Job 31:24-32
Wij hebben in deze verzen nog vier artikelen van Jobs betuiging, die, evenals al de overige, ons niet slechts zeggen wat hij was en deed, maar ons leren wat wij behoren te zijn en te doen.
I. Hij betuigt dat hij nooit zijn hart gezet heeft op de schatten van deze wereld, noch ze genomen heeft tot zijn erfdeel en geluk. Hij had goud, hij had fijn goud, zijn vermogen was groot, hij had zeer veel verkregen. Onze rijkdom is of voordelig, of verderflijk voor ons, al naardat wij er voor gezind zijn. Als wij er onze rust van maken en onze heerser dan zal hij ons ten verderve zijn, indien wij hem tot onze dienstknecht maken en tot een wapen van de gerechtigheid, dan zal hij een zegen voor ons wezen. Job zegt ons hier hoe zijn gezindheid was ten opzichte van zijn wereldlijke rijkdom.
1. Hij stelde er geen groot vertrouwen op, hij heeft het goud niet tot zijn hoop gezet, vers 24. Die dit doen zijn zeer onverstandig, en het zijn vijanden van zichzelf, die er op steunen om hen gelukkig te maken, die wanen veilig en achtbaar te zijn zo zij slechts overvloed hebben van het goed van deze wereld. Sommigen zetten het tot hun hoop voor een andere wereld, alsof het een stellig teken was van Gods gunst, en zij, die verstand genoeg hebben om dit niet te denken, vleien zich toch dat het hun een deel zal wezen in dit leven, terwijl die dingen zelf toch zeer onzeker zijn en onze voldoening er in nog veel meer onzeker is. Het is moeilijk rijkdom te hebben en er niet op te vertrouwen, en dat is het wat het voor een rijke zo bezwaarlijk maakt om in het koninkrijk van de hemelen in te gaan, Mattheus 19:23, Markus 10:24.
2. Hij had er geen grote voldoening of vreugde in, vers 25, zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en geroemd heb dat mijn hand geweldig veel verkregen heeft. Hij was niet hoogmoedig op zijn rijkdom, alsof hij iets aan zijn wezenlijke voortreffelijkheid toevoegde, en hij heeft ook niet gedacht dat "zijn kracht en de sterkte van zijn hand hem dit vermogen verkregen heeft," Deuteronomium 8:17. In vergelijking met de geestelijke dingen, waarin zijn ziel zich verlustigde, vond hij er geen behagen in. Zijn blijdschap eindigde niet in de gave, maar ging door de gave heen tot de Gever. In het midden van zijn overvloed heeft hij nooit gezegd: Ziel, neem rust in deze dingen, eet, drink en wees vrolijk, noch heeft hij zichzelf in zijn rijkdom gezegend. Hij heeft zich niet bovenmate verheugd in zijn rijkdom, en dat hielp hem om het verlies ervan met zoveel geduld te dragen als hij het gedragen heeft. Het middel om te wenen als niet wenende, is blijde te zijn als niet blijde zijnde. Hoe minder aangenaam het genot is, hoe minder smartelijk de teleurstelling zal wezen.
II. Hij betuigt nooit de aanbidding en de eer toegebracht te hebben aan het schepsel, die alleen aan God toekomen, hij heeft zich nooit schuldig gemaakt aan afgoderij, vers 26-28. Wij bevinden niet dat Jobs vrienden hem dit ten laste hebben gelegd. Maar het schijnt dat er in die tijd zodanigen geweest zijn, die dom en dwaas genoeg waren om de zon en de maan te aanbidden, anders zou Job er geen melding van gemaakt hebben. Afgoderij is een van de oude paden, die goddeloze mensen hebben betreden, en de oudste afgoderij was de aanbidding van zon en maan, waartoe de verzoeking het sterkst was, zoals blijkt uit Deuteronomium 4:19, waar Mozes spreekt van het gevaar, waarin het volk was om tot die aanbidding bewogen te worden. Maar totnutoe geschiedde dit nog slechts in het geheim, durfde men dit niet in het openbaar en voor aller ogen doen, zoals later de gruwelijkste afgoderij in het openbaar gepleegd werd. Merk op:
