Jesaja 54:6-10
De tijdige hulp en verlossing, welke God aan de gevangenen in Babel gezonden heeft, toen zij uit hun slavernij gered werden, wordt hier voorzegd als een type en afschaduwing van alle vertroostingen, welke God als een schat bewaarde voor Zijn kerk in het algemeen en voor ieder van de gelovigen in het bijzonder, in het genadeverbond.
I. Zie op uw vorige beproevingen en in vergelijking daarmee zijn Gods gunsten voor Zijn volk zeer troostrijk, verzen 6-8.
Merk hier op:
1. Hoe zorgvol de toestand van de kerk geweest is. zij was een verlaten vrouw wier echtgenoot overleden was, of met haar in onmin geraakt was, ofschoon zij de huisvrouw van zijn jeugd was, en daarom was zij bedroefd van geest, ging het haar slecht, werd zij voortdurend neerslachtiger, als een die geweigerd en verworpen was, en in verdriet verzonk. Zelfs zij die God gehuwd heeft, kunnen geweigerd en verlaten schijnen te zijn en kunnen onder de verschijnselen daarvan bedroefd van geest zijn, maar zij zullen nooit verlaten of versmaad en in wanhoop gelaten worden, al worden zij voor een ogenblik in droefheid gedompeld. Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, vers 7. In een kleine toorn heb Ik mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen, vers 8. Wanneer God Zijn volk lang in droefheid laat, schijnt het alsof Hij het verworpen heeft. De vijanden zeggen dat, Psalm 71:12, en zij zelf maken het ten onrechte er uit op, Jesaja 49:14. Wanneer zij troosteloos zijn onder hun verdriet, omdat hun gebeden en verwachtingen niet beantwoord worden, verbergt God Zijn aangezicht voor hen alsof Hij hen voortaan niet aanzien of enige vriendelijkheid betonen wil. God erkent dat Hij dit gedaan heeft, want Hij houdt rekening met de beproevingen van Zijn volk en of schoon Hij nooit Zijn aangezicht tegen hen keert, zoals tegen de goddelozen, Psalm 34:16, herinnert Hij Zich hoe dikwijls Hij hun de rug toekeerde. Dit kwam zeker uit Zijn ongenoegen voort, het was in toorn dat Hij hen verliet en Zijn aangezicht voor hen verborg, Jesaja 57:17, maar toch was het in een kleine toorn. Niet dat Gods toorn ooit een geringe zaak is, of als een kleinigheid opgevat worden mag: Wie kent de sterkte uws toorns! maar klein in vergelijking met hetgeen zij verdiend hadden en hetgeen anderen rechtvaardig lijden, over welke de volle fiolen van Zijn toorn uitgestort worden, over Hem stortte Hij niet al Zijn toorn uit. Maar Gods volk ofschoon het gevoelig is ook voor het geringste gedeelte van Gods ongenoegen, kan niet anders dan daardoor diep bedroefd in de geest zijn. En wat de duur aangaat, het was slechts voor een ogenblik, een klein ogenblik, want God behoudt de toorn tegen Zijn volk niet eeuwig, neen, het is spoedig voorbij. Hij is traag tot toorn en geneigd tot barmhartigheid. Gelijk de droefenissen, door God aangedaan, licht zijn, zo zien zij ook kort van duur, niet meer dan een wolk die spoedig voorbij trekt.
2. Hoe zoet het terugkeren van de barmhartigheid voor hen zijn zou, wanneer God komen zou en vertroosten naar de tijd in welke Hij verdrukt had. God roept hen in het verbond met Hem, als zij verlaten en versmaad zijn, Hij roept hen uit hun verdrukkingen als die het zwaarst zijn, vers 6. Gods toorn duurt een ogenblik, maar God zal Zijn volk vergaderen als zij denken dat ze verwaarloosd worden, zal hen uit de verstrooiing verzamelen opdat zij als een geheel mogen terugkeren in hun eigen land, zal hen in Zijn armen vergaderen om hen te beschermen, hen omarmen en dragen, en hen eindelijk zo tot Zich vergaderen, gelijk het koren in de schuur verzameld wordt. Hij zal ontferming voor hen hebben, hetgeen insluit het tenietdoen van Zijn toorn en het opnieuw toelaten van hen in Zijn gunst. Dat God Zijn volk vergadert, komt voort uit zijn goedertierenheid en niet uit enige van hun verdiensten, en Hij doet het met grote ontfermingen en met eeuwige goedertierenheid, vers 7 en 8. De toorn is klein maar de ontferming is groot, de toorn voor een ogenblik maar de goedertierenheid eeuwig. Zie hoe het een tegenover het andere geplaatst wordt, opdat wij nooit wanhopen zouden onder onze droefenissen of vertwijfelen aan onze verlossing.
