijn een leugen, hetgeen niet slechts ijdelheid, maar goddeloosheid, ongerechtigheid te kennen geeft. Wij komen er niet zo licht toe om op gemene lieden te vertrouwen als op de koning en de overste van het leger, die door hun aanzien ons in verzoeking brengen om op hen te vertrouwen, en als zij ons dan falen, blijken zij een leugen te zijn. Maar leg hen in de weegschaal, de weegschaal van de Schrift, of liever stel hen eens op de proef, en zie wat zij zullen blijken te zijn, of zij aan uw verwachtingen van hen al of niet zullen beantwoorden, en gij zult Tekel op hen schrijven, zij zijn lichter dan de ijdelheid. Wij kunnen niet aan op hun wijsheid, om ons raad te geven, op hun welwillendheid jegens ons, neen, ook niet op hun beloften, in vergelijking met God of anders dan in ondergeschiktheid aan Hem.
2. Laat ons niet vertrouwen op de rijkdom van deze wereld, laat die niet tot onze vaste stad gemarkt worden, vers 11. Vertrouwt niet op onderdrukking, op rijkdom, verkregen door bedrog of geweld, want waar zeer veel ervan is is het gewoonlijk bijeengebracht door slinks schrapen en sparen. Onze Heiland noemt het de "onrechtvaardigen mammon," Lukas 16:9. "Vertrouwt niet op de kunstgrepen om rijk te worden. Denkt niet dat gij, hetzij omdat gij reeds overvloed verkregen hebt of op weg zijt om hem te verkrijgen, nu wel veilig zijt, want dit is vertrouwen op roverij, uzelf bedriegende, terwijl gij denkt anderen te bedriegen." Hij, die op zijn grote rijkdom vertrouwde is sterk geworden door dat hij zich sterk waande" door wat zijn onheil werd" Psalm 52:9, maar tenslotte zal hij een dwaas zijn, Jeremia 17:11. Laat niemand zo dom zijn om te denken dat hij zich kan ondersteunen in zijn zonde, en nog veel minder dat hij zich kan ondersteunen in deze zonde. Ja, omdat het moeilijk is rijkdom te hebben en er niet op te vertrouwen, moeten wij, als het vermogen overvloedig aan wast, al is het ook door eerlijke en wettige middelen, wel toezien om er niet bovenmate aan gehecht te zijn: "zet er het hart niet op, weest er niet begerig naar, schept er geen behagen in, alsof het de rust was uwer ziel, stelt er geen vertrouwen in als uw deel, weest er niet overbezorgd voor, schat er uzelf en anderen niet naar, maakt de rijkdom van de wereld niet tot uw hoogste goed en voornaamste doel, eindelijk, in een woord: maakt er geen afgod van." Wij zijn het meest in gevaar om dit te doen als de rijkdom toeneemt als het land van de rijke een overvloedige oogst heeft voortgebracht, dan zegt hij tot zijn ziel, "neem rust" in deze dingen, Lukas 12:19. Het is een vriendelijk glimlachende wereld, die het meest waarschijnlijk het hart van God zal aftrekken, op wie alleen het gezet behoort te wezen.
III. Hij geeft een goede reden op waarom wij op God ons vertrouwen moeten stellen, namelijk omdat Hij een God is van oneindige macht, goedertierenheid en rechtvaardigheid, vers 12, 13. Hijzelf was daar wel van verzekerd, en hij wenst dat ook wij er van verzekerd zullen wezen. God heeft eenmaal gesproken, ik heb dit twee maal gehoord, vers 12, dat is:
1. "God heeft het gesproken, en ik heb het gehoord, eenmaal, ja tweemaal. Hij heeft het gesproken, en ik heb het gehoord door het licht van de rede, die het gemakkelijk afleidt uit de aard van het oneindig volmaakte Wezen en van Zijn werken in de schepping en in de voorzienigheid. Hij heeft het gesproken, en ik heb het gehoord, eenmaal, ja tweemaal, dat is menigmaal, door de voorvallen, die mij in het bijzonder aangingen. Ik heb het ook gehoord door het licht van de openbaring, door dromen en visioenen, Job 4:15, door de glorierijke openbaring van zichzelf op de berg Sinai" (waarop dit, naar sommigen denken, in het bijzonder ziet), "en door het geschreven Woord." God heeft ons dikwijls gezegd welk een groot en goed God Hij is, en wij behoren even dikwijls te letten op hetgeen Hij ons gezegd heeft. Of,
2. "Hoewel God het slechts eenmaal gesproken heeft, heb ik het tweemaal gehoord het vlijtig gehoord, niet slechts met mijn uitwendige oren, maar met mijn hart en mijn ziel." Tot sommigen spreekt God tweemaal en zij willen niet eenmaal horen, maar tot anderen spreekt Hij slechts eenmaal, en zij horen tweemaal. Vergelijk Job 33:14.
Wat nu is het, dat aldus gesproken en aldus gehoord wordt?
A. Dat de God met wie wij te doen hebben oneindig is in macht. De sterkte is van God, Hij is almachtig en kan alles doen, voor Hem is niets onmogelijk. Alle kracht van de schepselen is ontleend aan Hem, is afhankelijk van Hem en wordt door Hem gebruikt naar het Hem goeddunkt. Van Hem is de sterkte en wij moeten haar aan Hem toeschreven. Dit is een goede reden, waarom wij te allen tijde op Hem moeten vertrouwen, ons in alles op Hem moeten verlaten daar Hij machtig is voor ons te doen hetgeen, waarvoor wij op Hem betrouwen.
B. Dat Hij een God is van oneindige goedheid. Hier richt hij zijn rede tot God zelf, daar hij Hem de eer van Zijn goedheid wenst te geven, die Zijn heerlijkheid is. En de goedertierenheid, o Heere, is groot. God is niet slechts het grootste, maar ook het beste van alle wezens. Bij Hem is goedertierenheid, Psalm 130:4, 7. Hij is op Hem zeer bijzonder eigen wijze barmhartig, Hij is" de Vader van de barmhartigheden," 2 Corinthiers 1:3. Dit is nog een reden, waarom wij op Hem moeten vertrouwen, en geeft een antwoord op de tegenwerpingen van onze zondigheid en onwaardigheid, hoewel wij niets verdienen dan Zijn toorn, kunnen wij toch alle goed hopen van Zijn barmhartigheid, die over al Zijn werken is.
C. Dat Hij nooit aan Zijn schepselen onrecht gedaan heeft, en ook nooit doen zal. Want Gij zult een ieder vergelden naar zijn werk. Hoewel Hij dit niet altijd op zichtbare wijze doet in deze wereld, zal Hij het toch doen ten dage van de vergelding. Geen dienst, voor Hem gedaan, zal onbeloond blijven, geen belediging, Hem aangedaan, zal ongestraft blijven, tenzij er berouw van getoond werd. Hieruit blijkt dat de sterkte en goedertierenheid van Hem is. indien Hij niet een God is van sterkte, dan zijn er zondaren, die te machtig zijn om gestraft te worden, en indien Hij niet een God van goedertierenheid is, dan zijn er diensten, die te waardeloos zijn om beloond te worden. Hieruit blijkt inzonderheid de gerechtigheid Gods in Zijn oordeel als de verongelijkte onschuld zich op Hem beroept, Hij zal voorzeker oordelen naar waarheid als Hij recht doet aan de verongelijkten en hen wreekt aan hen, die hun het onrecht gedaan hebben, 1 Koningen 8:32. Laat hen dus, die onrecht lijden, hun zaak aan Hem overgeven en op Hem betrouwen om haar tot een goed einde te brengen.