6. En zij, de kinderen van Israël met hun gewapende manschappen, werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water en goten het uit voor het aangezicht van de HEERE (Jud 11:11), tot een teken, dat hun harten van smart over de treurige toestand van het land als uitgegoten wateren (
Psalm 22:15) waren, en zij vastten op die dag 1) (
Richteren 20:26), en zeiden daar, beleden daar openlijk wat zij door het vasten betuigen wilden: Wij hebben tegen de HEERE gezondigd, daarom is deze ellende over ons gekomen. Zo richtte Samuël de kinderen van Israël te Mizpa; zo herstelde hij door de boete en bededag, die hij daar met hen hield, de rechte betrekking tot God, opdat Hij zich over hen weer zou erbarmen, en hunrecht zou verschaffen tegen hun onderdrukkers, de Filistijnen (Jud 2:23).
1) Toen zij te Mizpa verzameld waren, "schepten zij water en goten het uit voor het aangezicht van de Heere, vastten die dag en spraken: Wij hebben gezondigd tegen de Heere." Het water scheppen en uitgieten voor de Heere was een zinnebeeldige handeling, die reeds door de Chaldese uitbreider geheel juist is verklaard: "Zij goten hun hart uit door berouw, zoals het water voor het aangezicht van de Heere." Dit vordert ook de figuurlijke spreekwijzen: uitgegoten zijn als water (Psalm 22:15) en het hart als water uitgieten (Klaagliederen2:19) tot aanduiding van de innerlijke aandrang van smart, ellende en nood. Hierdoor werd het uitgieten van het water voor God een symbolische aanduiding van aardse en geestelijke ellende, waarin zij zich bevonden, een daadzakelijke belijdenis: ziedaar ons voor U zoals de wateren zijn uitgestort. En omdat hun zonde, hun afval van God deze ellende over hen gebracht hadden, tegelijk een bekentenis van hun ellende door de zonde en een daad van de diepste verootmoediging voor de Heere..
Dit daarom moet altijd het eeuwigdurende fundament en de regel zijn voor onze gebeden, dat wij onze zonden aan God bekennen, opdat wij van Hem genade en mededogen verkrijgen. Maar voornamelijk, wanneer wij door de een of andere klopping van het geweten worden opgewekt, of God zelf met Zijn bedreiging verschrikt en Zijn straffen reeds over onze hoofden uitstort, dan hebben wij Hem met des te vuriger geloof te zoeken en onze zonden door onszelf des te heviger te veroordelen. Zodanig was het vertrouwen op God van onze vaderen, die niet om hun verdiensten, maar door de erkentenis en belijdenis van hun zonde tot de goedheid van God de toevlucht namen..
De verootmoediging, reeds in het uitgieten van het water betuigd, werd nog nader bevestigd door hun vasten en door hun schuldbelijdenis, die zij uitspraken. Israël is nu geheel en al overtuigd van zijn zonde en staat daar als één man, als schuldbelijdende voor de Heere. Nu weet Samuël dan ook, dat de Heere weer in gunst op Zijn volk zal neerzien en kan hun dus de vrijmaking van het juk van de Filistijnen aankondigen. Op nationale bekering en verootmoediging volgt ook door de genade van God nationale verlossing..