9. En ik, de Heere en Meester verenig Mij met die lof van de heer in de gelijkenis, uw gedachten van het gebied van het aardse leven tot het hemelse leidend. Ik zeg u, Mijn discipelen, die zich als kinderen van het licht behoren te gedragen: a) maak uzelf vrienden uit de onrechtvaardige mammon 6:24"); bedient u van het geld als een middel, opdat, wanneer u ontbreken zal (als het met u ten einde loopt), met het leven u ook alles wat vroeger uw geluk uitmaakte, ontnomen wordt, zij, die u zich tot vrienden hebt gemaakt, namelijk de armen, aan wie u heeftwelgedaan (
Hoofdstuk 18:22), u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen (
Johannes 14:2). a)
Mattheus 19:20.
1 Timotheus 6:19.
Het is zeer juist wat de wijze Salomo (Spreuken 22:2) zegt: Rijken en armen ontmoeten elkaar, de Heere heeft hen allen gemaakt, maar even zo zeker is het dat de mammonsdienst van de mensen het onderscheid ontzaglijk vergroot heeft en tot een ontzettende mate heeft uitgebreid. Slechts indirect had de onrechtvaardige rentmeester zich verrijkt ten koste van zijn rijke heer, onmiddellijk had hij het gedaan op kosten van de arme pachters, die hij in plaats van vijftig honderd vaten olie en honderd mudden tarwe in plaats van tachtig had opgelegd, om de andere vijftig vaten en twintig mudden voor zichzelf te gelde te maken. Hij had, nu hij van zijn ambt zou worden ontzet en hij het uitzicht op nijpende armoede voor zich had, diegenen kunnen vergeten, die hij door zijn verhogen daartoe had gebracht, dat zij van hun pachten slechts een zeer kleine winst konden hebben en zich nooit uit hun behoeftige toekomst konden verheffen. Niemand van de mensen noodzaakte hem de gewone verhouding tot de pachters te herstellen en daardoor de toestand van de pachters aanzienlijk te verbeteren. Dat is echter juist bij de overlegging, die hij in Vers 3 houdt, de gelukkige gedachte, die hem van zijn aardsen heer in de lof doet inoogsten, waaraan de hemelse Heer in het voor ons liggende vers Zich met de woorden, "En Ik zeg u" met de vermaning kan aansluiten, de lof, dat hij zich van de vriendschap van de pachters probeert te verzekeren. Hij had evengoed de eigenaar in het geheim van zijn vroegere bedriegerij kunnen inwijden en aan deze kunnen meedelen hoe hij hem een veel grotere opbrengst van de verpachte landerijen in de pachtbrieven had verzekerd dan de boeken aanwezen. Het zou zich dan evenzo waarschijnlijk hebben laten aanzien, dat de eigenaar hem verder op zijn post zon hebben gelaten, als hij nu zijn waarschijnlijkheids-rekening op de dankbaarheid van de pachters stelt; - maar nee, hij geeft er de voorrang aan de onrechtvaardigen mammon, die in de vijftig vaten olie en de twintig mudden tarwe zit, ten beste van de geringe mensen te laten komen en zich zo over hen te ontfermen. Aan de andere kant was het hem toch ook mogelijk in de tijd van de hem nog gelatene ambtswaarneming nog eens het volle bedrag van de pachten te innen en het overschot van de vijftig vaten olie en de twintig mudden tarwe tot een penning voor de nood te bewaren. Maar nee, hij kan het over zijn hart krijgen om zich dadelijk van de onrechtvaardige mammon te ontdoen ten gunste van hen, waaraan zijn ongerechtigheid dit heeft ontnomen, zonder daarop verdere speculaties te doen en het "haastelijk" in Vers 6 moet zonder twijfel meer de dadelijke en gehele zelfverloochening voorstellen dan dat, zoals men gewoonlijk aanneemt, daar een haasten verborgen zou liggen om de zaak met de schuldenaars ten einde te brengen, voordat de heer daarbij kwam. In ieder geval is die losmaking van die winst, die hij zichzelf verzekerd had, dat vaste besluit om zelf met de onrechtvaardige mammon te breken en zijn toekomst liever door weldoen dan door verbergen te verzekeren het punt, waarop het de Heer in Zijn gelijkenis voornamelijk aankomt. Daardoor is dan ook de rentmeester een voorbeeld geworden, waaruit de tollenaars een betere leer konden ontlenen, dan als zij de Farizeeën en Schriftgeleerden om raad gevraagd hadden wat zij in hun toestand moesten doen. Deze zouden, zoals boven al is opgemerkt, hun in ieder geval hebben gezegd dat zij met verlaten van hun tollenaarspost en door afbreking van alle betrekking met de Romeinsen opperheer zich een ladder ten hemel zouden oprichten, maar graag zouden zij hem het besteden van de onwettig verworvene goederen, het verder overdadig levensonderhoud hebben gelaten, omdat zij zelf gierig waren, er niet naar vroegen of het inwendige van hun bekers en schotels vol boosheid was, als zij slechts uitwendig rein werden gehouden (Hoofdstuk 11:39), zij zouden hem een handelswijze hebben aanbevolen, zoals die van de rentmeester geweest zou zijn, als die de onrechtvaardige pachtcontracten als geldend had laten voortbestaan, om of zijn meester tot dankbaarheid te bewegen, of om nog eens een voordeel daarvan te trekken. Wat de rentmeester de pachters ten goede laat komen is naar onze opvatting geen eigendom van zijn heer; volgens hetgeen in de boeken staat en volgens de contracten, die tegenover dezen alleen geldend zijn, heeft hij alleen vijftig vaten olie en tachtig mudden tarwe te eisen, daarentegen zouden de meerdere vijftig vaten olie en twintig mudden tarwe een opslag zijn geweest en, wanneer hij verder in zijn vroeger ambt gebleven was, hemzelf ten deel zijn geworden; hij ontdoet zich dus van wat hem ten goede zou komen, nu hij de pachters voor het vervolg vrij laat. Het was zeker met ongerechtigheid verworven, hij had met vreemd kapitaal gespeculeerd en had arme arbeiders een aanmerkelijk gedeelte van de winst van hun arbeid ontroofd; maar wat hij zich nu verwierf was niet minder zijn vermogen dan de geldmannen van onze tijd menen met recht datgene als hun vermogen te mogen beschouwen wat zij door beursspeculatie en industriële ondernemingen weten te winnen. Dat het nog niet in zijn handen is, dat de ontzetting van zijn ambt, die hem wacht, hem een streek door de rekening doet, komt niet verder in aanmerking; zoals elke gelijkenis iets hinkends heeft, dat zij niet geheel met de voor te stellen waarheid overeenstemt, zo ook deze; bovendien is over de termijn van verwijdering uit het ambt niets gezegd, zodat deze uitdrukkelijk buiten bereik van de beschouwing geplaatst is. Wil men echter evenwel niet geheel afzien van de gedachte dat de rentmeester om de ontzetting uit zijn ambt, die voor de deur is, van zijn winst voor zichzelf geen onmiddellijk gebruik meer kan maken, niet geheel afzien, welnu het heeft voor hem, tot wie de gelijkenis in de eerste plaats gezegd is, zeker zijn bepaalde betekenis. De tollenaars kunnen van de rijkdom, die zij zich door hun geldafpersingen hebben verworven, voor eigen voordeel en genot ook geen gebruik meer maken; hun bekering tot Christus verhindert dat zij verder daarvan in weelde leven en zich goede dagen bereiden, zij staan onder de dwang van hun Christelijk geweten, zij zijn inwendig afgezet van hun winstgevende bezigheid. Zo komt bij de door ons voorgestelde opvatting alles in duidelijk, helder licht. Had daarentegen de gewone voorstelling recht, volgens welke leer bij de schuldenaars gehandeld zou worden over schulden, die tot een vervalsing van hun schuldbrieven ten nadele van de heer door diens rentmeester wierden verleend, hoezeer had Jezus Zich dan bij het voordragen van die gelijkenis blootgegeven tegenover de daar aanwezige Farizeeën en Schriftgeleerden, dat Hij zo'n handelswijze tot Zijn gelijkenis had gebruikt. Al tegenover een Christelijke gemeente wil het een prediker van het goddelijke Woords ook met de allerbeste middelen van voorzorg en de verblindendste kunsten van de redenaars niet goed gelukken, die gelijkenis bij zo'n opvatting te rechtvaardigen als de Heere waardig. Er blijft steeds zelfs bij hen, die hun verstand onder de gehoorzaamheid van het geloof gevangen geven, grote twijfel achter, of werkelijk de manier en wijze van een zo onrechtvaardig mens kan worden overgebracht in de manier en wijze van een kind van het licht. Hoeveel smaadreden zouden de Farizeeën en Schriftgeleerden niet tegenover de Heere en Zijn tollenaars hebben kunnen inbrengen, wanneer Hij hen hier zo'n beeld voorlegde, als de uitleggers het zich voorstellen! Integendeel moet er zo'n voorstelling zijn, die de tegenstanders op hun standpunt van gierigheid en hebzucht een handvatsel aanbiedt, om met de Heere te spotten (Vers 14); en voor zulke harten is zeker een rentmeester, die voordelige contrasten overgeeft om geringe pachters in hun rechten te stellen en een tollenaar, die de helft van zijn goederen aan de armen geeft, een voorwerp van spot - voor zo'n voorzichtigheid, zo zeggen zij bij zichzelf, zullen wij ten hoogste bedanken, wij weten beter wat verstandigheid is. In het volgende ontlenen wij nu nog uit leerredenen en andere geschriften over onze tekst datgene wat ons het geschiktste tot stichting voorkomt; wij zullen echter op die plaats, waar onze eigenaardige opvatting omtrent de schuldenaars zo'n overname niet mogelijk maakt, weer onze eigen beschouwingen voorstellen.
