Psalm 49:7-15
In deze verzen hebben wij:
Een beschrijving van de geest en de wijze van doen van wereldsgezinde lieden wier deel is in dit leven, Psalm 17:14. Er wordt verondersteld dat zij rijkdom hebben, veelheid des rijkdoms, vers 7, huizen en akkers, die zij geërfd hebben, en die zij de hunne noemen vers 12 God geeft dikwijls een grote overvloed van de goede dingen van deze wereld aan slechte mensen, die leven in minachting van Hem en in opstand tegen Hem, waaruit blijkt dat zij in zichzelf niet de beste dingen zijn want dan zou God de meeste ervan aan Zijn beste vrienden geven, en dat zij niet de beste dingen zijn voor ons, want dan zouden zit er niet zoveel van hebben, die getekend zijnde voor het verderf, er rijp voor gemaakt moeten worden door hun voorspoed, Spreuken 1:32 Een mens kan overvloed hebben van de rijkdom van deze wereld en er beter door gemaakt worden; zijn hart er door verruimd krijgen in liefde en dankbaarheid en gehoorzaamheid, en er het goed mee doen, dat overvloedige vrucht zal zijn tot zijn rekening, en daarom is het niet het hebben van rijkdom, dat de mensen tot wereldlingen stempelt, maar wel hun zetten van hun hart er op alsof het de beste dingen waren; en aldus worden deze wereldsgezinde lieden hier beschreven:
1. Zij vertrouwen op hun rijkdom; zij vertrouwen op hun goed, vers 7, zij steunen erop als op hun deel, hun geluk, en verwachten dat het hen beveiligen zal tegen alle kwaad, en hen voorzien zal van alle goed, en dat zij niets anders nodig hebben, ja God zelf niet nodig hebben. Hun goud is hun hoop, Job 31:24 en aldus wordt het hun god. Aldus verklaart onze Heiland dat het moeilijk is voor rijken om zalig te worden, Markus 10:24 "Hoe zwaar is het dat degenen, die op het goed hun vertrouwen hebben, in het koninkrijk Gods ingaan!" Zie 1 Timotheus 6:17
2. Zij verhovaardigen zich op hun rijkdom. Zij roemen op de veelheid van hun rijkdom, alsof die het stellige teken was van Gods gunst, en het onmiskenbaar bewijs van hun eigen verstand en hun vlijt. Mijn kracht en de sterkte van mijn hand heeft mij dit vermogen verkregen, alsof die rijkdom hen waarlijk groot en gelukkig maakte en meer voortreffelijk dan hun naburen. Zij roemen dat zij alles hebben wat zij wilden hebben, Psalm 10:-3, en de gehele wereld kunnen trotseren ik zal koning zijn in eeuwigheid; daarom noemen zij de landen naar hun namen, in de hoop van hierdoor hun gedachtenis te vereeuwigen, en indien de landen ook werkelijk de namen behouden, waarnaar zij ze noemen, dan is het toch nog een armoedige eer; maar die veranderen dikwijls van namen als zij andere eigenaars krijgen.
3. Zij vleien zich met de hoop dat hun wereldlijke bezittingen hun bestendigd zullen worden, vers 12 Hun binnenste gedachte is dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, en die gedachte behaagt hen. Zijn niet alle gedachten inwendig; in het binnenste? ja, maar het geeft te kennen:
a. Dat deze gedachte diep ingeworteld is in hun gemoed, zorgvuldig weggelegd is in hun hart. Een godvruchtig man heeft gedachten van de wereld, maar het zijn zijn uitwendige gedachten; zijn inwendige gedachte is voor God en de hemelse dingen. Maar een wereldsgezind man heeft slechts enkele vluchtige gedachten aan de dingen Gods, terwijl zijn blijvende, innerlijke gedachte de wereld betreft; deze ligt hem het naast aan het hart en is er op de troon. b. Dat zij daar zorgvuldig is verborgen, zij schamen zich om te zeggen dat hun huizen tot in eeuwigheid zullen zijn, maar inwendig denken zij het. Als zij er zich niet van kunnen overtuigen dat zij het tot in eeuwigheid zullen zijn, zijn zij toch dwaas genoeg om te denken dat hun zielen het zullen zijn en hun woningen. Maar gesteld eens dat zij het zullen, welk goed zal het hun dan doen, als zij niet meer de hunne zijn? Maar zij zullen het niet, want de wereld gaat voorbij en de gedaante ervan; alle dingen worden door de tand des tijds verteerd.
