Psalm 55:17-24
In deze verzen:
I. Volhardt David in zijn besluit om God aan te roepen, wel verzekerd zijnde dat het Hem niet tevergeefs zal zoeken, vers 17. Mij aangaande, laat hen de maatregelen nemen, die het hun behaagt te nemen, om zich te beveiligen laat geweld, wrevel en twist hun wachters zijn, maar mij aangaande, het gebed zal mijn wachter wezen, daar heb ik troost in gevonden, en daarom zal ik daar bij blijven: ik zal tot God roepen, mij aan Hem overgeven, en de Heere zal mij verlossen. "Al wie op de rechte wijze de naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden", Romeinen 10:13. Hij besluit om vurig en dikwijls die plicht te volbrengen.
1. Hij zal vuriglijk bidden, ik zal bidden en luid roepen, vers 18 "ik zal peinzen, dat is de betekenis van het vorige woord. "Ik zal tot mijn eigen hart spreken, en daaruit zal het gebed voortkomen." Wij bidden op de rechte wijze als wij bidden met alles wat binnen in ons is, eerst denken, en dan over onze gedachten bidden, want de ware aard van het gebed is het hart op te heffen tot God. Overdacht hebbende, zal hij roepen, zal hij luid roepen, de vurigheid van zijn geest in het gebed zal uitgedrukt worden, en nog meer opgewekt worden door het dringende van zijn stem.
2. Hij zal dikwijls bidden, alle dagen, en driemaal daags, des morgens, des middags en des avonds. Waarschijnlijk is dit zijn voortdurende gewoonte geweest en hij besluit er bij te blijven nu hij in nood en benauwdheid is gekomen. Wij kunnen als wij in benauwdheid zijn met te meer vrijmoedigheid tot de troon van de genade komen, als wij dan niet pas beginnen te zoeken om met God bekend te worden, maar er de voortdurende gewoonte van hadden en als de benauwdheid de raderen van het gebed in gang vindt. Zij, die drie maaltijden per dag weinig genoeg vinden voor het lichaam, behoren nog veel meer drie plechtige gebeden per dag weinig genoeg te achten voor de ziel, en dit een genoegen, geen opgelegde, verdrietige taak te vinden. Gelijk het voegzaam is om des morgens onze dag te beginnen met God, en des avonds de dag met Hem te eindigen, zo is het ook voegzaam dat wij ons des middags voor een poosje afzonderen om met Hem te spreken. Het was Daniëls gewoonte om drie maal daags te bidden, Daniël 6:11, en de middagure was ook voor Petrus een van zijn uren van gebed, Handelingen 10:9. Laat ons het niet moede worden om dikwijls te bidden, want God is het niet moede om te horen, en Hij zal mijn stem horen, en mij niet laken omdat ik te dikwijls kom, integendeel, hoe vaker hoe beter en hoe meer welkom."
II. Hij houdt er zich van verzekerd dat God te bestemder tijd een antwoord van vrede zal geven op zijn gebeden.
1. Dat hij zelf gered, verlost zal worden, van zijn vrees zal worden ontheven, die vrees, waardoor hij zozeer ontroerd is geweest, vers 5, 6, was nu tot zwijgen gebracht, en hij begint zich te verblijden in hope, vers 19. God heeft mijn ziel in vrede verlost, dat is: Hij zal haar verlossen-David is even zeker van zijn verlossing, alsof zij reeds gewerkt was. Zijn vijanden voerden krijg tegen hem, en de strijd is tegen hem aangebonden, maar God heeft hem in vrede verlost en hem evenveel genot en vertroosting doen smaken, alsof hij nooit in gevaar was geweest. Zo Hij hem niet verloste in overwinning en zegepraal, heeft Hij hem toch verlost in vrede, innerlijke vrede, Hij heeft zijn ziel in vrede verlost, door geduld en heilige blijdschap in God heeft hij zijn ziel kunnen blij van bezitten. Diegenen zijn veilig en gerust, wier hart en zinnen bewaard worden door die "vrede Gods die alle verstand te boven gaat," Filippenzen 4:7. In zijn verschrikking en angst dacht David dat allen tegen hem waren, maar nu ziet hij dat velen voor hem zijn, meer dan hij zich kon voorstellen, zijn invloed bleek groter te zijn dan hij verwachtte en daarvan geeft hij Gode de eer, want Hij is het, die ons vrienden verwekt als wij hen nodig hebben, en hen getrouw aan ons maakt. Er waren velen met hem, want hoewel zijn onderdanen hem verlieten en overliepen naar Absalom, was toch God met hem, en ook de goede engelen. Met het oog van het geloof ziet hij zich nu omringd, zoals Elisa, met vurige paarden en wagens, en daarom juicht hij: Er "zijn meer met mij dan tegen mij," 2 Koningen 6:16, 17.
