Psalm 4:1-6
Het opschrift van de psalm deelt ons mee dat David, door Goddelijke ingeving de psalm geschreven hebbende, hem ten gebruike van de kerk aan de opperzangmeester heeft overgegeven, die de leiding had van de dienst des psalmgezangs. Wij hebben een uitvoerig bericht van die instelling en van de ordening van de verschillende klassen van zangers, ieder met een opperhoofd en het deel dat aan ieder van het werk was toegewezen, in 1 Kronieken 25. Sommigen "profeteerden aan de hand, of naar de orde, des konings," vers 2. Anderen "profeteerden met een harp om de Heere te danken en te loven," vers 3. Van anderen wordt gezegd dat zij "de hoorn moesten verheffen," vers 5, maar van allen dat zij gesteld waren "tot het gezang des huizes des Heeren" vers 6, en "geleerd waren in het gezang des Heren," vers 7. Deze psalm werd overgegeven aan een van de hoofden om gezongen te worden op de "neginoth snaarinstrumenten," Habakuk 3:19 waarop gespeeld werd met de hand, onder begeleiding van muziek van die soort moest het koor deze psalm zingen. en het schijnt dat toen alleen het koor, niet het volk, zong. Maar het Nieuwe Testament beveelt dat alle Christenen zullen zingen, Efeziers 5:19, Coloss.3:16, van wie verwacht wordt dat zij het op betamelijke wijze zullen doen, waartoe geen kunst vereist wordt, en daarom zijn muziekinstrumenten thans niet zo nodig als toen, de melodie moet uit het hart komen.
In deze verzen:
I. Wendt David zich tot God, vers 1. Of de zonen van de mannen, vers 3 tot wie hij gaat spreken, zullen horen of niet zullen horen, hij hoopt en bidt dat God hem een genadig gehoor zal verlenen, en hem een antwoord des vredes zal geven. "Als ik roep, verhoor mij, neem mijn aanbidding aan en verhoor mijn gebed en oordeel mij op mijn beroep, wees mij genadig en hoor mijn gebed." Als het Gode behaagt te letten op ons gebed en ons verhoring ervan te schenken, dan moet dit toegeschreven worden, niet aan onze verdienste, maar zuiver en alleen aan Zijn genade. Hoor mij om Uwer goedertierenheid wil, is onze beste pleitrede. David pleit hier nog op twee zaken.
1. "Gij zijt de God mijner gerechtigheid, niet alleen zelf een rechtvaardig God, maar de auteur van mijn rechtvaardige gezindheid, die door Uw genade het goede hebt gewerkt, dat in mij is, mij een rechtvaardig man hebt gemaakt, derhalve verhoor mij, en getuig aldus van Uw eigen werk in mij. Gij zijt ook de beschermer van mijn rechtvaardige zaak, van mijn onschuld, waaraan onrecht gedaan is, aan wie ik mijn weg beveel en op wie ik vertrouw, om mijn gerechtigheid te doen voortkomen als het licht." Als mensen ons onrechtvaardig veroordelen, dan is dit onze troost: "het is God die rechtvaardigt, " Hij is de God van des gelovigen gerechtigheid.
2. Als ik vroeger in benardheid was, hebt Gij mij ruimte gemaakt, hebt Gij mijn hart verruimd in heilige blijdschap en vertroosting onder mijn leed, mijn toestand verruimd door mij uit te voeren uit mijn benauwdheid, daarom, Heere wees mij ook nu genadig en hoor mijn gebed. De ervaring, die wij hebben van Gods goedheid jegens ons door ons ruimte te maken toen wij in benauwdheid waren, is niet alleen een grote bemoediging voor ons geloof en onze hoop in de toekomst, maar ook een goede pleitgrond in het gebed tot God: Gij hebt, zult Gij niet? Want Gij zijt God en verandert niet, Uw werk is volmaakt. II. Hij wendt zich tot de kinderen van de mensen ter overtuiging en bekering van hen, die nog vreemdelingen zijn voor God en niet willen dat de Messias, de Zone Davids, Koning over hen zal zijn.
