Psalm 30:1-6
Het was de loffelijke gewoonte van de vrome Joden om, als zij een nieuw huis gebouwd hadden, het toe te wijden aan God, en hoewel dit niet uitdrukkelijk geboden was, was het toch toegestaan en Gode welgevallig, Deuteronomium 20:5 David deed dit, toen zijn huis gebouwd was en hij er bezit van nam, 2 Samuël 5:11, want koninklijke paleizen hebben evenzeer Gods bescherming nodig, en moeten evenzeer Hem ten dienste zijn, als gewone huizen. De huizen, die wij bewonen. moeten bij ons eerste binnentreden ervan Gode gewijd worden als kleine heiligdommen. Wij moeten onszelf, ons gezin en al onze huiselijke aangelegenheden plechtig aan Gods leiding en zorg overgeven; wij moeten bidden om Zijn tegenwoordigheid en zegen, moeten onszelf en al het onze toewijden aan Zijn eer, en het vaste besluit nemen om ongerechtigheid ver weg te doen van onze tenten, en dat wij en ons huis de Heere zullen dienen, beide in de plichten van de huiselijke Godsdienst en in alle gevallen van Evangeliegehoorzaamheid. Sommigen maken de gissing dat deze psalm gezongen werd, toen David's huis opnieuw werd ingewijd, nadat hij er uit verdreven was door Absalom, die het had verontreinigd met zijn bloedschande, en dat hij een dankzegging is voor de onderdrukking van die gevaarlijke opstand.
In deze verzen:
I. Brengt David zelf dank aan God voor de grote verlossingen, die Hij voor hem had gewrocht, vers 2 "ik zal U verhogen, Heere; ik zal Uw naam verhogen, zal U prijzen als een, die hoog verheven is. Ik zal doen wat ik kan om de belangen van Uw koninkrijk onder de mensen te bevorderen. Ik zal U verhogen, want Gij hebt mij opgetrokken, niet slechts uit de kuil waarin ik wegzonk, maar op de troon van Israël." Gij verheft de geringe uit het stof. Vanwege de grote dingen, die God gedaan heeft om ons te verhogen, beide door Zijn voorzienigheid en Zijn genade, zijn wij uit dankbaarheid gehouden en verplicht: om alles te doen wat wij kunnen, om Zijn naam te verhogen hoewel het meeste wat wij doen kunnen, slechts zeer weinig is.
David's verlossing wordt door drie dingen groot gemaakt.
1. Dat zij de nederlaag was van zijn vijanden. Het werd hun niet toegelaten over hem te triomferen, over hem te juichen, dat zij, hoewel dit zeer wreed is, gedaan zouden hebben, indien hij aan deze ziekte gestorven was, of in zijn benauwdheid ware omgekomen. Zie Psalm 41:12.
2. Dat het een verhoring was van zijn gebed vers 3 Ik heb tot U geroepen. Al de uitdrukkingen van het besef, dat wij hebben van onze ellende en moeilijkheden, moeten tot God gericht zijn, ieder geroep moet een roepen zijn tot Hem, op die wijze lucht te geven aan onze smart, zal verlichting geven aan ons bezwaard gemoed. Ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij niet alleen verhoord, maar hebt mij genezen, het zieke lichaam genezen, de ontroerde en ontruste geest genezen, de verwarde, beroerde zaken van het koninkrijk genezen." Dit is hetgeen waarin God roemt: "Ik ben de Heere, uw heelmeester," Exodus 15:26, en wij moeten er Hem de eer van geven
3. Dat het de redding was van zijn leven, want hij was tot het uiterste gekomen, neerzinkende in het graf, op het punt van in de kuil neer te dalen, en toch hebt Gij mij verlost en bij het leven behouden, vers 4. Hoe meer nabij ons gevaar was, hoe heerlijker onze verlossing was en hoe groter en schitterender de bewijzen waren van de macht en de goedheid van God. Een leven als uit de doden moet doorgebracht worden in het verhogen van de God van ons leven.