De hoofdtrekken van onze gelijkenis zijn gemakkelijk aangegeven: de rentmeester is de mens in zijn verhouding tot het aardse goed. De heer van de rentmeester is God de Heere, die de mens over geld en goed heeft gesteld. Maar hoeveel grote zaken heeft Christus toch al met deze eenvoudigste trekken gezegd? Met één woord: heeft Hij de verhouding van de mens tot het aardse goed, zoals die in waarheid, zoals die voor God is, getekend. De mens is geen eigenaar, hij is slechts rentmeester over het aardse goed, de ware heer en eigenaar is God. Nu ja, denkt u, zoals alles van God is. Neen, niet alleen zoals alles van God is, maar zo, dat u God hier niet eens geeft, maar slechts leent. "Als u in het goed van een ander niet trouw bent geweest, wie zal u het uwe geven?" zegt Christus dadelijk daarop (Vers 12). Onder "het uwe" verstaat Hij geestelijke, zedelijke, hemelse goederen - die zijn ook niet van onszelf, zij moeten ons gegeven worden van boven, maar zij worden ons gegeven om de onze, onze eigene te worden. De aanleg en bekwaamheid van de geest, het vrienden- of broederhart, de kennis van de waarheid, de vrede van God, hoger dan alle verstand, het zijn enkel gaven van boven, maar gaven die voor u zullen blijven, wanneer u maar in deze getrouw bent, die in uw onsterfelijke ziel geplant, dan eigen zullen blijven tot in haar onvergankelijke volmaking in Gods zalige gemeenschap. Met het geld is het anders: het blijft, zoals de Heere zegt voor u altijd "van een ander" hoe het ook het uwe heette; hoe begerig uw ziel het ook vasthoudt met al haar kracht, het wordt toch nooit een gedeelte van haar, nooit haar werkelijk eigendom, het zit toch altijd los, zo los dat het iedere dag van u kan afvallen als een tegenwind van het noodlot waait, zo los dat het in elk geval eens van u moet afvallen als dor loof in de herfst. "Wij hebben niets in de wereld gebracht", zo staat er geschreven, "en het is openbaar, dat wij niets daaruit kunnen dragen. " Dat is zeker een zeer oude bekende waarheid, wie zou ze niet weten? Maar hoewel allen haar kennen, hoe velen bedenken haar? En toch zou het een grote, machtige, diep ingrijpende zaak zijn om deze waarheid, die niemand kan betwijfelen, inderdaad te bedenken! Hoe moest dit de hele verhouding van de mensen tot de aardse en de hemelse goederen omkeren, hoe moest dat de gemoederen vrij maken van de banden van de mammon en trouw jegens de Heere, die geld en goed, maar nog veel grotere zaken toevertrouwt en trouw ook in het kleinste jegens de onsterfelijke ziel is! Maar de natuurlijke mens bedenkt het niet, al weet hij het; hij weet het en wil het toch niet weten en daaruit ontstaat zijn inderdaad dwaze verhouding tot het aardse goed, een verhouding rechtstreeks in tegenspraak met de ware, die alleen voor God geldende is. De Heere tekent ons deze verhouding, die de orde van God rechtstreeks tegenspreekt, in de verdere trekken van Zijn gelijkenis. Wat doet de rentmeester met het toevertrouwde goed? Juist het tegendeel van hetgeen hij als rentmeester doen moest: hij werd voor zijn heer aangeklaagd, dat hij zijn goederen doorbracht en dat hij werkelijk zo gedaan had bewijst ons het kwaad geweten van de man, dat van iedere rechtvaardiging dadelijk afziet. In plaats van dus de goederen van zijn heer te besturen, heeft hij ze doorgebracht: wat wil dat zeggen? Dat wil niet zeggen dat hij veel uitgegeven heeft, in plaats van het bij elkaar te houden; alleen bij elkaar houden is de plicht niet van de zaakwaarnemer - hij mag van de opbrengst van het goed gerust voor eigen behoefte en de behoefte van zijn huis afnemen, hij mag ook andere uitgaven doen, als het maar in de dienst en in het belang van de heer geschiedt. Maar de rentmeester heeft de goederen van zijn heer doorgebracht, d. i. , ze niet in diens dienst en belang besteed, maar ze voor die bestemming vernietigd, ze eigenmachtig en zelfzuchtig verkwist, zodat zij voor zijn heer geen voordeel aanbrachten, geen vrucht gaven en ten slotte zelfs niet voor de lichtvaardige verkwister. Zo heeft ook u, o mens, de Heere in de hemel een aards goed toevertrouwd, niet opdat u het niet, nee maar opdat u het goed gebruikt; u moet het besturen en gebruiken in de dienst van uw heer, naar de orde van Zijn rijk, voor u en de uwen en zeker niet minder voor elk die omwille van God, uw Heere, daarop aanspraak heeft, dat u hem bemint als uzelf. U mag en moet het toevertrouwde goed besteden zonder pijnlijke angst, maar het moet vrucht voortbrengen, zegen teweegbrengen, dat er overal iets mee wordt bereikt, dat in Gods rijk ten goede is en waarin dus een nuttig besteden van Zijn goed door hem kan worden gezien. Maar dat is niet het gezichtspunt en niet de wijze en regeling, zoals de natuurlijke mens de aardse goederen gebruikt, omdat hij met de onrechtvaardige rentmeester vergeet dat hij slechts rentmeester is, omdat hij God vergetend van het aardse goed zegt: "Het is het mijne, ik kan er mee doen wat ik wil; het gaat niemand aan hoe ik mijn goed besteed, zo vergeet hij eveneens ook Gods regeling bij het gebruik, de goddelijke bedoelingen, waartoe het aardse goed moet dienen, hij gebruikt het alleen naar de lust van zijn eigen verkeerd hart en brengt het zo door, d. i. vernietigt het en bewerkt er generlei vrucht en zegen mee. Hij brengt het door, of hij het als gierigaard in de kast sluit en in de aarde begraaft, zodat het tot niets nuttig is en niets kan teweegbrengen, of dat hij het als verkwister wegwerpt op de straat voor nietige, ijdele, misschien zielverdervende doeleinden, of dat hij het heimelijk voor zich geniet, of dat hij anderen roept tot zijn leven in heerlijkheid en vreugde, of hij het alleen doorbrengt of in gezelschap doorgebracht heeft, is hetzelfde. Wonderlijke dwaasheid van de mensen, die zo tegen beter weten en voelen van het hart aan het ogenblikkelijke hangt, zonder die blijvende winst, aan het zichtbare, dat toch zeker vergaat en dat, als ik het tot het scheepje maak, dat mijn ziel moet dragen over de golven van de tijd, in zijn onvermijdelijke schipbreuk ook onvermijdelijk de ziel zelf medesleept. Zeker vervulde die onrechtvaardige rentmeester vaak een onaangenaam gevoel: "Waar moet dat heen? Wat zal het einde zijn?" toch gaat hij voort, omdat het terugkeren van dag tot dag moeilijker wordt, de ontrouwe waarneming zich steeds hoger opeenhoopt tussen hem en zijn heer; zo probeert hij het te vergeten en geniet het ogenblik met zo krampachtige begeerlijkheid, zolang het maar gaat en voor de toekomst, voor het einde sluit hij de ogen. Zijn er grotere, zijn er ongelukkigere dromen? En toch hebben wij in hen de hele levenswijsheid van duizendmaal duizenden voor ogen.
"Wat hoor ik van u?" zegt de heer van de onrechtvaardige rentmeester tot deze, als die voor hem wordt aangeklaagd; zelf heeft hij het wel niet gezien, dat deze zijn goederen doorbracht, anderen hebben het hem meegedeeld. De heer is niet zo bij de zaak tegenwoordig geweest, alsof hij alles zou hebben geleid. Hij heeft zijn rentmeester het vertrouwen geschonken en laat hem daarop op eigen hand huishouden. Dat is het echter juist wat de mens verleidt; hij gedraagt zich in zijn zaken, gaat uit en in, regelt en werkt zonder iemand te zien, die op hem acht geeft of hem in de weg treedt; en omdat niemand hem verhindert de meester te spelen, is hij zo vermetel zichzelf tot heer te stellen. In plaats van het vertrouwen van zijn heer te eren en des te getrouwer te zijn in al zijn wegen, wordt hij een dief en doorbrenger; hoe langer hoe meer vergeet hij het, dat hij rekenschap moet afleggen. Als de mensen de Rechter niet zien, de roede niet voelen, dan geloven zij ook in geen gericht en in geen straf; dit overkomt hen omtrent hun aardse omstandigheden het meest; zij geven het toe, dat zij voor hun zonden God rekenschap moeten afleggen, maar het komt hun als een sprookje voor dat zij ook voor hun tijdelijke goederen rekenschap moeten afleggen. Voor zij dat met hun ogen zien, geloven zij het niet.
Het: "Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want u zult geen rentmeester meer kunnen zijn" zal de boze als een onverwachte slag gekomen zijn. Vroeger dacht hij bij zichzelf: "Mijn heer vertoeft te komen, daarom eet en drink mijn ziel, doe u te goed en wees vrolijk!" maar nu ziet hij opeens al zijn slechtheid voor de dag komen, nu wordt hij tot rekenschap geroepen en heeft hij niets om zich mee te verontschuldigen. Zo zal het al degenen gaan die het goed van hun heer hebben verwaarloosd of verkwist. Zij mogen het geloven of niet, er zal een dag voor hen komen waarop zij voor hun Koning en Rechter moeten verschijnen, om rekenschap van hun rentmeesterschap te doen. Dat voorspelt ons Zijn woord met zo'n duidelijkheid, dat elke twijfel daarbij verdwijnt, iedere loochening verstommen moet. Er is een rekenschap en God heeft het uur al bepaald, waarin u ze moet aanleggen; hoe snel die slaat of hoe laat, heeft Zijn wijsheid voor ons verborgen. Hoe zou het zijn als zij nu sloeg, als in de eerstkomende nacht uw ziel van u geëist werd, zou u bereidt zijn om uw Heer ten antwoord omtrent uw rentmeesterschap te staan? Al menigeen is opgeroepen op een tijd dat hij het niet vermoedde; niemand weet wanneer de beurt aan hem zal komen. Maar dit weten wij allen, waarnaar wij geoordeeld worden, daarover laat de Heilige Schrift ons zo weinig in onzekerheid, dat ieder vooraf zelf de rekening kan opmaken; zij zegt: in de uitdelers wordt vereist dat elk getrouw bevonden wordt; die veel gegeven is, van die zal veel geëist worden en die weinig gegeven is, van die zal men weinig eisen.
De predikingen van de Heere over gericht en eeuwigheid hadden bij de tollenaars opeens het ijdel zelfbedrog van hun leven verstoord; zij kwamen tot erkentenis dat er een einde moest komen aan het tijdelijke, dat achter de dood een vraag naar hun wandel, een verantwoording geëist, een oordeel gesproken zou worden en de stem: "Doe rekenschap van uw rentmeesterschap" schrikte hen wakker, de stem: "U zult geen rentmeester meer kunnen zijn" was verpletterend in hun ziel gedrongen. De arme doorbrengers, de bedrieglijke, onrechtvaardige tollenaars waren in verlegenheid over hun eeuwige toekomst, evenals de onrechtvaardige rentmeester in de gelijkenis in een verlegenheid was over zijn tijdelijke toekomst. Nu ontken ik niet dat het erg is als men in verlegenheid komt, maar ik moet toch ook bekennen dat de verlegenheid van een armen zondaar over zijn eeuwige zaligheid een gezegende verlegenheid is.
Volgens Gods wil moeten onze aardse tijdelijke zaken een voorbereiding zijn voor betere. Zijn wij getrouw met het tijdelijke goed, dan worden wij volgens onze getrouwheid geloond en wij zullen verheven worden tot hoge eer en waardigheid in het rijk van God; zijn wij daarentegen ontrouw, dan overkomt ons wat Jezus in Vers 11, 12 zegt. Die met de bedrieglijke, vergankelijke goederen, die ons slechts voor dit leven geleend zijn, niet getrouw volgens Gods wil handelt, die worden nog veel minder de waarachtige, blijvende goederen gegeven, die wij voor alle eeuwigheid als eigendom moeten hebben. Heeft hij zich een doorbrenger getoond in het mindere, namelijk in het tijdelijke goed, dan mogen hem de grote rijksgoederen van God in het geheel niet worden toevertrouwd. Ook de rentmeester in de gelijkenis erkent wordt het ambt hem ontnomen, dan is hij daardoor voor de hele wereld gebrandmerkt als een bedrieger, niemand zal hem weer iets toevertrouwen of hem in dienst nemen.
