Psalm 130:5-8
1. De psalmist verbindt zich hier om op God te vertrouwen en op Hem te wachten vers 5, 6.
Merk op:
A. Zijn steunen op God, uitgedrukt in een climax, daar het een lied is van de opgangen, "Ik verwacht de Heere, van Hem verwacht ik hulp en vertroosting, gelovende dat zij zullen komen, en besluitende om ze van niemand anders te verwachten, mijn ziel verwacht, ik verwacht Hem in oprechtheid, en niet slechts in belijdenis. Ik ben een verwachtende, en het is de Heere, die mijn ziel verwacht, de gaven van Zijn genade en de werkingen van zijn macht.
B. De grond van die verwachting, ik hoop op Zijn woord. Wij moeten alleen hopen op hetgeen Hij beloofd heeft in Zijn Woord en niet op de schepselen van onze eigen verbeelding, en wij moeten erop hopen omdat Hij het beloofd heeft, en niet om enigerlei mening omtrent onze eigen verdienste.
C. De mate van dat vertrouwen, meer dan de wachters op de morgen, die:
a. Wel verzekerd zijn dat de morgen komen zal, en zo ben ik er zeker van, dat Hij overeenkomstig Zijn belofte in genade tot mij zal wederkeren, want Gods verbond is vaster dan de ordeningen van dag en nacht, die zullen tot een einde komen, maar dat is eeuwig.
b. Zeer verlangend zijn dat Hij zal komen. Schildwachten, die de wacht houden op de muren, personen, die waken bij kranten, reizigers, die op weg zijn, verlangen naar het aanbreken van de dag, maar nog vuriger verlangt deze Godvruchtige naar de tekenen van Gods gunst en de bezoekingen van Zijn genade, en nog spoediger zal hij zich bewust worden van Zijn eerste verschijningen, dan zij van het aanbreken van de dag. Dr. Hammond leest het aldus: "Mijn ziel spoedt zich tot de Heere van de wachters in de morgen, de wachters in van de morgen, " en geeft er deze zin aan: "Dagelijks begeef ik mij vroeg in de morgen tot U, mijn gebeden tot U opzendende, mijn ziel voor U uitstortende, ten tijde wanneer de priesters het morgenoffer offeren."
2. Hij moedigt al het volk van God aan om evenzo op Hem te steunen en te vertrouwen: Israël hope op de Heere, en wachte op Hem niet slechts het volk als volk in het algemeen maar ieder Godvruchtige, die "zich toenoemt met de naam Israëls," Jesaja 44:5. Laat allen, die zich aan God wijden, zich goedsmoeds op Hem verlaten, vers 7, 8, en dat wel om twee redenen.
A. Omdat wij bij het licht van de natuur ontdekken dat bij Hem goedertierenheid is, dat de God Israëls een genadig God is, dat Hij de Vader van de barmhartigheden is. Bij Hem is goedertierenheid, zij is niet slechts eigen aan Zijn aard, maar zij is Zijn verlustiging, zij is bij Hem in al Zijn werken, in al Zijn raadsbesluiten.
B. Omdat wij bij het licht des Evangelies ontdekken dat bij Hem verlossing is, verlossing door Hem beraamd, om in de volheid des tijds gewerkt te worden, in den beginne was zij verborgen in God. Zie hier: a. De aard van deze verlossing: het is verlossing van zonde, van alle zonde, en daarom kan zij geen andere zijn dan de eeuwige verlossing, waarvan Jezus Christus de werker is geworden, want Hij is het, die "Zijn volk zaligmaakt van hun zonden," Mattheus 1:21, die "hen verlost van alle ongerechtigheid," Titus 2:14, en "de goddeloosheden afwendt van Jakob," Romeinen 11:26. Hij is het die ons verlost beide van de veroordelende en van de heersende macht van de zonde.
b. De rijkdom van deze verlossing, het is veel verlossing, er is een algenoegzame volheid van verdienste en genade in de Verlosser, genoeg voor allen, genoeg voor ieder, genoeg voor mij, zegt de gelovige. In verlossing van zonde is verlossing begrepen van alle ander kwaad, en daarom is het veel verlossing.
c. De personen aan wie het voordeel van deze verlossing toekomt. Hij zal Israël verlossen, het Israël naar de geest, allen die in verbond zijn met God, zoals Israël het geweest is, en die waarlijk Israëlieten zijn, in wie geen bedrog is.