Esther 9:1-19
Wij hebben hier een beslissende slag, geleverd tussen de Joden en hun vijanden waarin de Joden overwinnaars zijn gebleven. Geen van beide partijen werd door de andere verrast of overvallen, want beide hadden er lang genoeg tevoren kennis van, dat die slag geleverd moest worden, zodat het een eerlijke proeve van macht en bekwaamheid tussen hen was. Geen van beide kon ook de andere van muiterij. betichten, want beide werden door het koninklijk gezag gesteund.
I. De vijanden van de Joden waren de aanvallers. In weerwil van het tweede edict hoopten zij over hen te heersen krachtens het eerste edict, vers 1, en dienovereenkomstig vielen zij hen aan. Zij verenigden zich tot corpsen en traden in verbond met elkaar tegen hen om hun verderf te zoeken, vers 2. De Chaldeeuwse paraphrase zegt dat niemand tegen de Joden optrad dan alleen de Amalekieten, die verdwaasd en verblind waren, wier hart, evenals dat van Farao, verhard was tegen Israël, en die aldus tot hun eigen verderf de wapens hebben opgevat.
Sommigen hadden zo'n ingekankerde boosaardigheid tegen de Joden, dat Hamans val en Mordechai's verhoging, inplaats van hen tot inkeer en berouw te brengen, hen slechts des te meer verbitterde en hen nog meer verwoed maakten en vast besloten hen om het leven te brengen. De zonen van Haman inzonderheid hebben de gelofte gedaan om de dood van hun vader te wreken en zijn plannen tot uitvoering te doen komen, die zij edel en kloekmoedig noemden, welk gevaar zij daarbij ook zouden lopen, en daartoe hadden zij beide in Susan en in de provincies een sterke partij gevormd. Strijden wilden zij, hoewel zij duidelijk zagen dat Gods voorzienigheid tegen hen streed en zo werden zij dan verdwaasd tot hun verderf. Indien zij stil hadden willen zitten, en niets tegen het volk van God hadden ondernomen, geen haar van hun hoofd zou gedeerd zijn, maar daartoe kunnen zij zich niet bewegen, zij moeten strijden, al zal dit ook op hun verderf uitlopen, en een lastige steen rollen, die op henzelf vallen en hen verpletteren zal.
II. Maar de Joden waren de overwinnaars. Dezelfde dag, waarop het decreet van de koning ten uitvoer zou worden gebracht, en die de vijanden dachten hun dag te zullen zien, bleek Gods dag te wezen, Psalm 37:13. "Het is omgekeerd," het tegenovergestelde kwam van hetgeen verwacht werd, en "de Joden heersten zelf over hun" "haters," vers 1. Er wordt ons hier gezegd:
1. Wat de Joden voor zichzelf hebben gedaan, vers 2. Zij vergaderden zich in hun steden, verenigden zich tot een lichaam, namen een verdedigende houding aan, deden niemand geweld aan, maar trotseerden allen. Indien zij geen edict hadden gehad, dat hen hiertoe machtigde, zij zouden dit niet hebben durven doen, maar aldus gemachtigd zijnde, hebben zij wettig gestreden. Indien zij afzonderlijk hadden gehandeld, iedere familie of gezin voor zich, dan zouden zij een gemakkelijke prooi zijn geweest voor hun vijanden, maar gemeenschappelijk optredende en zich bijeen vergaderende in hun steden, versterkten zij elkaar en durfden zij hun vijanden het hoofd bieden. Vis unita fortior-Verenigde krachten zijn het sterkst. Zij, die van de staat van de Joden van onze tijd schrijven, geven als reden op waarom zij, hoewel zij in vele plaatsen zeer talrijk en rijk zijn toch zo weinig in tel zijn, dat zij over het algemeen zó zelfzuchtig zijn dat zij zich niet tot een lichaam kunnen verenigen, daar zij ook werkelijk onder de vloek van de verstrooiing liggen, is het hun ook niet mogelijk zich te verenigen, noch zich (zoals hier) bijeen te vergaderen, want, indien zij dit wèl konden, dan zouden zij door hun groot aantal en hun rijkdom een bedreiging wezen voor de machtigste staten. 2. Wat de bestuurders van de provincies onder de invloed van Mordechai voor hen deden. Al de beambten van de koning, aan wie door het bloedig edict bevolen was mee te werken om hen uit te roeien, Hoofdst. 