Het woord van de Heere tot de rentmeester: "Geef rekenschap van uw rentmeesterschap" bevat niet een oproep om zich te rechtvaardigen; het is al het vonnis van de afzetting, zijn schuld komt voor als bewezen; de rekening, die hij moet overleggen, is de inventaris van het hem toevertrouwde vermogen, dat hij aan zijn opvolger moet overgeven. Met deze afzetting komt overeen de daad, waardoor God ons de vrije beschikking ontneemt over de goederen, die ons hier beneden zijn toevertrouwd: de dood. Het tevoren uitgesproken vonnis van afzetting geeft het ontwaken te kennen van het menselijk geweten, wanneer de stem tot hem komt: "U moet sterven" (Hebreeën 9:27). De woorden: "Hij zei bij zichzelf" hebben enige gelijkheid aan die in Hoofdstuk 15:17. "tot zichzelf gekomen zijnde, zei hij"; het is een daad van tot nadenken komen na een leven in lichtzinnigheid.
De Heere zette zijnen rentmeester niet dadelijk af, maar hij kondigde hem alleen aan: "De dag van uw afzetting is nabij; " hij liet de ontrouwe knecht nog een tijd lang in zijn ambt, of hij misschien de tijd van de genade nog tot zijn nut mocht gebruiken en zie, de knecht had een fijn gevoel voor de zachte roepstem, hij begreep de bedoeling van de woorden en leidingen van zijn met recht op hem vertoornden heer. Hij voelde zich sterk doordrongen van de zekerheid: "Mijn dagen en uren zijn geteld; als ik gered wil worden, moet ik ze met zorg uitkopen" en begreep de wenk van zijn heer: "De gaven, die u zo lang hebt misbruikt, nog wil ik ze u een tijd lang laten; uw kracht helpt u niet uit de nood; zie of mijn genadegiften u niet nog de wegen mogen banen tot eeuwig heil!"
De lichtzinnige dwaas wordt opeens verstandig, dat is een opmerkelijk punt in de gelijkenis. Deze nu snel en loffelijk door de rentmeester verkregen voorzichtigheid van dat besluit wordt in drie trappen van zijn alleenspraak geschilderd: eerst de snelle erkentenis van de nood, de niet meer af te wenden ontzetting, waarbij het er op aan komt: "Wat zal ik doen?" Vervolgens het overleg omtrent allerlei hulpmiddelen en uitzichten, die slechts voortzetting waren van de nood - "het ene kan, het andere wil ik niet; " eindelijk het verstandig besluit: "ik weet wat ik doen, hoe ik mij helpen zal. " En op zo'n besluit volgt wat mede tot het verstandige behoort, zonder veel talmen meteen de uitvoering.
Bij zijn overlegging verbergt de rentmeester het voor zichzelf niet, dat hij de kracht niet bezit tot de moeitevolle arbeid van een dagloner. "Ik kan er mij niet in schikken om de spade ter hand te nemen", zoals Faust bij Goethe zegt: hij heeft alleen geleerd pennen en teugels te houden, zure handenarbeid is hij niet gewoon. Evenmin heeft hij er ook zin in om op een onedele, vernederende manier zijn brood voor de deuren van de mensen als bedelaar te zoeken. Omdat men hem volgens de verkeerde opvatting van zijn latere handelswijze voor een schurk houdt, houdt men zich meestal voor gerechtigd om met harde woorden op hem als op een trotse en trage te schelden: "Hij is te traag en te ontzenuwd, dan dat hij nog kon en wilde werken en aan de andere kant is hij te trots en hoogmoedig, dan dat hij zou kunnen bedelen. "
Wij moeten er integendeel een kenteken van zijn voorzichtigheid in zien, dat hij nog op de juiste tijd zich voorstelt wat hem voor de toekomst wachtte als hij geen maatregelen nam om dat af te wenden. Na de ontzetting uit zijn ambt zou hem niets overblijven dan zijn brood met dagelijkse arbeid te verdienen, maar omdat hij hiertoe niet deugt, zou niemand hem tot zo'n dienst huren, er bleef hem dus niets anders over dan om te gaan bedelen en daartoe kon hij niet besluiten volgens een rechtmatig eergevoel. Zijn hele hart komt daartegen op met krampachtige angst en juist deze angst maakt hem vindingrijk om een uitweg op te sporen, die zijn heer later zelf voor een voorzichtige moet erkennen. Stellen wij ons nu voor dat de Heere in de eerste plaats de tollenaars voor ogen heeft en dus hier hun verlegenheid schildert, waarin zij waren geraakt, toen zij ten gevolge van de boet- en opwekkings-predikingen van de doper en zijn navolgers zagen dat hun tegenwoordig leven een einde nam, toen de vraag oprees welke levenswijze zij voor zich moesten kiezen, dan zal ons alles duidelijk worden. Zij, die de heidense Romeinen als werktuigen hadden gediend voor de overheersing van hun volk en hun op zichzelf reeds eerloos ambt nog daarenboven in de dienst van eigen hebzucht schandelijk hadden misbruikt, waren, wat eer en achting aangaat, in de burgerlijke maatschappij, waartoe zij behoorden (Deuteronomium 14:4, ) geheel bankroet gegaan. Zij hadden daar hun bestaan zo geheel en al verdorven, dat zij, ook als zij vermogen genoeg bezaten om zorgeloos en goed te kunnen leven, evenwel in zedelijk opzicht op gelijke lijn stonden met de bedelaars, die in de oudheid bij de Joden nog veel minder dan bij ons geacht werden (Psalm 37:25; 109:10. Job 20:10), omdat alleen gebrekkigen (Hoofdstuk 18:35. Johannes 9:8. Handelingen 3:2) om aalmoezen vroegen. Ook nog heden zal men zeker negenennegentig Christenen zien bedelen, terwijl nauwelijks de honderdste een Jood is. Menig ander bankroetier van die soort, die door onzedelijke levenswandel eer en naam had verloren, zou zich misschien daarmee weten te helpen, dat hij een lering van de Farizeeën werd en voortaan met des te grotere gestrengheid de instellingen van de ouden en de door de schriftgeleerden voorgeschreven ceremoniën-dienst waarnam - hij werd dan in geestelijk opzicht een dagloner, zoals dan ook in Hoofdstuk 15:25 de voorstelling van de oudste zoon, "hij was op het veld" inderdaad op de geest van verdienen door werken, op het daglonersfeest van het farizeïsme zinspeelt. De tollenaars waren echter zeker wel uiterlijk verhinderd om in deze orde te treden; men zou niemand van hen hebben opgenomen, zodat het "graven kan ik niet" eveneens een toespeling bevat. Nu is dan het gedrag van de rentmeester ten opzichte van de schuldenaars van zijn heer in de door ons voorgestelden zin, een voortreffelijke vingerwijzing voor de tollenaars, hoe zij al in deze wereld hun eer konden herstellen; wat Zachéüs in Hoofdstuk 19:8 zegt, spreekt het bewustzijn uit dat tegenover de verachting, die zich nog altijd tegen hen en zijn huis onder de mensen openbaart, hij toch wel weer aanspraak heeft op een geachte positie. Wanneer nu ook Farizeeën en schriftgeleerden en het door hen beheerste volk er nooit toe zouden komen om tegenover zo'n aanspraak rechtvaardig te worden, zo waren er toch anderen, waarvan de tollenaar mocht verwachten dat hij in hun huizen zou worden opgenomen. Dat was de gemeente van Hem, die Zich over hen had ontfermd, die met hen had gegeten en ook wel verblijf bij hen had gezocht (Hoofdstuk 15:1; 19:5). Aan gelegenheid zou het hen nu en in het vervolg niet ontbreken om zich voor deze gemeente nuttig te maken en voor henzelf een goede plaats te verwerven en een grote blijdschap in het geloof in Christus Jezus (1 Timotheus 3: 13). Wij kunnen, om niet al te wijdlopig te worden, de gedachten, die bij zo'n opvatting van de gelijkenis zich ontwikkelen, niet verder vervolgen, maar moeten ons met deze aanwijzingen tevreden stellen. Zeker zou het goed geweest zijn als de uitlegging niet verder haar krachten gaf aan de voorstelling van een schurken-streek van de rentmeester, zoals men in Vers 5-7 meent te moeten zien, waarin het voorzichtig handelen met het tijdelijk goed, dat de Christen betaamt, teniet zou moeten gaan, maar als zij erkende dat zij met de oude opvatting van het in Vers 3-8 gezegde zich op valse wegen bevindt, om zich voortaan nieuwe gedachtenkringen te openen, waarbij nu ook het: de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij voorzichtigheid gehad had in een licht voorkomt, waarbij de omzetting van "heer" in "Heere" geen grote moeilijkheden veroorzaakt. Onder Vers 9 kunnen wij nu weer anderen laten spreken.
Jezus begint de toepassing van de gelijkenis met die beschamende vergelijking tussen de kinderen van deze wereld en de kinderen van het licht (Johannes 12:36. Efeziers . 5:8. 1 Thessalonicenzen. 5:5), terwijl hij aan de eerste grotere voorzichtigheid toekent.
Tussen beide is een onderscheid als tussen licht en duisternis; de kinderen van de wereld zijn zij, die met hun hart tot deze wereld behoren en hun goederen tot een afgod maken, die zij met al hun liefde dienen. De kinderen van het licht daarentegen zijn Gods kinderen, wedergeboren door de Heilige Geest, God aangenaam door het geloof in Jezus Christus, mensen in de dienst van God, die de heiligmaking najagen en met goede werken naar het eeuwige leven zoeken. Dat is het onderscheid, maar daarin betonen de kinderen van de wereld aan de kinderen van het licht dat zij voorzichtiger zijn "in hun geslacht; " zij tonen meer verstand en ijver in de dienst van de wereld dan de anderen in de dienst van God; zij wenden meer moeite en vlijt aan om in aardse zaken rijk te worden, dan de anderen om zalig te worden, meer inspanning en nadenken om zich in lichamelijke nood te helpen, dan zij om hun ziel van de dreigende gevaren van de zonde en die van de dood te redden - de kinderen van het licht zouden veel van hen kunnen leren.
De rentmeester dacht als een verstandig man over de toekomst na en maakte van het ogenblik gebruik; hij wendde nu zijn macht, die hem nog was overgelaten, ten voordele van anderen aan en wist dat ten slotte het grootste voordeel juist hem ten deel viel. Ook u heeft de meeste zegen van datgene waarmee u anderen gezegend heeft.
In Mattheus 6:24 stelt Jezus de rijkdom als een afgod voor, die het hele hart zou innemen en die men naast God niet zou kunnen dienen, omdat deze het hele hart inneemt; op onze plaats vermaant Hij integendeel: maakt het aardse goed, waaraan veel ongerechtigheid kleeft, gebruik om het tot bedoelingen van de liefde te besteden, doe goed aan de arme kinderen van God - zij kunnen eenmaal voor u getuigen.