I. Een bewijs van hun dwaasheid hierin. In het algemeen, vers 14 :Deze hen weg is een dwaasheid van hen. De weg van de wereldsgezindheid is een zeer dwaze weg; zij, die hun schat op de aarde hebben hun hart stellen op de dingen hier beneden handelen in tegenspraak met gezond verstand en met hun waar belang. God zelf noemde hem een dwaas, die dacht dat zijn goederen opgelegd waren voor vele jaren en dat zij een erfdeel zouden zijn voor zijn ziel, Lukas 12:19, 20. En toch hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden, zij stemmen in met hun gevoelen; spreken zoals zij spraken; doen zoals zij deden, en treden dus in de voetstappen van hun wereldsgezindheid. De liefde tot de wereld is een ziekte die in het bloed zit, de mensen erven haar over en zo is zij niet uit te roeien, totdat de genade Gods hen er van geneest.
Om de dwaasheid van vleselijkgezinde wereldlingen te bewijzen, toont hij aan:
1. Dat zij met al hun rijkdom het leven van de dierbaarste vriend, die zij hebben in de wereld, niet kunnen redden, geen uitstel voor hem kunnen kopen, als hij opgeëist wordt door de dood, vers 8-10. Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; zijn broederwereldling, die hem tegen waarborg zou geven uit zijn eigen bezitting, indien hij slechts borg voor hem zou willen blijven en zeer gaarne zou hij het willen, in de hoop dat zijn vriend hem op een ander maal dezelfde dienst zou bewijzen. Maar hun woord voor elkaar zal niet worden aangenomen, en ook zal de bezitting van de een mens het rantsoen niet kunnen zijn voor het leven van een andere mens. God stelt haar niet op prijs, zij heeft voor Hem generlei waarde, en de wezenlijke waarde van de dingen is meer, zijn bij Hem zijn aangeschreven. Zijn gerechtigheid zal haar niet aannemen als evenwaardige vergoeding. De Heer van het leven onzes broeders is de Heer van onze bezitting, en kan beide nemen, als Hem dit behaagt, zonder moeilijkheid voor zichzelf of onrecht jegens ons; en daarom kan de een geen rantsoen zijn voor de ander. Wij kunnen de dood niet omkopen om onze broeder nog te laten leven, en nog veel minder om hem voor eeuwig in deze wereld te laten leven, wij kunnen het graf niet omkopen om hem geen verderf te laten zien; want wij moeten sterven en weerkeren tot het stof, wij hebben geen verweer in deze strijd. Hoe dwaas is het te vertrouwen op, te roemen in, hetgeen ons niet in staat stelt om ook maar voor een enkel uur uitstel te verkrijgen van de voltrekking van het vonnis des doods aan een ouder, een kind, of een vriend, die ons dierbaar is als onze eigen ziel! Het is voorzeker waar, dat de verlossing van hun ziel te kostelijk is en in eeuwigheid zal ophouden; het leven kan, als het heengaat, niet teruggehouden worden, en als het heengegaan is, kan het niet worden teruggeroepen door enigerlei menselijke kunst of wereldlijke prijs. Maar dit ziet verder naar de eeuwige verlossing, die door de Messias, op wie de Oud- Testamentische heiligen het oog hadden als de Verlosser, gewerkt zou worden. De onsterfelijkheid is een juweel van te grote waarde om door de schatten van deze wereld gekocht te kunnen worden. Wij zijn "niet verlost door vergankelijke dingen, zilver of goud," 1 Petrus 1:18. De geleerde Dr. Hammond past het 9de en 10de vers uitdrukkelijk toe op Christus. "De verlossing van de ziel zal kostelijk zijn, zij zal op hoge prijs gesteld worden, zij zal duur betaald worden, maar eenmaal gewrocht zijnde, zal zij in eeuwigheid ophouden, zij zal nooit herhaald behoeven te worden. Hebreeën 9:25, 26; 10:12. En Hij, de Verlosser, zal ook voortaan gedurig leven en de verderving niet zien; Hij zal van de doden opstaan eer Hij de verderving ziet, en dan zal Hij leven tot in eeuwigheid, Openbaring 1:18 Christus heeft voor ons gedaan wat al de schatten van de wereld niet voor ons doen konden wel mag Hij ons dus dierbaarder zijn dan alle werelds goed. Christus heeft voor ons gedaan wat geen broeder, geen vriend voor ons doen kon, neen, zelfs niet een die de grootste bezitting of de meesten invloed had, en daarom zijn zij, die vader of broeder boven Hem liefhebben is mij niet waardig. Dit toont ook de dwaasheid aan van wereldsgezinde mensen, die hun ziel verkopen voor hetgeen, waarmee zij haar nooit zouden kunnen knopen.