II. Hij roept anderen op om zich met hem te verenigen in lof, niet slechts voor de bijzondere gunsten, die God hem geschonken heeft maar ook voor de algemene tekenen van Zijn welwillendheid jegens al Zijn heiligen, vers 5 Psalmzingt de Heere, gij Zijn gunstgenoten. Allen, die waarlijk heiligen zijn, erkent Hij als de Zijnen; er is een overblijfsel van de zodanige in de wereld en van hen wordt verwacht dat zij de Heere zullen psalmzingen; want zij zijn geschapen en geheiligd, gemaakt en tot heiligen gemaakt, opdat zij Hem zouden zijn tot een naam en een lof. Zijn heiligen in de hemel zingen tot Zijn eer, waarom zouden de heiligen op aarde niet hetzelfde werk doen zo goed als zij kunnen, in vereniging met hen?
1. Zij geloven dat Hij een God is van vlekkeloze reinheid, laat hen Hem daarom psalmzingen. Laat hen lofzeggen ter gedachtenis van Zijn heiligheid; laat hen Zijn heilige naam loven, want heiligheid is Zijn gedachtenis van geslacht tot geslacht." God is een heilig God, Zijn heiligheid is Zijn heerlijkheid; dat is de eigenschap, die door de heilige engelen het meest genoemd wordt in hun lof, Jesaja 6:3, Openbaring 4:8 Wij moeten Gods heiligheid dikwijls vermelden en gedenken, en heilige zielen kunnen dankzegging doen bij de vermelding van Gods heiligheid. Het is voor de heiligen een oorzaak van vreugde dat God een heilig God is, want daarom kunnen zij hopen dat Hij hen heilig zal maken, heiliger zal maken. Geen van Gods volmaaktheden veroorzaakt meer verschrikking voor de goddelozen en meer vertroosting voor de Godvruchtigen dan Zijn heiligheid. Het is een goed teken dat wij enigermate Zijn heiligheid deelachtig zijn geworden, als wij ons van harte kunnen verblijden bij het gedenken er aan, en er dank voor kunnen zeggen.
2. Zij hebben bevonden dat Hij een genadig en barmhartig God is, laat hen Hem daarom psalmzingen.
A. Zij hebben bevonden dat Zijn toorn van korten duur is, hoewel wij verdiend hebben dat hij eeuwig is, dat Hij toornig op ons zou zijn totdat Hij ons verteerd had en nooit met ons verzoend zou zijn geworden, en toch een ogenblik is er in Zijn toorn, vers 6 Als wij Hem beledigen is Hij toornig, maar gelijk Hij traag is tot toorn, zo wordt ook op ons berouw-en onze verootmoediging Zijn toorn spoedig afgekeerd en is Hij bereid om met ons verzoend te zijn. Als Hij Zijn aangezicht verbergt voor Zijn eigen kinderen en hun de gewone tekenen van Zijn gunst onthoudt, dan is dit slechts in een kleine toorn en voor een ogenblik, meer "met eeuwige goedertierenheid zal Hij zich over hun ontfermen," Jesaja 54:7, 8 Als er `s nachts geween is en het daardoor een moeizame nacht wordt, zal toch, even zeker als na de duisternis van de nacht het licht van de morgen weerkeert, binnen weinig tijds te bestemder tijd voor het volk van God blijdschap weerkeren en vertroosting, want het verbond van de genade is even vast als het verbond van de dag. Dit woord is dikwijls naar de letter aan ons vervuld geworden; `s nachts was er geween, maar de smart was spoedig voorbij en de grief weggenomen.
Merk op: zolang als Gods toorn duurt, zolang zal het wenen duren van de heilige, maar indien de toorn slechts voor een ogenblik is, dan is de beproeving, de smart ook maar voor een ogenblik; en als het licht van Gods aangezicht is weergekeerd, dan zal de beproeving gemakkelijk als licht en voorbijgaande kunnen beschouwd worden. B. Zij hebben Zijn vriendelijk aangezicht zeer lieflijk en troostrijk bevonden. Er is geheel een leven in Zijn goedgunstigheid, leven en alle goed. Het weerkeren van Zijn gunst tot een beproefde ziel is als leven uit de doden; niets kan meer levenwekkend zijn. Ons geluk is verbonden aan Gods gunst, hebben wij die dan hebben wij genoeg, wat ons overigens ook moge ontbreken. Het is het leven van de ziel, het is geestelijk leven, de voorsmaak en het onderpand van het eeuwige leven.