De aardse bezitting draagt reeds in zich het karakter van ongerechtigheid, niet eerst onze handelwijze maakt haar onrechtvaardig. Wanneer de middelen van het aardse vermogen konden spreken, hoeveel zouden zij moeten vertellen van zonden, waartoe zij hebben gediend, van tranen over bittere ongerechtigheid, die er aan kleven, van kloppingen van het geweten, die zij achterlaten in de hand van hem, die ze bezeten heeft, van onvrede, die zij hebben veroorzaakt! Met schrik kunnen wij er soms aan denken waartoe de munt, die door onze handen gaat, al heeft gediend. Wij zouden ze vaak aanraken met de schrik, waarmee wij een plaats beschouwen, die de schouwplaats van grote gruwelen is geweest. Er ligt een vreselijke macht van verleiding in de mammon, daarvan mogen zij getuigenis geven, wier levensberoep het winst maken in de handel is; zij zouden het bekennen, wanneer zij oprecht wilden zijn, hoe moeilijk vaak het bedrog daarbij te vermijden is, hoe bezwaarlijk het geweten daarbij zuiver kan worden gehouden. Maar ook hij, die niets zo onmiddellijk verwerft, die voor een ander beroep zijn loon en zijn verdiensten ontvangt; hoe moeilijk wordt het hem vaak, inderdaad meer voor zijn beroep dan voor het verdienen te leven, zich niet te laten verblinden door de winst, die het oog ter zijde van het eigenlijke doel van zijn leven aftrekt. En als wij bedenken hoe ook in de schijnbaar eerlijkste verdienste zich een hele keten van gewetensvragen kan aansluiten, heb ik ook werkelijk verdiend, wat ik heb ontvangen? Heb ik daarvoor gegeven wat ik schuldig, wat mij mogelijk was? Is geen waardiger dan ik achtergestaan? Lijdt niemand daardoor? - O zie, dan mogen wij wel zeggen: "Heere! vergeef mij de verborgen zonden, die aan de onrechtvaardige mammon hangen, ja, neem ook de vloek weg die op hetgeen ik als erfenis, als geschenk ontvangen heb, misschien rust, al weet ik het niet! En als wij daarvan afzien, hoe het bezit in onze handen is, op welke wegen het daarin gekomen is; hoeveel aanleiding geeft het als bezitting tot een vals bouwen en vertrouwen, een kind van God onwaardig! Onafgebroken geeft het gelegenheid zich in ijdele vreugde van nietige aard bezig te houden, zich daardoor aan de dienst van God te onttrekken. Ook ligt daarin een verborgen, maar zeer grote kracht van verzoeking, om zich boven zijn medemens te verheffen. Het is een overmaat van dwaasheid, om het bezit, dat ik mij niet zelf heb gegeven, dat mijzelf niet verandert, mijzelf voor meer dan een ander te houden en toch zal er moeilijk iemand kunnen worden gevonden die er vrij van zou zijn; zelfs een zeer armoedige bezitting geeft een trotsheid, om op de nog armere van boven neer te zien. Ja, de onrechtvaardige mammon is een vergif van verleiding als ingegoten.
De Heere spreekt van de onrechtvaardige mammon, dus van die geheimzinnige en toch hoogst oppervlakkige macht, die de wereld regeert, van die nietigste en toch machtigste zaak op aarde, dat wij geld noemen, zo nietig, dat bergen daarvan een reiziger in de woestijn geen enkelen reddenden dronk water kunnen kopen en toch zo machtig dat de reiziger op aarde - hoe vaak! - eer, deugd, geweten, de onsterfelijke ziel ervoor verkoopt. Van deze zaak, die in de wereld tot een mammon is geworden, d. i. tot een vast vertrouwen, tot een afgod, spreekt de Heere. Hij wil ons aantonen hoe deze machtige mammon tegenover Gods gericht zo absoluut nietig is, maar hoe hij evenwel in de handen van God welgevallige wijsheid machtig kan werken tot in het eeuwige leven. Hij prijst daarom die verstandigheid aan, die het aardse goed overgeeft om een schat in de hemel te hebben, die dit mild uitdeelt aan de schuldenaars van de grote Eigenaar, aan de arme, noodlijdende broeders, omdat het eerst zo een waren, blijvende zegen kan stichten, omdat het, overgegeven in dit voorbijgaand heden, kan helpen om na dood en oordeel een zorgeloze, eeuwige toekomst te verzekeren. De rentmeester doet juist het omgekeerde van zijn vroeger gedrag; voorheen wilde hij de rijkdom van zijn heer zelf genieten, nu laat hij die anderen, die dit kunnen gebruiken, ten goede komen. Voorheen, toen hij slechts aan zichzelf dacht, bracht hij het met al die goederen niet verder dan tot afzetting en oordeel, nu hij het milddadig uit de handen geeft zorgt hij pas echt voor zichzelf, omdat hij zich een toevlucht verzekert na afzetting en gericht, een vriendelijke opname bij hen, die hij zo rijkelijk bedacht, zolang hij het kon. Maar hoe, als de Heere zegt: "Ik zeg u, maakt uzelf vrienden uit de onrechtvaardige mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen, " is dan dat geen eigengerechtigheid, werkheiligheid ondanks de Paulinische, ondanks de hervormde leer, die zich altijd op de Schrift beroept? Is dat dan geen middelaarschap van geholpenen, een in de hemel komen door voorspraak van mensen, geheel en al als de Roomse kerk dat van haar heiligen, van haar maagd Maria beweert? Nu, de lezer van de Heilige Schrift zal er zich aan moeten wennen om de Heere sterke en bevreemdende woorden te horen zeggen, onbezorgd voor misverstand en verkeerde uitlegging. Hij weet dat wie voor Hem het hart opent, niet slechts het een van Zijn woorden aanneemt om het andere te verachten, maar het een met het andere verbindt en, de Schrift door de Schrift verklarend, voor dwaling bewaard blijft. Het Evangelie is een levend, onafscheidelijk geheel, maar dit woord hier is niet het hele Evangelie; rukt u het uit het geheel weg, dan moet het voor u tot een dwaallicht worden; neemt u het in samenhang met het geheel, dan openbaart het u een bijzondere en eigenaardige lichtstraal van de eeuwige waarheid.
Volgens het hele Evangelie nu is het geloof in de Heere Jezus Christus alleen, dat de mens zalig maakt, maar het wordt uit de werken gekend, naar de werken beloond en geoordeeld; want aan de vruchten kent men de boom. Evenals nu de Heere op een andere plaats (Hoofdstuk 11:32) van de ongelovigen zegt: "De mannen van Ninevé zullen opstaan in het gericht met dit geslacht en zullen het veroordelen want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas enz. , " hoewel Hij zelf de Rechter is over levenden en doden, zo zegt Hij ook hier van de armen: "Zij zullen u ontvangen" Hoewel Hij alleen de deur is en alleen de sleutel tot de hemel heeft. Hij wil zeggen: Besteedt u uw aardse goed volgens Gods wil ten dienste van uw broeders, zo zullen zij op de dag van het gericht u getuigenis geven, zij zullen het dadelijk bewijzen dat uw geloof niet dood geweest is, uw liefde niet maar in woorden heeft bestaan, het zal aan het licht komen wat u inwendig was en op zo'n getuigenis zullen zich voor u de poorten van het leven openen, u zult worden opgenomen tot medegenoten van de zaligheid van hen, aan wie u uw Christendom metterdaad betoond heeft.
De Heere spreekt van de armen als van vrienden, die in de eeuwige tabernakelen zullen opnemen. Dit bewijst ons dat de rijke, die zijn goed op verkeerde wijze heeft verworven en kwalijk besteed heeft, in geen geval recht op het Koninkrijk der hemelen heeft; het toont echter ook aan dat de rijke, die Zijn kwalijk verworven goed recht besteedt, daarom nog geen recht heeft op de eeuwige tabernakelen. Christus' verdienste blijft volkomen en alleen voor onze zaligheid geldend. Hij is het, tot Wie de zondaars moeten komen, tot Wie zich ook de tollenaars hebben vergaderd en pas uit het geschenk van goddelijke vergeving en van hemelse vrede komt zo'n handelen voort, als dat in het vermanende woord van de Heere wordt geëist. Zo is dan ten opzichte van de vrienden, die men zich met overgave van de onrechtvaardige mammon heeft verworven, alleen sprake van een opnemen en heenvoeren van de afgescheiden zielen in de eeuwige tabernakelen, waarvoor zij al bestemd zijn. Men neemt de woorden maar getrouw op en er zal niets meer uit blijken, dan dat de eeuwige Koning diegenen, die Hij heeft welgedaan, nadat zij zich van gierigheid en hebzucht hebben bekeerd, gebruiken wil om Zijn arme, bekeerde tollenaars ten tijde van hun heengaan in Zijn dierbaar en heerlijk rijk en tot Zijn troon te voeren. Nu zijn juist niet al de armen, waaraan een bekeerde rijke heeft welgedaan, ten tijde van zijn eigen heengaan al thuis; sommigen kunnen thuis zijn, enigen leven nog. Als men nu de woorden van Christus over hen woordelijk moet opvatten, dan moet toch ook een daarmee overeenkomende werkzaamheid van hen, die nog op aarde leven, worden aangenomen. Wat de gestorvenen in zaligheid mogen vervullen, dat bidden de armen, die leven; de eersten voeren in de eeuwige tabernakelen in, deze bidden daarom; deze vergezellen hun weldoeners tot aan de poorten van de eeuwigheid, de anderen ontvangen ze ginds aan de poorten.
Met goud kan men zich wel geen plaats in de hemel kopen, maar zich wel een goede ontvangst in de voor het geloof al geopende hemel bereiden.
De gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester geeft dus 1) een herinnering aan de rekenschap, die wij van ons rentmeesterschap moeten geven; 2) een onderwijzing over de aard en de verleidende macht van het aardse goed; 3) een aanmaning tot de ware getrouwheid in het besteden
De onrechtvaardige rentmeester wordt ons door de Heere voorgesteld 1) tot lering, 2) tot waarschuwing, 3) tot navolging.
Het verschillend gedrag van de rentmeester 1) eerst een dwaas, dat ten gerichte voert, 2) later een verstandig, dat uit het oordeel redt.
Het kind van de wereld een meester in het verstand: 1) het overziet duidelijk de hele toestand, 2) het erkent scherp de waarde van het ogenblik 3) het vindt duidelijk de juiste middelen, 4) het gaat beslist aan het noodzakelijke, 5) het zorgt zeker voor de toekomst.
Wat behoort tot de christelijke voorzichtigheid bij de zorg voor ons eeuwig heil? 1) bedrieg u niet over uw verhouding tot God; 2) overweeg ernstig wat u te wachten heeft; 3) neem snel een besluit wat u wilt doen; 4) volbreng zonder uitstel wat u tot welzijn dient.
De ware wijsheid: 1) zij blijft gedachtig aan de laatste rekenschap, 2) zij maakt gebruik van de korte tijd van de genade, 3) zij maakt zich vrienden voor de dag, dat hulp nodig is.