2. Dat zij met al hun rijkdom zich niet tegen de pijl des doods kunnen beveiligen. De wereldling ziet, en het ergert hem om het te zien, dat de mensen sterven, een dwaas en een onvernuftige omkomen, vers 11. Daarom kan hij niets anders verwachten dan dat het eindelijk eens ook zijn beurt worden zal, hij kan nergens een aanmoediging in vinden om te hopen dat hij tot in eeuwigheid zal blijven, en daarom vertroost hij zich dwaselijk hiermede, dat, hoewel hijzelf niet in eeuwigheid zal zijn, zijn huis het zal wezen. Sommige rijke lieden zijn wijs, zij zijn staatkundig, maar zij kunnen de dood niet verschalken, noch kunnen zij met al hun verstand en behendigheid de slag des doods afweren. Anderen zijn dwaas en onvernuftig. Fortuna favet fatuis, de fortuin begunstigt de dwazen. Hoewel deze geen goed doen, doen zij misschien geen groot kwaad in de wereld, maar dat zal hen toch niet vrijstellen, zij zullen omkomen, door de dood worden weggenomen even goed als de wijzen, die met hun list kwaad hebben gedaan. Of, door de wijzen en dwazen kunnen wij de Godvruchtigen en goddelozen verstaan; de Godvruchtigen sterven, en hun dood is hun verlossing; de goddelozen komen om, hun dood is hun verderf, maar zij laten hun rijkdom na aan anderen.
a. Zij kunnen er niet mee blijven leven, en hij zal niet bij machte zijn hun een uitstel te bezorgen. Het is een beuzelachtige pleitgrond (hoewel hij eenmaal doel getroffen heeft): "Dood ons niet, want wij hebben verborgen schatten in het veld," Jeremia 41:8
b. Zij kunnen hem niet medenemen, maar moeten hem achterlaten.
c. Zij kunnen niet voorzien wie er bezit of genot van zal hebben, als zij hem verlaten hebben; zij moeten heen aan anderen overlaten, maar aan wie weten zij niet, misschien welaan een dwaas, Prediker 2:19, of aan een vijand.
En gelijk van de mensen rijkdom hen van geen dienst zal wezen in de stervensuur, zo zal ook hun eer of aanzien hun dan van generlei nut wezen. De mens nochtans, die in waarde is blijft niet, vers 13. Wij willen eens veronderstellen dat iemand tot de hoogste trap van eer of bevordering is gekomen, dat hij zo groot en gelukkig is als de wereld hem maken kan, een man in glans en pracht, een man in zijn beste toestand, omringd en gesteund door al de voordelen, die hij begeren kan; maar hij blijft niet, zijn eer blijft niet, zij is een voorbijgaande schaduw. Hij blijft de nacht niet over deze wereld is een herberg, waarin zijn verblijf zo kort is, dat hij nauwelijks kan zeggen er een nachtverblijf in te hebben; zo weinig rust is er in deze dingen, hij is gelijk als de beesten, die vergaan; hij moet even gewis sterven als de beesten, en zijn dood zal evenzeer het einde zijn van zijn staat in deze wereld als hun dood het einde is van hun staat; zijn dood lichaam zal evenals het hun tot verrotting overgaan; en, gelijk Dr.Hammond opmerkt, de grootste eer en rijkdom, die onrechtmatig verkregen werden door een vader, gaan niet altijd over op iemand van zijn nageslacht (gelijk de beesten, als zij sterven, aan hun jongen niets nalaten dan de wijde wereld, om er in te weiden,) maar komen terstond in andere handen voor wie hij ze nooit bedoeld heeft bijeen te brengen.