3:12, 13, hielden zich nu aan het laatste edict, dat hun de vrijheid liet om aan datgene van beide te gehoorzamen, dat hun geviel, hielpen de Joden, vers 3, waardoor de schaal naar hun zijde oversloeg. De provincies handelden gewoonlijk naardat de bestuurders van de provincies hen neigden zodat hun begunstiging van de Joden er grotelijks toe bijdroeg om hen te doen zegevieren. Maar waarom hielpen zij hen? Niet omdat zij enigerlei genegenheid voor hen koesterden, maar omdat de vrees van Mordechai op hen was gevallen, daar hij blijkbaar beide door God en de koning gesteund en geholpen werd. Zij allen zagen dat het in hun belang was Mordechai's vrienden te helpen, niet alleen omdat hij groot was in het huis van de koning en geliefkoosd werd door de hovelingen (zoals er velen zijn, wier roem door geen innerlijke waardigheid gesteund wordt) maar omdat zijn roem wegens wijsheid en deugd vandaar door alle provincies van het rijk was verbreid, overal sprak men van hem als van een groot man, hij werd ook beschouwd als een voorspoedig man, en één die gaandeweg groter werd, vers 4, en daarom hebben uit vrees voor hem al de beambten van de koning de Joden geholpen. Grote mannen kunnen door hun invloed zeer veel goed doen, velen, die God niet vrezen, zullen ontzag hebben voor hen.
3. Wat God voor hen gedaan heeft. Hij heeft hun schrik op al die volkeren doen vallen vers 2, zoals de verschrikking van Israël op de Kanaänieten is gevallen, Jozua 2:9, 5:1, zodat zij, hoewel zij stoutmoedigheid genoeg hadden om hen aan te vallen, toch geen moed genoeg hadden om de aanval voort te zetten. Toen zij de strijd zouden beginnen, ontzonk hun de moed, en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.
4. Welk een slachting zij toen onder hen hebben aangericht. Niemand bestond voor hen vers 2. Zij deden met hun haters naar hun welbehagen, vers 5. Zo verwonderlijk waren de Joden bekrachtigd en bezield en hun vijanden verzwakt en ontmoedigd, dat niemand van hen die zichzelf getekend hadden voor het verderf, ontkwam, zij sloegen op al hun vijanden met de slag van het zwaard. In het bijzonder:
A. Op de dertienden dag van de maand Adar sloegen zij in de stad Susan vijfhonderd mannen, vers 6, en de tien zonen van Haman, vers 10. Als de Joden op het Purimfeest dit boek Esther lezen, dan houden zij zich verplicht om de namen van de tien zonen van Haman allen in een adem te lezen, zonder tusschenpoos, omdat, zeggen zij, allen tezamen gedood werden allen op hetzelfde ogenblik de geest gaven. Buxt. Synag Jud.c.24. De Chaldeeuwse paraphrase zegt dat, toen deze tien gedood werden, Zeres met zeventig anderen van zijn kinderen ontkomen is, en dat deze later van huis tot huis om brood gebedeld hebben.
B. Op de veertienden dag hebben zij in Susan nog driehonderd mannen gedood, die op de vorige dag aan de slachting waren ontkomen, vers 15. Hiertoe verkreeg Esther verlof voor hen van de koning, ter meerdere verschrikking van hun vijanden en ter algehele verplettering van deze boosaardige partij. De koning had berichten ingewonnen omtrent het aantal van de verslagenen op de eerste dag, vers 11, en gaf er Esther kennis van, vers 12, haar vragende wat zij nog meer verlangde. "Niets anders", zegt zij, "dan verlof om nog zo'n dag werk te mogen doen". Esther behoorde gewis niet tot de bloeddorstigen, niet tot hen, die zich verlustigen in moord en doodslag, maar zij had enige zeer goede en geldige redenen, die haar bewogen om dit verzoek te doen. Zij verlangde ook dat de dode lichamen van de tien zonen van Haman aan de galg gehangen zouden. worden, waaraan hun vader gehangen was, tot groter smaad en schande van dat geslacht, en ter verschrikking van de partij vers 13, en dienovereenkomstig is het geschied, vers 14. Men veronderstelt dat zij in ketenen werden gehangen, en enige tijd aan de galg werden gelaten.