9. En ik, de Heere en Meester verenig Mij met die lof van de heer in de gelijkenis, uw gedachten van het gebied van het aardse leven tot het hemelse leidend. Ik zeg u, Mijn discipelen, die zich als kinderen van het licht behoren te gedragen: a) maak uzelf vrienden uit de onrechtvaardige mammon 6:24"); bedient u van het geld als een middel, opdat, wanneer u ontbreken zal (als het met u ten einde loopt), met het leven u ook alles wat vroeger uw geluk uitmaakte, ontnomen wordt, zij, die u zich tot vrienden hebt gemaakt, namelijk de armen, aan wie u heeftwelgedaan (Hoofdstuk 18:22), u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen (Johannes 14:2).
a) Mattheus 19:20. 1 Timotheus 6:19. Het is zeer juist wat de wijze Salomo (Spreuken 22:2) zegt: Rijken en armen ontmoeten elkaar, de Heere heeft hen allen gemaakt, maar even zo zeker is het dat de mammonsdienst van de mensen het onderscheid ontzaglijk vergroot heeft en tot een ontzettende mate heeft uitgebreid. Slechts indirect had de onrechtvaardige rentmeester zich verrijkt ten koste van zijn rijke heer, onmiddellijk had hij het gedaan op kosten van de arme pachters, die hij in plaats van vijftig honderd vaten olie en honderd mudden tarwe in plaats van tachtig had opgelegd, om de andere vijftig vaten en twintig mudden voor zichzelf te gelde te maken. Hij had, nu hij van zijn ambt zou worden ontzet en hij het uitzicht op nijpende armoede voor zich had, diegenen kunnen vergeten, die hij door zijn verhogen daartoe had gebracht, dat zij van hun pachten slechts een zeer kleine winst konden hebben en zich nooit uit hun behoeftige toekomst konden verheffen. Niemand van de mensen noodzaakte hem de gewone verhouding tot de pachters te herstellen en daardoor de toestand van de pachters aanzienlijk te verbeteren. Dat is echter juist bij de overlegging, die hij in Vers 3 houdt, de gelukkige gedachte, die hem van zijn aardsen heer in de lof doet inoogsten, waaraan de hemelse Heer in het voor ons liggende vers Zich met de woorden, "En Ik zeg u" met de vermaning kan aansluiten, de lof, dat hij zich van de vriendschap van de pachters probeert te verzekeren. Hij had evengoed de eigenaar in het geheim van zijn vroegere bedriegerij kunnen inwijden en aan deze kunnen meedelen hoe hij hem een veel grotere opbrengst van de verpachte landerijen in de pachtbrieven had verzekerd dan de boeken aanwezen. Het zou zich dan evenzo waarschijnlijk hebben laten aanzien, dat de eigenaar hem verder op zijn post zon hebben gelaten, als hij nu zijn waarschijnlijkheids-rekening op de dankbaarheid van de pachters stelt; - maar nee, hij geeft er de voorrang aan de onrechtvaardigen mammon, die in de vijftig vaten olie en de twintig mudden tarwe zit, ten beste van de geringe mensen te laten komen en zich zo over hen te ontfermen. Aan de andere kant was het hem toch ook mogelijk in de tijd van de hem nog gelatene ambtswaarneming nog eens het volle bedrag van de pachten te innen en het overschot van de vijftig vaten olie en de twintig mudden tarwe tot een penning voor de nood te bewaren. Maar nee, hij kan het over zijn hart krijgen om zich dadelijk van de onrechtvaardige mammon te ontdoen ten gunste van hen, waaraan zijn ongerechtigheid dit heeft ontnomen, zonder daarop verdere speculaties te doen en het "haastelijk" in Vers 6 moet zonder twijfel meer de dadelijke en gehele zelfverloochening voorstellen dan dat, zoals men gewoonlijk aanneemt, daar een haasten verborgen zou liggen om de zaak met de schuldenaars ten einde te brengen, voordat de heer daarbij kwam. In ieder geval is die losmaking van die winst, die hij zichzelf verzekerd had, dat vaste besluit om zelf met de onrechtvaardige mammon te breken en zijn toekomst liever door weldoen dan door verbergen te verzekeren het punt, waarop het de Heer in Zijn gelijkenis voornamelijk aankomt. Daardoor is dan ook de rentmeester een voorbeeld geworden, waaruit de tollenaars een betere leer konden ontlenen, dan als zij de Farizeeën en Schriftgeleerden om raad gevraagd hadden wat zij in hun toestand moesten doen. Deze zouden, zoals boven al is opgemerkt, hun in ieder geval hebben gezegd dat zij met verlaten van hun tollenaarspost en door afbreking van alle betrekking met de Romeinsen opperheer zich een ladder ten hemel zouden oprichten, maar graag zouden zij hem het besteden van de onwettig verworvene goederen, het verder overdadig levensonderhoud hebben gelaten, omdat zij zelf gierig waren, er niet naar vroegen of het inwendige van hun bekers en schotels vol boosheid was, als zij slechts uitwendig rein werden gehouden (Hoofdstuk 11:39), zij zouden hem een handelswijze hebben aanbevolen, zoals die van de rentmeester geweest zou zijn, als die de onrechtvaardige pachtcontracten als geldend had laten voortbestaan, om of zijn meester tot dankbaarheid te bewegen, of om nog eens een voordeel daarvan te trekken. Wat de rentmeester de pachters ten goede laat komen is naar onze opvatting geen eigendom van zijn heer; volgens hetgeen in de boeken staat en volgens de contracten, die tegenover dezen alleen geldend zijn, heeft hij alleen vijftig vaten olie en tachtig mudden tarwe te eisen, daarentegen zouden de meerdere vijftig vaten olie en twintig mudden tarwe een opslag zijn geweest en, wanneer hij verder in zijn vroeger ambt gebleven was, hemzelf ten deel zijn geworden; hij ontdoet zich dus van wat hem ten goede zou komen, nu hij de pachters voor het vervolg vrij laat. Het was zeker met ongerechtigheid verworven, hij had met vreemd kapitaal gespeculeerd en had arme arbeiders een aanmerkelijk gedeelte van de winst van hun arbeid ontroofd; maar wat hij zich nu verwierf was niet minder zijn vermogen dan de geldmannen van onze tijd menen met recht datgene als hun vermogen te mogen beschouwen wat zij door beursspeculatie en industriële ondernemingen weten te winnen. Dat het nog niet in zijn handen is, dat de ontzetting van zijn ambt, die hem wacht, hem een streek door de rekening doet, komt niet verder in aanmerking; zoals elke gelijkenis iets hinkends heeft, dat zij niet geheel met de voor te stellen waarheid overeenstemt, zo ook deze; bovendien is over de termijn van verwijdering uit het ambt niets gezegd, zodat deze uitdrukkelijk buiten bereik van de beschouwing geplaatst is. Wil men echter evenwel niet geheel afzien van de gedachte dat de rentmeester om de ontzetting uit zijn ambt, die voor de deur is, van zijn winst voor zichzelf geen onmiddellijk gebruik meer kan maken, niet geheel afzien, welnu het heeft voor hem, tot wie de gelijkenis in de eerste plaats gezegd is, zeker zijn bepaalde betekenis. De tollenaars kunnen van de rijkdom, die zij zich door hun geldafpersingen hebben verworven, voor eigen voordeel en genot ook geen gebruik meer maken; hun bekering tot Christus verhindert dat zij verder daarvan in weelde leven en zich goede dagen bereiden, zij staan onder de dwang van hun Christelijk geweten, zij zijn inwendig afgezet van hun winstgevende bezigheid. Zo komt bij de door ons voorgestelde opvatting alles in duidelijk, helder licht. Had daarentegen de gewone voorstelling recht, volgens welke leer bij de schuldenaars gehandeld zou worden over schulden, die tot een vervalsing van hun schuldbrieven ten nadele van de heer door diens rentmeester wierden verleend, hoezeer had Jezus Zich dan bij het voordragen van die gelijkenis blootgegeven tegenover de daar aanwezige Farizeeën en Schriftgeleerden, dat Hij zo'n handelswijze tot Zijn gelijkenis had gebruikt. Al tegenover een Christelijke gemeente wil het een prediker van het goddelijke Woords ook met de allerbeste middelen van voorzorg en de verblindendste kunsten van de redenaars niet goed gelukken, die gelijkenis bij zo'n opvatting te rechtvaardigen als de Heere waardig. Er blijft steeds zelfs bij hen, die hun verstand onder de gehoorzaamheid van het geloof gevangen geven, grote twijfel achter, of werkelijk de manier en wijze van een zo onrechtvaardig mens kan worden overgebracht in de manier en wijze van een kind van het licht. Hoeveel smaadreden zouden de Farizeeën en Schriftgeleerden niet tegenover de Heere en Zijn tollenaars hebben kunnen inbrengen, wanneer Hij hen hier zo'n beeld voorlegde, als de uitleggers het zich voorstellen! Integendeel moet er zo'n voorstelling zijn, die de tegenstanders op hun standpunt van gierigheid en hebzucht een handvatsel aanbiedt, om met de Heere te spotten (Vers 14); en voor zulke harten is zeker een rentmeester, die voordelige contrasten overgeeft om geringe pachters in hun rechten te stellen en een tollenaar, die de helft van zijn goederen aan de armen geeft, een voorwerp van spot - voor zo'n voorzichtigheid, zo zeggen zij bij zichzelf, zullen wij ten hoogste bedanken, wij weten beter wat verstandigheid is. In het volgende ontlenen wij nu nog uit leerredenen en andere geschriften over onze tekst datgene wat ons het geschiktste tot stichting voorkomt; wij zullen echter op die plaats, waar onze eigenaardige opvatting omtrent de schuldenaars zo'n overname niet mogelijk maakt, weer onze eigen beschouwingen voorstellen.