1. Hoe ver Job zich hield van deze zonde.
a. Niet alleen heeft hij nooit de knie voor Baal gebogen, (sommigen denken dat men met Baäl de zon voorstelde), is hij nooit nedergevallen om de zon te aanbidden, maar hij hield zijn oog, zijn hart en zijn lippen rein van deze zonde. Nooit heeft hij de zon of de maan in haar pracht en luister met een andere bewondering ervan aangezien, dan die hem er toe leidde om al de eer van haar glans en haar nuttigheid aan haar Schepper toe te brengen. Tegen geestelijk, zowel als tegen lichamelijk overspel heeft hij een verbond gemaakt met zijn ogen, en dit was zijn verbond: dat telkenmale als hij de hemellichten aanschouwde, hij in het geloof, door hen heen, en over hen heen, zou opzien tot de Vader van de lichten.
b. Dat hij zijn hart zou behoeden boven al dat te bewaren is, opdat hij niet in het geheim verlokt zou worden om te denken dat er een Goddelijke heerlijkheid is in haar schittering en glans, of een Goddelijke kracht in haar invloed, en dat er dus Goddelijke eer aan bewezen moet worden. Hier is de bron van de afgoderij, zij begint in het hart. Evenals tot andere zonden wordt een ieder daartoe verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.
c. Hij heeft aan deze voorgewende godheden niet eens enigerlei beleefdheid bewezen geen de minste of geringste daad van aanbidding verricht. Zijn mond heeft zijn hand niet gekust, hetgeen waarschijnlijk een ceremonie was, toen algemeen in gebruik zelfs bij sommigen, die voor geen afgodendienaars gehouden wilden worden. Het is onder ons van oude tijden af een burgerlijke beleefdheidsbetoning geweest om als wij een buiging maken de hand te kussen, een vorm, die in oude tijden schijnt gebruikt te zijn om Goddelijke eer te bewijzen aan de zon en de maan, zij konden ze niet bereiken om ze te kussen, zoals "de mensen, die offerden, de kalveren kusten," Hosea 13:2, 1 Koningen 19:18, . K maar om hun goede wil te tonen, kusten zij hun hand, aan diegenen eerbied betuigende als hun meesters, die door God tot dienaren waren gemaakt van deze lagere wereld, om ons bij te lichten, Job heeft dit nooit gedaan.
2. Hoe slecht Job over deze zonde dacht vers 28..
a. Hij beschouwde het als een belediging van de burgerlijke overheid dit ware ook een misdaad bij de rechter, ais iets dat ieder tot last is en schadelijk is voor koningen en landschappen. Afgoderij bederft der mensen gemoed, verderft hun zeden, vernietigt het ware begrip van de Godsdienst, die de band is van de maatschappij, en brengt er God toe om de mensen over te geven in een verkeerde zin en oordelen te doen komen over een volk, en daarom moeten zij, die geroepen zijn om de openbare vrede te bewaren, haar beteugelen door haar te straffen.
b. Hij beschouwde het als een nog veel grotere belediging van de God des hemels, en niets minder dan hoogverraad tegen Zijn kroon en waardigheid. Want ik zou de God van boven verzaakt hebben, Zijn bestaan als God geloochend hebben, en Zijn soevereiniteit als God van boven. Afgoderij is ook eigenlijk atheïsme, vandaar dat gezegd wordt dat de heidenen zonder God (atheïsten) zijn in de wereld. Wij moeten bevreesd zijn voor alles, dat ook zelfs stilzwijgend de God van boven, Zijn voorzienigheid of Zijn volmaaktheden, loochent. III. Hij betuigt dat het zo ver van hem was om iemand kwaad te doen, dat hij het verderf niet begeerde van de ergste vijand, die hij had. Vergiffenis te schenken aan hen, die ons kwaad doen, schijnt een Oud-Testamentische plicht te zijn geweest. De Farizeën hebben de desbetreffende wet krachteloos gemaakt door te leren: gij zult uw "naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten," Mattheus 5:43.