II. Zie vooruit op toekomstige gevaren om die op de rechte wijze te schatten. Godsgunsten voor Zijn volk blijken zeer vast te zijn en Zijn vriendelijkheid eeuwigdurend, want zij zijn gevestigd in een verbond, dat hier het verbond zijns vredes genoemd wordt, omdat het gegrond is op verzoening en de samenvatting van alle goeds is.
1. Dit is zo standvastig als het verbond van de voorzienigheid, het is als de wateren van Noach, dat is als de belofte welke gedaan werd naar aanleiding van de zondvloed, dat er nooit weer iets dergelijks komen zou om de loop van zomer en winter, zaaiing en oogst te verstoren, vers 9. God twistte toen met de wereld in grote toorn en gedurende een geheel jaar, maar keerde ten laatste in ontferming en eeuwige goedertierenheid terug. Hij gaf Zijn woord, dat zo onverbrekelijk was als Zijn eed dat de vloed van Noach nooit zou weerkomen, dat hij nooit weer de gehele aarde zou overstelpen ú zie Genesis 8:21, 22, 9:1-1. En God heeft sindsdien Zijn woord gehouden, ofschoon de wereld zeer tergend voor Hem geweest is, en Hij zal het tot het einde toe horden, want de wereld die nu is, wordt ten vure bewaard. Evenzo onverbrekelijk is het verbond van de genade: Ik heb gezworen dat Ik niet meer op u toornen of u schelden zal gelijk Ik gedaan heb. Hij zal nooit zo toornig op hen zijn dat Hij heil verwerpen zal en Zijn verbond met hen breken, Psalm 89:35. Hij zal hen niet schelden gelijk Hij de heidenen gescholden heeft om hen te verwoesten en hun naam voor eeuwig uit te roeien, Psalm 9:5.
2. Het is sterker dan de sterkste gedeelten van de zichtbare schepping, vers 10." Bergen zullen wijken," die de eeuwige bergen genoemd worden, en "heuvelen wankelen," ofschoon zij heuvelen van de eeuwigheid heten, Habakuk 3:6. Eer zullen die bewogen worden dan dat Gods verbond met Zijn volk verbroken wordt. Bergen zijn soms door aardbevingen geschud, en aan `t wankelen gebracht, maar de beloften Gods kunnen nooit verbroken worden door enigen schok van welke aard ook. De dag zal komen dat alle bergen zullen wijken en de heuvelen wankelen, niet alleen hun toppen zullen bedekt worden gelijk door de wateren van Noach, maar zij zullen ontworteld worden want de aarde en al de werken die er in zijn zullen brandende vergaan, maar dan zal het verbond des vredes tussen God en de gelovigen voortduren in eeuwige zegeningen over allen die kinderen van dat verbond zijn. Bergen en heuvelen stellen grote mensen voor. Deze bergen ondervatten schijnbaar, als Atlas, de lucht en dragen haar. Maar zij zullen wijken en wankelen, het vertrouwen op schepselen zal ons ontzinken, tevergeefs verwacht men redding van de bergen en heuvelen. Deze bergen dreigen de wolken te doorboren en tegenstand te bieden, evenals de koningen van de aarde en de overheden zich stellen tegen de Heere. Zij zullen wijken en wankelen. Grote bergen, die de behoudenis van de kerk in de weg staan, zullen vlak gemaakt worden, Zacheria 4:7. Maar Gods goedertierenheid zal nooit van Zijn volk wijken, want die Hij liefheeft, die heeft Hij lief tot het einde, nooit zal het verbond Zijns vredes wankelen, want Hij is de Heere die zich over Zijn volk ontfermt. Daarom is het verbond onverbrekelijken onvergankelijk, want het is niet gevestigd op onze verdiensten die zeer onzeker en wisselvallig zijn, maar op Gods ontferming die van eeuwigheid tot eeuwigheid duurt.