De hoofdtrekken van onze gelijkenis zijn gemakkelijk aangegeven: de rentmeester is de mens in zijn verhouding tot het aardse goed. De heer van de rentmeester is God de Heere, die de mens over geld en goed heeft gesteld. Maar hoeveel grote zaken heeft Christus toch al met deze eenvoudigste trekken gezegd? Met één woord: heeft Hij de verhouding van de mens tot het aardse goed, zoals die in waarheid, zoals die voor God is, getekend. De mens is geen eigenaar, hij is slechts rentmeester over het aardse goed, de ware heer en eigenaar is God. Nu ja, denkt u, zoals alles van God is. Neen, niet alleen zoals alles van God is, maar zo, dat u God hier niet eens geeft, maar slechts leent. "Als u in het goed van een ander niet trouw bent geweest, wie zal u het uwe geven?" zegt Christus dadelijk daarop (Vers 12). Onder "het uwe" verstaat Hij geestelijke, zedelijke, hemelse goederen - die zijn ook niet van onszelf, zij moeten ons gegeven worden van boven, maar zij worden ons gegeven om de onze, onze eigene te worden. De aanleg en bekwaamheid van de geest, het vrienden- of broederhart, de kennis van de waarheid, de vrede van God, hoger dan alle verstand, het zijn enkel gaven van boven, maar gaven die voor u zullen blijven, wanneer u maar in deze getrouw bent, die in uw onsterfelijke ziel geplant, dan eigen zullen blijven tot in haar onvergankelijke volmaking in Gods zalige gemeenschap. Met het geld is het anders: het blijft, zoals de Heere zegt voor u altijd "van een ander" hoe het ook het uwe heette; hoe begerig uw ziel het ook vasthoudt met al haar kracht, het wordt toch nooit een gedeelte van haar, nooit haar werkelijk eigendom, het zit toch altijd los, zo los dat het iedere dag van u kan afvallen als een tegenwind van het noodlot waait, zo los dat het in elk geval eens van u moet afvallen als dor loof in de herfst. "Wij hebben niets in de wereld gebracht", zo staat er geschreven, "en het is openbaar, dat wij niets daaruit kunnen dragen. " Dat is zeker een zeer oude bekende waarheid, wie zou ze niet weten? Maar hoewel allen haar kennen, hoe velen bedenken haar? En toch zou het een grote, machtige, diep ingrijpende zaak zijn om deze waarheid, die niemand kan betwijfelen, inderdaad te bedenken! Hoe moest dit de hele verhouding van de mensen tot de aardse en de hemelse goederen omkeren, hoe moest dat de gemoederen vrij maken van de banden van de mammon en trouw jegens de Heere, die geld en goed, maar nog veel grotere zaken toevertrouwt en trouw ook in het kleinste jegens de onsterfelijke ziel is! Maar de natuurlijke mens bedenkt het niet, al weet hij het; hij weet het en wil het toch niet weten en daaruit ontstaat zijn inderdaad dwaze verhouding tot het aardse goed, een verhouding rechtstreeks in tegenspraak met de ware, die alleen voor God geldende is. De Heere tekent ons deze verhouding, die de orde van God rechtstreeks tegenspreekt, in de verdere trekken van Zijn gelijkenis. Wat doet de rentmeester met het toevertrouwde goed? Juist het tegendeel van hetgeen hij als rentmeester doen moest: hij werd voor zijn heer aangeklaagd, dat hij zijn goederen doorbracht en dat hij werkelijk zo gedaan had bewijst ons het kwaad geweten van de man, dat van iedere rechtvaardiging dadelijk afziet. In plaats van dus de goederen van zijn heer te besturen, heeft hij ze doorgebracht: wat wil dat zeggen? Dat wil niet zeggen dat hij veel uitgegeven heeft, in plaats van het bij elkaar te houden; alleen bij elkaar houden is de plicht niet van de zaakwaarnemer - hij mag van de opbrengst van het goed gerust voor eigen behoefte en de behoefte van zijn huis afnemen, hij mag ook andere uitgaven doen, als het maar in de dienst en in het belang van de heer geschiedt. Maar de rentmeester heeft de goederen van zijn heer doorgebracht, d. i. , ze niet in diens dienst en belang besteed, maar ze voor die bestemming vernietigd, ze eigenmachtig en zelfzuchtig verkwist, zodat zij voor zijn heer geen voordeel aanbrachten, geen vrucht gaven en ten slotte zelfs niet voor de lichtvaardige verkwister. Zo heeft ook u, o mens, de Heere in de hemel een aards goed toevertrouwd, niet opdat u het niet, nee maar opdat u het goed gebruikt; u moet het besturen en gebruiken in de dienst van uw heer, naar de orde van Zijn rijk, voor u en de uwen en zeker niet minder voor elk die omwille van God, uw Heere, daarop aanspraak heeft, dat u hem bemint als uzelf. U mag en moet het toevertrouwde goed besteden zonder pijnlijke angst, maar het moet vrucht voortbrengen, zegen teweegbrengen, dat er overal iets mee wordt bereikt, dat in Gods rijk ten goede is en waarin dus een nuttig besteden van Zijn goed door hem kan worden gezien. Maar dat is niet het gezichtspunt en niet de wijze en regeling, zoals de natuurlijke mens de aardse goederen gebruikt, omdat hij met de onrechtvaardige rentmeester vergeet dat hij slechts rentmeester is, omdat hij God vergetend van het aardse goed zegt: "Het is het mijne, ik kan er mee doen wat ik wil; het gaat niemand aan hoe ik mijn goed besteed, zo vergeet hij eveneens ook Gods regeling bij het gebruik, de goddelijke bedoelingen, waartoe het aardse goed moet dienen, hij gebruikt het alleen naar de lust van zijn eigen verkeerd hart en brengt het zo door, d. i. vernietigt het en bewerkt er generlei vrucht en zegen mee. Hij brengt het door, of hij het als gierigaard in de kast sluit en in de aarde begraaft, zodat het tot niets nuttig is en niets kan teweegbrengen, of dat hij het als verkwister wegwerpt op de straat voor nietige, ijdele, misschien zielverdervende doeleinden, of dat hij het heimelijk voor zich geniet, of dat hij anderen roept tot zijn leven in heerlijkheid en vreugde, of hij het alleen doorbrengt of in gezelschap doorgebracht heeft, is hetzelfde. Wonderlijke dwaasheid van de mensen, die zo tegen beter weten en voelen van het hart aan het ogenblikkelijke hangt, zonder die blijvende winst, aan het zichtbare, dat toch zeker vergaat en dat, als ik het tot het scheepje maak, dat mijn ziel moet dragen over de golven van de tijd, in zijn onvermijdelijke schipbreuk ook onvermijdelijk de ziel zelf medesleept. Zeker vervulde die onrechtvaardige rentmeester vaak een onaangenaam gevoel: "Waar moet dat heen? Wat zal het einde zijn?" toch gaat hij voort, omdat het terugkeren van dag tot dag moeilijker wordt, de ontrouwe waarneming zich steeds hoger opeenhoopt tussen hem en zijn heer; zo probeert hij het te vergeten en geniet het ogenblik met zo krampachtige begeerlijkheid, zolang het maar gaat en voor de toekomst, voor het einde sluit hij de ogen. Zijn er grotere, zijn er ongelukkigere dromen? En toch hebben wij in hen de hele levenswijsheid van duizendmaal duizenden voor ogen.
"Wat hoor ik van u?" zegt de heer van de onrechtvaardige rentmeester tot deze, als die voor hem wordt aangeklaagd; zelf heeft hij het wel niet gezien, dat deze zijn goederen doorbracht, anderen hebben het hem meegedeeld. De heer is niet zo bij de zaak tegenwoordig geweest, alsof hij alles zou hebben geleid. Hij heeft zijn rentmeester het vertrouwen geschonken en laat hem daarop op eigen hand huishouden. Dat is het echter juist wat de mens verleidt; hij gedraagt zich in zijn zaken, gaat uit en in, regelt en werkt zonder iemand te zien, die op hem acht geeft of hem in de weg treedt; en omdat niemand hem verhindert de meester te spelen, is hij zo vermetel zichzelf tot heer te stellen. In plaats van het vertrouwen van zijn heer te eren en des te getrouwer te zijn in al zijn wegen, wordt hij een dief en doorbrenger; hoe langer hoe meer vergeet hij het, dat hij rekenschap moet afleggen. Als de mensen de Rechter niet zien, de roede niet voelen, dan geloven zij ook in geen gericht en in geen straf; dit overkomt hen omtrent hun aardse omstandigheden het meest; zij geven het toe, dat zij voor hun zonden God rekenschap moeten afleggen, maar het komt hun als een sprookje voor dat zij ook voor hun tijdelijke goederen rekenschap moeten afleggen. Voor zij dat met hun ogen zien, geloven zij het niet.
Het: "Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want u zult geen rentmeester meer kunnen zijn" zal de boze als een onverwachte slag gekomen zijn. Vroeger dacht hij bij zichzelf: "Mijn heer vertoeft te komen, daarom eet en drink mijn ziel, doe u te goed en wees vrolijk!" maar nu ziet hij opeens al zijn slechtheid voor de dag komen, nu wordt hij tot rekenschap geroepen en heeft hij niets om zich mee te verontschuldigen. Zo zal het al degenen gaan die het goed van hun heer hebben verwaarloosd of verkwist. Zij mogen het geloven of niet, er zal een dag voor hen komen waarop zij voor hun Koning en Rechter moeten verschijnen, om rekenschap van hun rentmeesterschap te doen. Dat voorspelt ons Zijn woord met zo'n duidelijkheid, dat elke twijfel daarbij verdwijnt, iedere loochening verstommen moet. Er is een rekenschap en God heeft het uur al bepaald, waarin u ze moet aanleggen; hoe snel die slaat of hoe laat, heeft Zijn wijsheid voor ons verborgen. Hoe zou het zijn als zij nu sloeg, als in de eerstkomende nacht uw ziel van u geëist werd, zou u bereidt zijn om uw Heer ten antwoord omtrent uw rentmeesterschap te staan? Al menigeen is opgeroepen op een tijd dat hij het niet vermoedde; niemand weet wanneer de beurt aan hem zal komen. Maar dit weten wij allen, waarnaar wij geoordeeld worden, daarover laat de Heilige Schrift ons zo weinig in onzekerheid, dat ieder vooraf zelf de rekening kan opmaken; zij zegt: in de uitdelers wordt vereist dat elk getrouw bevonden wordt; die veel gegeven is, van die zal veel geëist worden en die weinig gegeven is, van die zal men weinig eisen.
De predikingen van de Heere over gericht en eeuwigheid hadden bij de tollenaars opeens het ijdel zelfbedrog van hun leven verstoord; zij kwamen tot erkentenis dat er een einde moest komen aan het tijdelijke, dat achter de dood een vraag naar hun wandel, een verantwoording geëist, een oordeel gesproken zou worden en de stem: "Doe rekenschap van uw rentmeesterschap" schrikte hen wakker, de stem: "U zult geen rentmeester meer kunnen zijn" was verpletterend in hun ziel gedrongen. De arme doorbrengers, de bedrieglijke, onrechtvaardige tollenaars waren in verlegenheid over hun eeuwige toekomst, evenals de onrechtvaardige rentmeester in de gelijkenis in een verlegenheid was over zijn tijdelijke toekomst. Nu ontken ik niet dat het erg is als men in verlegenheid komt, maar ik moet toch ook bekennen dat de verlegenheid van een armen zondaar over zijn eeuwige zaligheid een gezegende verlegenheid is.
Volgens Gods wil moeten onze aardse tijdelijke zaken een voorbereiding zijn voor betere. Zijn wij getrouw met het tijdelijke goed, dan worden wij volgens onze getrouwheid geloond en wij zullen verheven worden tot hoge eer en waardigheid in het rijk van God; zijn wij daarentegen ontrouw, dan overkomt ons wat Jezus in Vers 11, 12 zegt. Die met de bedrieglijke, vergankelijke goederen, die ons slechts voor dit leven geleend zijn, niet getrouw volgens Gods wil handelt, die worden nog veel minder de waarachtige, blijvende goederen gegeven, die wij voor alle eeuwigheid als eigendom moeten hebben. Heeft hij zich een doorbrenger getoond in het mindere, namelijk in het tijdelijke goed, dan mogen hem de grote rijksgoederen van God in het geheel niet worden toevertrouwd. Ook de rentmeester in de gelijkenis erkent wordt het ambt hem ontnomen, dan is hij daardoor voor de hele wereld gebrandmerkt als een bedrieger, niemand zal hem weer iets toevertrouwen of hem in dienst nemen.