2. Dat er met zijn vijanden afgerekend zal worden, dat zij tenonder zullen worden gebracht. Zij hadden hem verschrikt met hun dreigementen, vers 4, maar hier zegt hij genoeg om hen te verschrikken, en hen met veel meer oorzaak te doen beven, en daar zal niets tegen te doen zijn, er zal geen verhelpen aan wezen, want zij konden zich niet, zoals David van hun angst ontlasten door geloof in God.
A. David stelt nu hun karakter in het licht en wijst er op als de reden, waarom hij verwachtte dat God hen tenonder zal brengen.
a. Zij zijn goddeloos, hebben geen ontzag voor God, voor Zijn gezag of Zijn toorn. Dewijl bij hem geheel een verandering is, zij hebben geen beproevingen, er is geen onderbreking in de gestadige loop van hun voorspoed, zij hebben geen kruisen om hen van vat tot vat te ontledigen, en daarom vrezen zij God niet vers 20. Zij leven in voortdurende veronachtzaming en minachting van God en Godsdienst dat de oorzaak is van al hun andere slechtheid, en hen ontwijfelbaar tekent voor het verderf.
b. Zij zijn vals en verraderlijk, en willen zich ook door de heiligste en plechtigste verbintenissen niet laten houden, vers 21. "Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met hem hadden, die hem nooit getergd of beledigd hadden, hem geen oorzaak tot twist gegeven hadden, integendeel, hem op alle wijzen hadden aangemoedigd om vriendelijkheid van hem te verwachten. Hij slaat zijn handen aan degenen, aan wie hij zijn hand gegeven had, en heeft zijn verbond ontheiligd, zijn verbond beide met God en de mens, zijn verbintenis jegens beide geschonden," en er is niets, dat de mensen rijper maakt voor het verderf.
c. Zij zijn laag en huichelachtig, wenden vriendschap voor terwijl zij op kwaad bedacht zijn vers 22. "Zijn mond" (waarschijnlijk bedoelt hij inzonderheid Achitofel) is gladder dan boter, zijn woorden zijn zachter dan olie, zo beleefd is hij en zo voorkomend, zo ruim in zijn betuigingen van eerbied en vriendelijkheid en de aanbiedingen van goede diensten, maar terzelfder tijd is zijn hart in strijd, en al zijn beleefdheid was niets dan een krijgslist, en in diezelfde woorden was zo'n boosaardige bedoeling verborgen, dat zij als blote zwaarden zijn, gereed om het hart te doorsteken." Zij lachen iemand toe, terwijl zij hem doden zoals Joab, die kuste en doodde. Satan is zo'n vijand, hij vleit de mensen naar hun verderf, geloof hem niet, als hij vriendelijk tot u spreekt.