Merk hier op:
1. Job was verre van wraakzuchtig. Niet alleen heeft hij nooit het onrecht, dat hem was. aangedaan, met onrecht vergolden, heeft hij hen die hem haatten niet ten verderve gebracht, maar:
a. Hij heeft zich niet verheugd als hun iets kwaads overkwam, vers 29. Er zijn velen, die degenen die hen in de weg staan niet willens en wetens zouden schaden, hun geen onvriendelijkheid zouden willen aandoen,. maar in stilte hebben zij er toch een welbehagen in als hun leed geschiedt, en zullen er, zoals wij zeggen, in hun vuistje om lachen, maar Job was niet van deze geest. Hoewel Job een zeer goed man was, schijnen er toch mensen geweest te zijn, die hem haatten, maar het kwaad achterhaalde hen. Hij zag hun verderf en verre was het van hem om zich er in te verblijden, want dat zou rechtvaardiglijk het verderf over hem gebracht hebben, zoals te kennen wordt gegeven in Spreuken 24:17,18.
b. Hij heeft zelfs in zijn hart de wens niet gekoesterd dat hun kwaad zou overkomen, vers 30. Hij heeft geen vloek begeerd voor hun ziel, zijn dood niet gewenst, hij wist dat het hem tot zonde zou wezen, indien hij dat deed. Hij wachtte zich ervoor om "te zondigen met zijn tong," Psalm 39:2 hij wilde zijn gehemelte, zijn mond, niet toelaten te zondigen, en daarom durfde hij zelfs over zijn ergste vijand geen kwaad inroepen. Indien anderen ons kwalijk gezind zijn, is dit geen verontschuldiging voor ons om hun kwalijk gezind te zijn.
2. Hij werd er sterk en heftig toe aangezet om wraak te oefenen, en toch hield hij er zich vrij van, vers 31.
a. De lieden van zijn tent, zijn bedienden, zijn huisgenoten, waren zo verwoed op Jobs vijand, die hem haatte, dat zij hem hadden kunnen opeten indien Job er hen toe had aangespoord, of hun verlof daartoe had willen geven. "Och, of wij van zijn vlees hadden! Onze meester wil hem wel vergiffenis schenken maar wij kunnen het niet." Zie hoe bemind job was in zijn gezin, hoe van harte zij zijn zaak hebben omhelsd, en welke vijanden zij waren van zijn vijanden. Maar zie hoe krachtig Job zijn hartstochten in bedwang hield, hij wilde zich niet wreken, hoewel de personen van zijn omgeving het vuur van zijn toorn aanbliezen. Aan een Godvruchtig man zullen de beledigingen, die hem worden aangedaan, gewoonlijk niet zelf zo ter harte gaan als zij aan zijn vrienden ter harte gaan.
b. Aanzienlijke personen hebben gewoonlijk mensen in hun omgeving, die hen tot wraak willen aanzetten. David had er van dezulken, 1 Samuël 24:5, 26:8, 2 Samuël 16:9 S S. Maar als zij hun kalmte behouden in weerwil van de boze raad hunner omgeving, dan zal hun dit later geen harteleed zijn, maar hun zeer tot lof strekken.
IV. Hij betuigt dat hij nooit onvriendelijk of ongastvrij is geweest voor vreemdelingen vers 32. De vreemdeling overnachtte niet op de straat, zoals engelen onlangs gedaan konden hebben in de straten van Sodom, indien Lot hen niet geherbergd had. Misschien was aan Job door dit voorbeeld geleerd (zoals ons er door geleerd wordt, Hebreeën 13:2), om de herbergzaamheid niet te vergeten. Hij, die tehuis is, moet denken aan hen die van huis zijn, zijn ziel stellen in de plaats van hun ziel, en dan doen zoals hij wenst dat hem gedaan zal worden. Gastvrijheid is een Christelijke deugd, 1 Petrus 4:9. Job was in zijn voorspoed bekend voor het goede huis dat hij hield, zijn deuren opende hij naar de weg, hij hield de straatdeur open teneinde te zien wie voorbijging, en dan nodigde hij hen naar binnen, zoals Abraham gedaan heeft, Genesis 18:1.