Het woord van de Heere tot de rentmeester: "Geef rekenschap van uw rentmeesterschap" bevat niet een oproep om zich te rechtvaardigen; het is al het vonnis van de afzetting, zijn schuld komt voor als bewezen; de rekening, die hij moet overleggen, is de inventaris van het hem toevertrouwde vermogen, dat hij aan zijn opvolger moet overgeven. Met deze afzetting komt overeen de daad, waardoor God ons de vrije beschikking ontneemt over de goederen, die ons hier beneden zijn toevertrouwd: de dood. Het tevoren uitgesproken vonnis van afzetting geeft het ontwaken te kennen van het menselijk geweten, wanneer de stem tot hem komt: "U moet sterven" (Hebreeën 9:27). De woorden: "Hij zei bij zichzelf" hebben enige gelijkheid aan die in Hoofdstuk 15:17. "tot zichzelf gekomen zijnde, zei hij"; het is een daad van tot nadenken komen na een leven in lichtzinnigheid.
De Heere zette zijnen rentmeester niet dadelijk af, maar hij kondigde hem alleen aan: "De dag van uw afzetting is nabij; " hij liet de ontrouwe knecht nog een tijd lang in zijn ambt, of hij misschien de tijd van de genade nog tot zijn nut mocht gebruiken en zie, de knecht had een fijn gevoel voor de zachte roepstem, hij begreep de bedoeling van de woorden en leidingen van zijn met recht op hem vertoornden heer. Hij voelde zich sterk doordrongen van de zekerheid: "Mijn dagen en uren zijn geteld; als ik gered wil worden, moet ik ze met zorg uitkopen" en begreep de wenk van zijn heer: "De gaven, die u zo lang hebt misbruikt, nog wil ik ze u een tijd lang laten; uw kracht helpt u niet uit de nood; zie of mijn genadegiften u niet nog de wegen mogen banen tot eeuwig heil!"
De lichtzinnige dwaas wordt opeens verstandig, dat is een opmerkelijk punt in de gelijkenis. Deze nu snel en loffelijk door de rentmeester verkregen voorzichtigheid van dat besluit wordt in drie trappen van zijn alleenspraak geschilderd: eerst de snelle erkentenis van de nood, de niet meer af te wenden ontzetting, waarbij het er op aan komt: "Wat zal ik doen?" Vervolgens het overleg omtrent allerlei hulpmiddelen en uitzichten, die slechts voortzetting waren van de nood - "het ene kan, het andere wil ik niet; " eindelijk het verstandig besluit: "ik weet wat ik doen, hoe ik mij helpen zal. " En op zo'n besluit volgt wat mede tot het verstandige behoort, zonder veel talmen meteen de uitvoering.
Bij zijn overlegging verbergt de rentmeester het voor zichzelf niet, dat hij de kracht niet bezit tot de moeitevolle arbeid van een dagloner. "Ik kan er mij niet in schikken om de spade ter hand te nemen", zoals Faust bij Goethe zegt: hij heeft alleen geleerd pennen en teugels te houden, zure handenarbeid is hij niet gewoon. Evenmin heeft hij er ook zin in om op een onedele, vernederende manier zijn brood voor de deuren van de mensen als bedelaar te zoeken. Omdat men hem volgens de verkeerde opvatting van zijn latere handelswijze voor een schurk houdt, houdt men zich meestal voor gerechtigd om met harde woorden op hem als op een trotse en trage te schelden: "Hij is te traag en te ontzenuwd, dan dat hij nog kon en wilde werken en aan de andere kant is hij te trots en hoogmoedig, dan dat hij zou kunnen bedelen. " Wij moeten er integendeel een kenteken van zijn voorzichtigheid in zien, dat hij nog op de juiste tijd zich voorstelt wat hem voor de toekomst wachtte als hij geen maatregelen nam om dat af te wenden. Na de ontzetting uit zijn ambt zou hem niets overblijven dan zijn brood met dagelijkse arbeid te verdienen, maar omdat hij hiertoe niet deugt, zou niemand hem tot zo'n dienst huren, er bleef hem dus niets anders over dan om te gaan bedelen en daartoe kon hij niet besluiten volgens een rechtmatig eergevoel. Zijn hele hart komt daartegen op met krampachtige angst en juist deze angst maakt hem vindingrijk om een uitweg op te sporen, die zijn heer later zelf voor een voorzichtige moet erkennen. Stellen wij ons nu voor dat de Heere in de eerste plaats de tollenaars voor ogen heeft en dus hier hun verlegenheid schildert, waarin zij waren geraakt, toen zij ten gevolge van de boet- en opwekkings-predikingen van de doper en zijn navolgers zagen dat hun tegenwoordig leven een einde nam, toen de vraag oprees welke levenswijze zij voor zich moesten kiezen, dan zal ons alles duidelijk worden. Zij, die de heidense Romeinen als werktuigen hadden gediend voor de overheersing van hun volk en hun op zichzelf reeds eerloos ambt nog daarenboven in de dienst van eigen hebzucht schandelijk hadden misbruikt, waren, wat eer en achting aangaat, in de burgerlijke maatschappij, waartoe zij behoorden (Deuteronomium 14:4, ) geheel bankroet gegaan. Zij hadden daar hun bestaan zo geheel en al verdorven, dat zij, ook als zij vermogen genoeg bezaten om zorgeloos en goed te kunnen leven, evenwel in zedelijk opzicht op gelijke lijn stonden met de bedelaars, die in de oudheid bij de Joden nog veel minder dan bij ons geacht werden (Psalm 37:25; 109:10. Job 20:10), omdat alleen gebrekkigen (Hoofdstuk 18:35. Johannes 9:8. Handelingen 3:2) om aalmoezen vroegen. Ook nog heden zal men zeker negenennegentig Christenen zien bedelen, terwijl nauwelijks de honderdste een Jood is. Menig ander bankroetier van die soort, die door onzedelijke levenswandel eer en naam had verloren, zou zich misschien daarmee weten te helpen, dat hij een lering van de Farizeeën werd en voortaan met des te grotere gestrengheid de instellingen van de ouden en de door de schriftgeleerden voorgeschreven ceremoniën-dienst waarnam - hij werd dan in geestelijk opzicht een dagloner, zoals dan ook in Hoofdstuk 15:25 de voorstelling van de oudste zoon, "hij was op het veld" inderdaad op de geest van verdienen door werken, op het daglonersfeest van het farizeïsme zinspeelt. De tollenaars waren echter zeker wel uiterlijk verhinderd om in deze orde te treden; men zou niemand van hen hebben opgenomen, zodat het "graven kan ik niet" eveneens een toespeling bevat. Nu is dan het gedrag van de rentmeester ten opzichte van de schuldenaars van zijn heer in de door ons voorgestelden zin, een voortreffelijke vingerwijzing voor de tollenaars, hoe zij al in deze wereld hun eer konden herstellen; wat Zachéus in Hoofdstuk 19:8 zegt, spreekt het bewustzijn uit dat tegenover de verachting, die zich nog altijd tegen hen en zijn huis onder de mensen openbaart, hij toch wel weer aanspraak heeft op een geachte positie. Wanneer nu ook Farizeeën en schriftgeleerden en het door hen beheerste volk er nooit toe zouden komen om tegenover zo'n aanspraak rechtvaardig te worden, zo waren er toch anderen, waarvan de tollenaar mocht verwachten dat hij in hun huizen zou worden opgenomen. Dat was de gemeente van Hem, die Zich over hen had ontfermd, die met hen had gegeten en ook wel verblijf bij hen had gezocht (Hoofdstuk 15:1; 19:5). Aan gelegenheid zou het hen nu en in het vervolg niet ontbreken om zich voor deze gemeente nuttig te maken en voor henzelf een goede plaats te verwerven en een grote blijdschap in het geloof in Christus Jezus (1 Timotheus 3:13). Wij kunnen, om niet al te wijdlopig te worden, de gedachten, die bij zo'n opvatting van de gelijkenis zich ontwikkelen, niet verder vervolgen, maar moeten ons met deze aanwijzingen tevreden stellen. Zeker zou het goed geweest zijn als de uitlegging niet verder haar krachten gaf aan de voorstelling van een schurken-streek van de rentmeester, zoals men in Vers 5-7 meent te moeten zien, waarin het voorzichtig handelen met het tijdelijk goed, dat de Christen betaamt, teniet zou moeten gaan, maar als zij erkende dat zij met de oude opvatting van het in Vers 3-8 gezegde zich op valse wegen bevindt, om zich voortaan nieuwe gedachtenkringen te openen, waarbij nu ook het: de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij voorzichtigheid gehad had in een licht voorkomt, waarbij de omzetting van "heer" in "Heere" geen grote moeilijkheden veroorzaakt. Onder Vers 9 kunnen wij nu weer anderen laten spreken.
Jezus begint de toepassing van de gelijkenis met die beschamende vergelijking tussen de kinderen van deze wereld en de kinderen van het licht (Johannes 12:36. Efeziers . 5:8. 1 Thessalonicenzen. 5:5), terwijl hij aan de eerste grotere voorzichtigheid toekent.
Tussen beide is een onderscheid als tussen licht en duisternis; de kinderen van de wereld zijn zij, die met hun hart tot deze wereld behoren en hun goederen tot een afgod maken, die zij met al hun liefde dienen. De kinderen van het licht daarentegen zijn Gods kinderen, wedergeboren door de Heilige Geest, God aangenaam door het geloof in Jezus Christus, mensen in de dienst van God, die de heiligmaking najagen en met goede werken naar het eeuwige leven zoeken. Dat is het onderscheid, maar daarin betonen de kinderen van de wereld aan de kinderen van het licht dat zij voorzichtiger zijn "in hun geslacht; " zij tonen meer verstand en ijver in de dienst van de wereld dan de anderen in de dienst van God; zij wenden meer moeite en vlijt aan om in aardse zaken rijk te worden, dan de anderen om zalig te worden, meer inspanning en nadenken om zich in lichamelijke nood te helpen, dan zij om hun ziel van de dreigende gevaren van de zonde en die van de dood te redden - de kinderen van het licht zouden veel van hen kunnen leren.
De rentmeester dacht als een verstandig man over de toekomst na en maakte van het ogenblik gebruik; hij wendde nu zijn macht, die hem nog was overgelaten, ten voordele van anderen aan en wist dat ten slotte het grootste voordeel juist hem ten deel viel. Ook u heeft de meeste zegen van datgene waarmee u anderen gezegend heeft.
In Mattheus 6:24 stelt Jezus de rijkdom als een afgod voor, die het hele hart zou innemen en die men naast God niet zou kunnen dienen, omdat deze het hele hart inneemt; op onze plaats vermaant Hij integendeel: maakt het aardse goed, waaraan veel ongerechtigheid kleeft, gebruik om het tot bedoelingen van de liefde te besteden, doe goed aan de arme kinderen van God - zij kunnen eenmaal voor u getuigen.