B. David voorzegt hier hun verderf. a. God zal hen plagen, zal hen in de engte brengen, hen verschrikken, hun verdrukking vergelden, die Zijn volk hebben benauwd, en dat het wel in antwoord op de gebeden van Zijn volk, God zal horen en zal het vragen, horen het geroep van de verdrukten, en verschrikking spreken tot hun verdrukkers, Hij namelijk, die van ouds zit, die van eeuwigheid aan God is, en die van het begin des tijds zit als Rechter, en altijd de zaken van de kinderen van de mensen heeft bestuurd. Sterflijke mensen, hoe hoog zij ook zijn en hoe sterk, zullen gemakkelijk door de eeuwige God worden verpletterd, en zijn geheel niet tegen Hem bestand. Daarmee hebben de heiligen zich vertroost in betrekking tot de dreigende macht van de vijanden van de kerk "Zijt Gij niet van ouds al de Heere?" Habakuk 1:12
b. God zal hen niet alleen neerwerpen in het stof, maar hen doen neerdalen in van de put des verderfs, vers 24, in de bodemloze afgrond des verderfs. Zie ook Job 26:6. Hij plaagde hen, vers 20, om te zien of dat hen zou verootmoedigen en verbeteren, maar daar dit geen uitwerking op hen had, zal Hij hen eindelijk ten verderve brengen. Zij, die niet verbeterd worden door de roede van de beproeving, zullen gewis in de put des verderfs gebracht worden. Zij zijn mannen des bloeds en zijn de slechtsten van de mensen, en daarom zullen zij hun dagen niet ter helfte brengen, niet half zo lang leven als de mensen gewoonlijk leven, en als zij in de loop van de natuur geleefd zouden kunnen hebben, en als zijzelf verwachtten te zullen leven. Zij zullen zo lang leven als de Heere des levens, de rechtvaardige Rechter, bepaald heeft, bij wie het getal onzer maanden is, maar Hij heeft besloten hen door een ontijdige dood af te snijden in het midden hunner dagen. Zij waren nuancen des bloeds, en hebben aan anderen het leven afgesneden, en daarom zal God rechtvaardiglijk hen afsnijden, zij waren mannen des bedrogs, en hebben anderen tekort gedaan, misschien wel voor de helft van hetgeen hun toekwam, en nu zal God hun ontnemen, wel niet hetgeen hun toekwam, meer toch hetgeen waarop zij hadden gerekend.
III. Hij moedigt zichzelf en alle Godvruchtigen aan om zich met vertrouwen aan God over te geven. Hij zelf neemt het besluit om dit te doen, vers 24. "ik zal op U vertrouwen, op Uw voorzienigheid en macht en genade, en niet op mijn eigen wijsheid, kracht of verdienste. Als mannen des bloeds en bedrogs afgesneden worden in het midden van hun dagen, dan zal ik nog leven door geloof in U." En hij wil dat ook anderen dit doen, vers 23, Werp uw last op de Heere wie gij ook zijn moogt, die belast zijt, en waarin uw last ook moge bestaan. Werp uw gave op de Heere, zo lezen het sommigen. "Welke zegeningen God u ook geschonken heeft om te genieten, geef ze allen over in Zijn hoede, en inzonderheid stel uw ziel onder Zijn bewaring en hoede " Of, "Wat het ook zij, dat gij van God begeert, laat het aan Hem over om het u op Zijn eigen wijze en tijd te geven." "Werp uw zorg op de Heere," zo is het bij de LXX waarnaar de apostel verwijst, 1 Petrus 5:7. Zorg is een last, die het hart des mensen nederbuigt, Spreuken 12:25. Wij moeten haar op de Heere werpen door geloof en gebed, onze weg en onze werken Hem bevelen, laat Hem doen wat goed is in Zijn ogen, en wij zullen voldaan wezen. Onze last op God te werpen is te steunen op Zijn voorzienigheid en belofte, en zeer gerust en kalm te wezen in de zekerheid dat alle dingen zullen medewerken ons ten goede. Als wij dit doen, dan is er beloofd:
1. Dat Hij ons zal onderhouden, voorzien zal in onze noden, zelf ons dragen zal in de armen van Zijn macht, zoals de voedster de zuigeling draagt, onze geest zal versterken door Zijn Geest, zodat Hij ons ondersteunt in onze zwakheid. Hij heeft niet beloofd ons dadelijk te verlossen uit de benauwdheid, die onze zorgen doet ontstaan en onze angsten, maar Hij zal er in voorzien, dat wij niet verzocht worden boven hetgeen wij vermogen, en dat wij zullen vermogen naar wij verzocht worden.
2. Dat Hij niet zal toelaten dat de rechtvaardigen wankelen, zó geschud zullen worden door enigerlei benauwdheid of ramp, dat zij van hun plicht jegens God afgaan, of hun vertroosting in Hem verliezen. Hij zal, in elk geval, niet toelaten, dat zij wankelen in eeuwigheid (zoals sommigen het lezen), al is het ook dat zij vallen, zij worden toch niet weggeworpen.