3. Dat hun toestand aan de andere kant van de dood zeer ellendig, zeer rampzalig zijn zal. De wereld, waarop zij verzot zijn, zal niet alleen hen niet redden van de dood, maar hen zoveel dieper in de hel doen verzinken, vers 15; men zet hen als schapen in het graf. Hun voorspoed heeft hen gevoed als schapen voor de slachtbank, Hosea 4:16, en dan komt de dood en sluit hen op in het graf, zoals vette schapen in een schaapskooi, "om uitgevoerd te worden ten dage des toorns," Job 21:30 Ganse scharen van hen worden als kudden schapen die aan een ziekte zijn gestorven, in het graf geworpen, en daar zal de dood op hen azen, de tweede dood, "de worm, die niet sterft," Job 24:20 Hun eigen schuldig geweten zal hen voortdurend kwellen met: "Kind gedenk" Lukas 16:25 De dood juicht en triomfeert over hen, gelijk dit voorgesteld wordt in de val van Babylon, waarover "het dodenrijk beneden in beroering is," Jesaja 14:9 en verder. Terwijl een heilige de trotse dood kan vragen: Waar is uw prikkel? zal de dood de trotse zondaar vragen: Waar is uw rijkdom, uw pracht? en hoe meer hij ver gemaakt was door voorspoed, met des te meer genot zal de dood hem afweiden. En in de morgen van de opstanding, wanneer allen, die in het stof slapen, zullen ontwaken, Daniël 12:2, "zullen de oprechten over hen heersen", zullen deze niet alleen bevorderd worden tot de hoogste waardigheid en eer wanneer zij vervuld zullen worden van eeuwige schande en verachting, verhoogd worden in de hoogste hemelen, wanneer zij in de diepste hel zullen neerzinken, maar zij zullen bijzitters zijn van Christus als het vonnis over hen geveld wordt, en zij zullen de gerechtigheid Gods loven in hun verderf. Toen de rijke man in de hel smeekte dat Lazarus hem een druppel water mocht brengen om zijn tong te verkoelen erkende hij dat deze oprechte heerschappij over hem had, zoals ook de dwaze maagden de heerschappij erkenden van de wijze maagden en dat zij zich in haar macht beroemden, toen zij haar vroegen: Geeft ons van uw olie. Laat dit ons vertroosten met betrekking tot de verdrukkingen, waaronder de oprechten thans dikwijls zuchten, en de heerschappij, die de goddelozen over hen hebben. De dag komt, wanneer de zaken een geheel andere wending zullen nemen, Esther 9:1, en dan zullen de oprechten heersen. Laat ons thans oordelen over de dingen, zoals zij op die dag zullen zijn. Maar wat zal er worden van al de schoonheid van de goddelozen? Helaas, die zal in het graf verslijten; alles waar zij zich op lieten voorstaan, en waarvoor anderen hen gevleid en bewonderd hebben was toevallig, bijkomend geleend, het was vernis en verguldsel, en nu zullen zij opstaan in hun eigen mismaaktheid. De schoonheid van de heiligheid is hetgeen het graf, dat alle andere schoonheid verteert, niet kan aanraken of bederven. Hun schoonheid zal verteerd worden, het graf, of de hel een woning zijnde voor een ieder van hun, en welke schoonheid kan er wezen waar niets is dan de zwartheid van de duisternis tot in eeuwigheid?