1. Hij poogt hen te overtuigen van de dwaasheid hunner goddeloosheid, vers 3. Gij zonen van de mannen, of volgens sommigen, gij grote mannen, mannen van hoge rang, bedoelende de aanhangers van Saul of van Absalom, hoe lang zult gij mij en mijn regering tegenstaan, er misnoegd op blijven onder de invloed van de valse en ongegronde inblazing van hen, die mij kwaad willen? Of het kan in een meer algemene zin genomen worden: door de psalmist redeneert God met de zondaren om hen tot berouw en bekering te brengen. "Gij, die volhardt in de veronachtzaming van God en Zijn aanbidding en in minachting van het koninkrijk van Christus en Zijn regering, bedenkt wat gij doet."
a. Gij verlaagt uzelf want gij zijt zonen van mannen, het woord betekent hier man in de zin van een edel schepsel, denkt aan de waardigheid uwer natuur en de uitnemendheid van de gaven van verstand, waarmee gij zilt toegerust, en handelt niet op zo onredelijk u zo weinig voegende wijze." Laat de zonen van de mensen nadenken en zich mannen betonen.
b. "Gij onteert uw Maker en maakt Zijn eer tot schande." Zij kunnen wel beschouwd worden als woorden van God, zondaren het onrecht ten laste leggende, dat zij Hem doen in Zijn eer. of, zo het Davids woorden zijn, dan kan de eer verstaan worden van God, die hij zijn eer noemde, Psalm 3:4. Afgodendienaars worden beschuldigd, de "heerlijkheid Gods veranderd te hebben" in schande, Romeinen 1:23. Alle moedwillige zondaars doen dit door ongehoorzaam te zijn aan de geboden van Zijn wet, de aanbiedingen van Zijn genade te minachten, en de genegenheid en de dienst gevende aan het schepsel, die aan God alleen toekomen. Zij, die Gods heilige naam ontheiligen, Zijn Woord en Zijn inzettingen bespotten en Hem, terwijl zij belijden Hem te kennen, verloochenen met de werken, doen wat zij kunnen om onze eer tot schande te maken.
c. "Gij bedriegt uzelf, gij bemint de ijdelheid en zoekt de leugen, of hetgeen een leugen is. Gijzelf zijt ijdel en spreekt leugen en gij bemint dit." Of: "Gij stelt uw hart op hetgeen ten laatste blijken zal niets dan ijdelheid en een leugen te zijn." Zij, die de wereld liefhebben en de dingen zoeken, die beneden zijn, beminnen de ijdelheid en zoeken leugens, gelijk ook zij doen, die behagen scheppen in de genietingen van de zinnen en de schatten van de wereld najagen, want die zullen hen bedriegen en alzo ten verderve brengen. "Hoe lang zult gij dit doen? Zult gij nooit wijs zijn voor uzelf, nooit denken aan uw plicht en uw belang? Hoe lang nog na dezen?" Jeremia 13:27. De God des hemels vindt de tijd lang, waarin zij voortgaan met Hem te onteren en zichzelf te bedriegen en ten verderve te brengen.