De aardse bezitting draagt reeds in zich het karakter van ongerechtigheid, niet eerst onze handelwijze maakt haar onrechtvaardig. Wanneer de middelen van het aardse vermogen konden spreken, hoeveel zouden zij moeten vertellen van zonden, waartoe zij hebben gediend, van tranen over bittere ongerechtigheid, die er aan kleven, van kloppingen van het geweten, die zij achterlaten in de hand van hem, die ze bezeten heeft, van onvrede, die zij hebben veroorzaakt! Met schrik kunnen wij er soms aan denken waartoe de munt, die door onze handen gaat, al heeft gediend. Wij zouden ze vaak aanraken met de schrik, waarmee wij een plaats beschouwen, die de schouwplaats van grote gruwelen is geweest. Er ligt een vreselijke macht van verleiding in de mammon, daarvan mogen zij getuigenis geven, wier levensberoep het winst maken in de handel is; zij zouden het bekennen, wanneer zij oprecht wilden zijn, hoe moeilijk vaak het bedrog daarbij te vermijden is, hoe bezwaarlijk het geweten daarbij zuiver kan worden gehouden. Maar ook hij, die niets zo onmiddellijk verwerft, die voor een ander beroep zijn loon en zijn verdiensten ontvangt; hoe moeilijk wordt het hem vaak, inderdaad meer voor zijn beroep dan voor het verdienen te leven, zich niet te laten verblinden door de winst, die het oog ter zijde van het eigenlijke doel van zijn leven aftrekt. En als wij bedenken hoe ook in de schijnbaar eerlijkste verdienste zich een hele keten van gewetensvragen kan aansluiten, heb ik ook werkelijk verdiend, wat ik heb ontvangen? Heb ik daarvoor gegeven wat ik schuldig, wat mij mogelijk was? Is geen waardiger dan ik achtergestaan? Lijdt niemand daardoor? - O zie, dan mogen wij wel zeggen: "Heere! vergeef mij de verborgen zonden, die aan de onrechtvaardige mammon hangen, ja, neem ook de vloek weg die op hetgeen ik als erfenis, als geschenk ontvangen heb, misschien rust, al weet ik het niet! En als wij daarvan afzien, hoe het bezit in onze handen is, op welke wegen het daarin gekomen is; hoeveel aanleiding geeft het als bezitting tot een vals bouwen en vertrouwen, een kind van God onwaardig! Onafgebroken geeft het gelegenheid zich in ijdele vreugde van nietige aard bezig te houden, zich daardoor aan de dienst van God te onttrekken. Ook ligt daarin een verborgen, maar zeer grote kracht van verzoeking, om zich boven zijn medemens te verheffen. Het is een overmaat van dwaasheid, om het bezit, dat ik mij niet zelf heb gegeven, dat mijzelf niet verandert, mijzelf voor meer dan een ander te houden en toch zal er moeilijk iemand kunnen worden gevonden die er vrij van zou zijn; zelfs een zeer armoedige bezitting geeft een trotsheid, om op de nog armere van boven neer te zien. Ja, de onrechtvaardige mammon is een vergif van verleiding als ingegoten.
De Heere spreekt van de onrechtvaardige mammon, dus van die geheimzinnige en toch hoogst oppervlakkige macht, die de wereld regeert, van die nietigste en toch machtigste zaak op aarde, dat wij geld noemen, zo nietig, dat bergen daarvan een reiziger in de woestijn geen enkelen reddenden dronk water kunnen kopen en toch zo machtig dat de reiziger op aarde - hoe vaak! - eer, deugd, geweten, de onsterfelijke ziel ervoor verkoopt. Van deze zaak, die in de wereld tot een mammon is geworden, d. i. tot een vast vertrouwen, tot een afgod, spreekt de Heere. Hij wil ons aantonen hoe deze machtige mammon tegenover Gods gericht zo absoluut nietig is, maar hoe hij evenwel in de handen van God welgevallige wijsheid machtig kan werken tot in het eeuwige leven. Hij prijst daarom die verstandigheid aan, die het aardse goed overgeeft om een schat in de hemel te hebben, die dit mild uitdeelt aan de schuldenaars van de grote Eigenaar, aan de arme, noodlijdende broeders, omdat het eerst zo een waren, blijvende zegen kan stichten, omdat het, overgegeven in dit voorbijgaand heden, kan helpen om na dood en oordeel een zorgeloze, eeuwige toekomst te verzekeren. De rentmeester doet juist het omgekeerde van zijn vroeger gedrag; voorheen wilde hij de rijkdom van zijn heer zelf genieten, nu laat hij die anderen, die dit kunnen gebruiken, ten goede komen. Voorheen, toen hij slechts aan zichzelf dacht, bracht hij het met al die goederen niet verder dan tot afzetting en oordeel, nu hij het milddadig uit de handen geeft zorgt hij pas echt voor zichzelf, omdat hij zich een toevlucht verzekert na afzetting en gericht, een vriendelijke opname bij hen, die hij zo rijkelijk bedacht, zolang hij het kon. Maar hoe, als de Heere zegt: "Ik zeg u, maakt uzelf vrienden uit de onrechtvaardige mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen, " is dan dat geen eigengerechtigheid, werkheiligheid ondanks de Paulinische, ondanks de hervormde leer, die zich altijd op de Schrift beroept? Is dat dan geen middelaarschap van geholpenen, een in de hemel komen door voorspraak van mensen, geheel en al als de Roomse kerk dat van haar heiligen, van haar maagd Maria beweert? Nu, de lezer van de Heilige Schrift zal er zich aan moeten wennen om de Heere sterke en bevreemdende woorden te horen zeggen, onbezorgd voor misverstand en verkeerde uitlegging. Hij weet dat wie voor Hem het hart opent, niet slechts het een van Zijn woorden aanneemt om het andere te verachten, maar het een met het andere verbindt en, de Schrift door de Schrift verklarend, voor dwaling bewaard blijft. Het Evangelie is een levend, onafscheidelijk geheel, maar dit woord hier is niet het hele Evangelie; rukt u het uit het geheel weg, dan moet het voor u tot een dwaallicht worden; neemt u het in samenhang met het geheel, dan openbaart het u een bijzondere en eigenaardige lichtstraal van de eeuwige waarheid.
Volgens het hele Evangelie nu is het geloof in de Heere Jezus Christus alleen, dat de mens zalig maakt, maar het wordt uit de werken gekend, naar de werken beloond en geoordeeld; want aan de vruchten kent men de boom. Evenals nu de Heere op een andere plaats (Hoofdstuk 11:32) van de ongelovigen zegt: "De mannen van Ninevé zullen opstaan in het gericht met dit geslacht en zullen het veroordelen want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas enz. , " hoewel Hij zelf de Rechter is over levenden en doden, zo zegt Hij ook hier van de armen: "Zij zullen u ontvangen" Hoewel Hij alleen de deur is en alleen de sleutel tot de hemel heeft. Hij wil zeggen: Besteedt u uw aardse goed volgens Gods wil ten dienste van uw broeders, zo zullen zij op de dag van het gericht u getuigenis geven, zij zullen het dadelijk bewijzen dat uw geloof niet dood geweest is, uw liefde niet maar in woorden heeft bestaan, het zal aan het licht komen wat u inwendig was en op zo'n getuigenis zullen zich voor u de poorten van het leven openen, u zult worden opgenomen tot medegenoten van de zaligheid van hen, aan wie u uw Christendom metterdaad betoond heeft.
De Heere spreekt van de armen als van vrienden, die in de eeuwige tabernakelen zullen opnemen. Dit bewijst ons dat de rijke, die zijn goed op verkeerde wijze heeft verworven en kwalijk besteed heeft, in geen geval recht op het Koninkrijk der hemelen heeft; het toont echter ook aan dat de rijke, die Zijn kwalijk verworven goed recht besteedt, daarom nog geen recht heeft op de eeuwige tabernakelen. Christus' verdienste blijft volkomen en alleen voor onze zaligheid geldend. Hij is het, tot Wie de zondaars moeten komen, tot Wie zich ook de tollenaars hebben vergaderd en pas uit het geschenk van goddelijke vergeving en van hemelse vrede komt zo'n handelen voort, als dat in het vermanende woord van de Heere wordt geëist. Zo is dan ten opzichte van de vrienden, die men zich met overgave van de onrechtvaardige mammon heeft verworven, alleen sprake van een opnemen en heenvoeren van de afgescheiden zielen in de eeuwige tabernakelen, waarvoor zij al bestemd zijn. Men neemt de woorden maar getrouw op en er zal niets meer uit blijken, dan dat de eeuwige Koning diegenen, die Hij heeft welgedaan, nadat zij zich van gierigheid en hebzucht hebben bekeerd, gebruiken wil om Zijn arme, bekeerde tollenaars ten tijde van hun heengaan in Zijn dierbaar en heerlijk rijk en tot Zijn troon te voeren. Nu zijn juist niet al de armen, waaraan een bekeerde rijke heeft welgedaan, ten tijde van zijn eigen heengaan al thuis; sommigen kunnen thuis zijn, enigen leven nog. Als men nu de woorden van Christus over hen woordelijk moet opvatten, dan moet toch ook een daarmee overeenkomende werkzaamheid van hen, die nog op aarde leven, worden aangenomen. Wat de gestorvenen in zaligheid mogen vervullen, dat bidden de armen, die leven; de eersten voeren in de eeuwige tabernakelen in, deze bidden daarom; deze vergezellen hun weldoeners tot aan de poorten van de eeuwigheid, de anderen ontvangen ze ginds aan de poorten.
Met goud kan men zich wel geen plaats in de hemel kopen, maar zich wel een goede ontvangst in de voor het geloof al geopende hemel bereiden.
De gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester geeft dus 1) een herinnering aan de rekenschap, die wij van ons rentmeesterschap moeten geven; 2) een onderwijzing over de aard en de verleidende macht van het aardse goed; 3) een aanmaning tot de ware getrouwheid in het besteden
De onrechtvaardige rentmeester wordt ons door de Heere voorgesteld 1) tot lering, 2) tot waarschuwing, 3) tot navolging.
Het verschillend gedrag van de rentmeester 1) eerst een dwaas, dat ten gerichte voert, 2) later een verstandig, dat uit het oordeel redt.
Het kind van de wereld een meester in het verstand: 1) het overziet duidelijk de hele toestand, 2) het erkent scherp de waarde van het ogenblik 3) het vindt duidelijk de juiste middelen, 4) het gaat beslist aan het noodzakelijke, 5) het zorgt zeker voor de toekomst.
Wat behoort tot de christelijke voorzichtigheid bij de zorg voor ons eeuwig heil? 1) bedrieg u niet over uw verhouding tot God; 2) overweeg ernstig wat u te wachten heeft; 3) neem snel een besluit wat u wilt doen; 4) volbreng zonder uitstel wat u tot welzijn dient.
De ware wijsheid: 1) zij blijft gedachtig aan de laatste rekenschap, 2) zij maakt gebruik van de korte tijd van de genade, 3) zij maakt zich vrienden voor de dag, dat hulp nodig is.