C. De Joden op het land hielden zich aan hun orders en versloegen van hun vijanden niet meer dan op de dertienden dag verslagen werden, welke allen tezamen in al de provincies vijf en zeventig duizend bedroegen, vers 16. Indien dit allen Amalekieten waren (zoals de Joden zeggen), dan voorzeker was de gedachtenis van Amalek nu geheel uitgedelgd, Exodus 17:14. Maar wat hen erin. rechtvaardigde, dat zij zovelen hebben ter dood gebracht, was dat zij het zuiver en allen ter zelfverdediging hebben gedaan, uit rechtvaardig noodzakelijk zelfbehoud. Zij stonden voor hun leven, daartoe gemachtigd door de wet van het zelfbehoud zowel als door het edict van de koning.
D. Er wordt nota van genomen, dat zij hun handen niet sloegen aan de roof, vers 10, 15-16. Het verlof van de koning had hen gemachtigd de buit van hun vijanden te roven, Hoofdst. 8:11 en zij hadden nu wel een goede gelegenheid om er zich mee te verrijken. Indien Hamans partij de overhand had behouden, zij zouden ongetwijfeld wel gebruik hebben gemaakt van hun machtiging om hun buit te roven, Hoofdst. 3:13. Maar de Joden wilden dit niet doen aan hen:
a. Opdat zij ter ere van hun Godsdienst blijk zouden geven van een heilige, edelmoedige minachting van wereldse rijkdom, in navolging van hun vader Abraham, die het versmaadde om zich met de buit van Sodom te verrijken.
b. Om te doen blijken dat zij niets anders dan zelfbehoud op het oog hadden, hun invloed aan het hof gebruikten ter redding van hun leven, niet om hun bezittingen te vermeerderen.
c. Hun verlof machtigde hen om het geslacht van hun vijanden te verdelgen, zelfs de kleine kinderen en de vrouwen Hoofdst. 8:11. Maar hun menselijk gevoel liet hun dit niet toe, hoewel het de bedoeling was geweest aldus aan hen te doen. Zij hebben niemand gedood dan hen, die zij met de wapens in de hand vonden, en daarom hebben zij ook de buit niet geroofd, maar lieten die voor de vrouwen en kleine kinderen, die zij hadden gespaard, om er hun levensonderhoud van te hebben, want anders zou het evengoed zijn geweest hen terstond te doden als hen te laten verhongeren, hun het leven te benemen als hun het levensonderhoud te ontnemen. Hierin hebben zij met een welwillendheid en mededogen gehandeld, wel waardig om nagevolgd te worden.
5. Welk een blijdschap zij smaakten in hun verlossing. De Joden op het land ontdeden zich van hun vijanden op de dertiende dag van de maand, en rustten op de veertiende dag, vers 17, en maakten hem tot een dag van de dankzegging, vers 19. De Joden te Susan, de koninklijke stad, gebruikten twee dagen voor de militaire strafvoltrekking, zodat zij rustten op de vijftiende dag, en die dag tot een dag van dankzegging maakten, vers 18. Beiden vierden hun feest op de eigen dag, nadat zij hun werk volbracht hadden en hun doel hadden bereikt. Als wij bijzondere zegeningen van God hebben verkregen, dan behoren wij er snel en vaardig dankzegging voor te doen terwijl de zegen en de weldadigheid ons nog vers in het geheugen liggen, en wij nog het sterkst onder de indruk ervan zijn.