2 Hij toont hun de bijzondere gunst, die God heeft voor de vromen, de bijzondere bescherming, waaronder zij zich bevinden en de voorrechten, zij aanspraak hebben, vers 4. Dit wordt aangevoerd:
A. Als een reden, waarom zij de Godvruchtige niet moeten tegenstaan, of vervolgen, of ter nederwerpen. Het is op hun gevaar, zo zij "een van deze kleinen ergeren," die God zich heeft afgezonderd, Mattheus 18:6. God acht dat zij, die hen aanraken, Zijn oogappel aanraken, en Hij zal dit hun vervolgers vroeg of laat doen weten. Zij hebben invloed in de hemel, God zal hen horen, laat dus niemand het wagen hen te schaden of te beledigen, want God zal hun geroep horen en hun zaak voorstaan, Exodus 22:23. Algemeen wordt ondersteld dat David van zijn eigen bestemming voor de troon spreekt, hij is de gunstgenoot, die de Heere heeft afgezonderd voor die eer en die haar niet overweldigt, er zich niet ten onrechte en door geweld meester van maakt, of haar zelf heeft aangenomen. "De tegenstand dus, die gij hem biedt, is zeer misdadig, want daarin strijdt gij tegen God, en hij zal ijdel en zonder uitwerking blijken te zijn."God heeft op gelijke wijze zich de Heere Jezus, die gunstgenoot, afgezonderd, en zij, die Zijn verhoging tegenstaan, zullen gewis teleurgesteld worden, want de Vader hoort Hem altijd. Of:
B. Als een reden waarom zij zelf vroom en Godvruchtig moeten zijn en niet langer in de raad van de goddelozen moeten wandelen. "Gij hebt totnutoe de ijdelheid gezocht, zijt waarlijk Godsdienstig en gij zult waarlijk gelukkig zijn, hier en voor eeuwig, want:
a. "God wil voor zich en Zijn dienst afzonderen." De Heere heeft zich een gunstgenoot afgezonderd, iedere particuliere Godvruchtige heeft Hij zich afgezonderd in Zijn eeuwige verkiezing, in Zijn krachtdadige roeping, in de bijzondere beschikkingen van Zijn voorzienigheid en de werkingen van Zijn genade, zij zijn Hem tot een bijzonder volk geheiligd. Godvruchtige mensen zijn Gods afgezonderden, Zijn verzegelden, Hij kent hen, die de Zijnen zijn, Hij heeft hun Zijn beeld en opschrift ingedrukt, Hij onderscheidt hen door buitengewone gunstbewijzen. Zij "zullen, zegt de Heere van de heirscharen, te dien dage, die Ik maken zal, Mij een eigendom zijn. Weet dit, " laat Godvruchtigen het weten, en laat hen zich nooit vervreemden van Hem, wie zij aldus ten eigendom zijn, laat goddelozen het weten en zich wachten om hen te schaden, die door God worden beschermd.
b. God zal u invloed op Hem verzekeren. David zegt dit met toepassing: De Heere zal horen als ik tot Hem roep. Wij zouden ons gelukkig achten zo wij het oor hadden van een aards vorst, is het dan niet de moeite waard om op iedere voorwaarde, maar inzonderheid op zo gemakkelijke voorwaarden, het oor te kunnen verkrijgen van de Koning van de koningen? Laat ons dit weten en de ijdelheden verlaten ten einde deze zegeningen deelachtig te worden.
3. Hij waarschuwt hen tegen de zonde en vermaant hen er zich door redenering en schrik van te doen aflaten, vers 5. "Hebt ontzag en zondigt niet." Weest toornig en zondigt niet, aldus de LXX, en sommigen denken dat de apostel die vermaning van hem overneemt, Efeziers 4:26. "Spreekt in ulieder hart Denkt na en vreest, ten einde tot bekering te komen." Wij moeten niet zondigen, want door te zondigen raken wij van de goede weg af en missen ons doel. Een goed middel tegen de zonde is vrees, ontzag te hebben. "Weest bewogen", aldus sommigen, in tegenstelling met zorgeloosheid en valse gerustheid. "Blijft steeds een heilige eerbied koesteren voor de heerlijkheid en majesteit van God, hebt een heilige vreze voor Zijn toorn en vloek, en durft Hem niet tergen." Een goed middel om zonde te voorkomen en een heilig ontzag te behouden is: dikwijls en ernstig in ons eigen hart te spreken. "Spreekt met uw hart, gij hebt er veel aan te zeggen, er kan ten allen tijde mee gesproken worden, laat dan hetgeen gij er aan te Zeggen hebt, niet opgezegd blijven." Een nadenkend man is goed op weg om een wijs en Godvruchtig man te zijn. "Spreekt in ulieder hart, onderzoekt het door ernstig nadenken over uzelf, teneinde het goed te kennen, en wat er verkeerd in is weg te doen of te herstellen, houdt het bezig met plechtige, vrome overpeinzing, laat uw gedachten verwijlen bij hetgeen goed is. Stelt uw hart op uw wegen en let op de hier gegeven aanwijzingen om dit werk goed en met vrucht te doen. a. Kiest een stille tijd daarvoor, doet het als gij wakker op uw bed ligt. Eer gij u des nachts tot slepen schikt, zoals sommigen van de heidense zedeleraren hebben aangeraden, onderzoekt uw geweten met betrekking tot hetgeen gij die dag gedaan hebt, inzonderheid wat gij verkeerds gedaan hebt, ten einde er berouw van te hebben. Als gij des nachts wakker wordt, denkt aan God en bedenkt hetgeen tot uw vrede dient. David heeft wat hij hier anderen aanraadt te doen, zelf beoefend, Psalm 63:7 :"Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken." Inzonderheid op een ziekbed moeten wij ons hart stellen op onze wegen en ze in ons hart nagaan.
b. "Brengt u in een ernstige gemoedsstemming, zijt stil. Als gij een vraag hebt gedaan aan uw geweten, zijt stil, en wacht op het antwoord, houdt zelfs in onrustige tijden uw gemoed rustig en kalm."
4. Hij raadt hun nauwgezet hun plicht te betrachten, vers 6. Offert offeranden der gerechtigheid. Wij moeten niet slechts aflaten van kwaad te doen, maar leren goed te doen. Zij, die misnoegd waren op David en zijn regering, zouden spoedig tot een betere gezindheid komen en terugkeren tot hun trouw en gehoorzaamheid indien zij slechts God op de rechte wijze wilden aanbidden, en zij die weten wat er ligt tussen God en hun ziel, zullen blijde zijn met de Middelaar, de Zone Davids. Van een ieder van ons wordt hier geëist:
a. Dat wij Hem dienen: "Offert Hem offeranden, offert Hem ten eerste uzelf en uw beste offers." Maar het moeten offeranden van de gerechtigheid zijn, goede werken, al de vruchten van de heersende liefde tot God en onze naaste en al de blijken van een Godsdienstige wandel, die beter zijn dan brandoffer en slachtoffers. "Laat al uw Godsdienstige verrichtingen voortkomen uit een oprecht hart, laat al uw aalmoezen offeranden van de gerechtigheid zijn." De offeranden van de onrechtvaardigen zal God niet aannemen, zij zijn Hem een gruwel, Jesaja 1:4 en verv.
b. Dat wij op Hem vertrouwen. Maakt er eerst een gewetenszaak van om de offeranden van de gerechtigheid te offeren, en dan kunt gij op de Heer vertrouwen. Dient God zonder enig mistrouwen van Hem, of enigerlei vrees van iets door Hem te verliezen. Eert Hem door alleen op Hem te vertrouwen en niet op uw rijkdom, of op een vlesen arm, vertrouwt op Zijn voorzienigheid en steunt op uw verstand niet, vertrouwt op Zijn genade en zoekt niet uw eigen gerechtigheid op te richten."
Bij het zingen van deze verzen moeten wij voor onszelf de leer prediken van de tergende aard van de zonde, de valse ijdelheden van de wereld en de onuitsprekelijke zaligheid van Gods volk, en wij moeten bij onszelf aandringen op de plicht van God te vrezen sprekende tot ons eigen hart, geestelijke offeranden offerende. Bij het biddend nadenken over deze verzen, moeten wij God vragen om de genade, om aldus te denken en te doen.