2 Samuël 24:10-17
I. Wij hebben hier Davids berouw en belijdenis van zijn zonde het volk geteld te hebben. Terwijl de zaak gedaan werd, gedurende al die negen maanden, zien wij niet dat David zich bewust werd van zijn zonde (want dan zou hij de order herroepen hebben, die hij had gegeven) maar toen de telling geschied was en de som totaal hem voorgelegd werd, toen, in diezelfde nacht, ontwaakte zijn geweten en gevoelde hij de smart op het ogenblik wanneer hij er zich het genoegen van had beloofd te smaken. Het feestmaal van de voldoening in het aantal zijns volks, werd tot gal in de aderen in zijn binnenste, schuldbesef wierp een nevel over de vreugde, vers 10.
1. Hij was tot overtuiging gekomen van zijn zonde, zijn hart sloeg hem eer de profeet nog tot hem gekomen was, zijn geweten toonde hem het kwaad van hetgeen hij gedaan had, nu bleek hem dat een zonde, zware zonde, te zijn, waarin hij tevoren geen kwaad had gezien. Met groot, innig leedwezen dacht hij er over na, en zijn hart sloeg hem. Het is goed dat, wanneer een mens gezondigd heeft, hij een hart heeft, dat hem er om slaat, het is een goed teken, dat er een beginsel van genade is in het hart, en een goede stap naar berouw en bekering.
2. Hij beleed het voor God, en bad vurig om vergeving er voor.
a. Hij erkent dat hij gezondigd heeft, grotelijks gezondigd heeft, hoewel er voor anderen geen of weinig zonde in scheen te zijn. Ware boetvaardigen, die een teder geweten hebben, zien het kwaad in de zonde, dat anderen er niet in zien.
b. Hij erkent zottelijk, zeer zottelijk gedaan te hebben, omdat hij het in de hoogmoed zijns harten gedaan heeft, en het was dwaas in hem hoogmoedig te zijn op het getal zijns volks, daar zij Gods volk waren, niet zijn volk, en hoevelen zij ook waren, God kon spoedig hun getal verminderen.
c. Hij roept tot God om vergeving: maar nu o Here, neem toch de misdaad Uws knechts weg. Als wij onze zonden belijden, dan mogen wij bidden in het geloof, dat God ze zal vergeven, en door vergevende genade de ongerechtigheid zal wegnemen, die wij door oprecht berouw hebben weggeworpen.
II. De rechtvaardige en noodzakelijke straf die hij voor zijn zonde heeft geleden. David was gedurende de nacht heen en weer geslingerd onder het besef van zijn zonde, hij had er geen rust om in zijn gebeente, en des morgens stond hij op, verwachtende Gods misnoegen tegen hem te zullen horen om hetgeen hij gedaan had, of zich voornemende om er met Gad, zijn ziener, over te spreken. Gad wordt zijn ziener genoemd, omdat hij hem altijd in zijn nabijheid had om met hem over de dingen Gods te raadplegen en gebruik van hem maakte als zijn geestelijke raadsman en gids. Maar God kwam hem voor, en bestuurde Gad in hetgeen hij tot hem zeggen moest, vers 11, en het wordt gesteld en aangenomen:
1. Dat David gestraft moet worden voor zijn verkeerdheid, het is een te grote misdaad, en doet God al te zeer oneer aan om ongestraft te kunnen blijven zelfs in David. Van de zeven dingen, die God haat, is hoogmoed het eerste, Spreuken 6:17. Zij, die waarlijk berouw hebben van hun zonden en er vergeving voor hebben ontvangen, zullen toch dikwijls in deze wereld er voor te lijden hebben. 2. De straf moet beantwoorden aan de zonde. Hij was trots op het grote aantal zijns volks, en daarom moet het oordeel, waarmee hij voor die zonde gekastijd wordt, van zo'n aard zijn, dat hun aantal vermindert. Het is rechtvaardig in God om hetgeen onze hoogmoed gaande maakt, van ons weg te nemen, of het ons tot bitterheid te maken, het op de een of andere wijze onze straf te doen zijn.
3. Het moet een straf zijn, waarin door het volk grotelijks gedeeld zal worden, want de toorn des Heren was ontstoken tegen Israël vers 1. Hoewel het Davids zonde was, die de sluisdeuren heeft opengezet, heeft toch de zonde des volks bijgedragen tot de overstroming.
Betreffende nu de straf, die opgelegd moet worden:
A. Wordt aan David gezegd de roede te kiezen, waarmee hij geslagen zal worden, vers 12, 13. Zijn hemelse Vader moet hem kastijden, maar om te tonen dat Hij het niet gaarne, niet van harte doet, geeft Hij aan David verlof om te kiezen of het door oorlog, hongersnood of pestilentie zal zijn, drie zware oordelen, die een volk grotelijks verzwakken en verminderen. Met hem aldus voor die keus te stellen, bedoelde God:
a. Hem temeer te verootmoedigen voor zijn zonde, die hij aldus als uitermate zondig zal leren kennen als hij zal bedenken hoe uitermate zwaar ieder van deze oordelen zijn zou.
b. Hem de trotse waan te verwijten, die hij had van zijn soevereiniteit over Israël, hij, die zo'n groot vorst is, begint te denken dat hij kan krijgen wat hij wil. "Komaan dan", zegt God, "welk van deze drie dingen wilt gij hebben?" Vergelijk Jeremia 34:17. "Ik roep een vrijheid tegen ulieden uit," maar het is een vrijheid zoals die van David, "een vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie en ten honger," en Jeremia 15:2, "wie ten dood, ten dode." Of:
c. Om hem aan te moedigen onder de kastijding, hem latende weten dat God hem niet van Zijn gemeenschap uitstiet, maar dat Zijn verborgenheid toch nog voor hem was, en dat Hij, hem beproevende, zijn formering kende wist wat hij het best kon dragen. Of:
d. Dat hij zoveel geduldiger de roede zou verdragen, als het een roede is die hijzelf heeft gekozen. De profeet zegt hem met zichzelf te rade te gaan, en hem dan te zeggen welk antwoord hij die zal wederbrengen die hem gezonden heeft. Leraren worden van God tot ons gezonden, en zij moeten verslag doen van het succes hunner zending. Wij moeten dus wel bedenken, welk antwoord zij van onzentwege zullen wederbrengen, opdat zij hun rekenschap van ons zullen geven met vreugde.
B. Hij verzet zich alleen tegen het oordeel des zwaards, maar wat de twee anderen betreft, hij laat het aan God over welk het zijn zal, maar geeft te kennen, dat hij nog eerder de pestilentie zou kiezen, vers 14. Mij is zeer bange, en wel mocht hij, als de vrees en de kuil en de strik over hem zijn, en zo hij aan het een ontkomt, noodwendig in het andere moet vallen, Jeremia 48:43, 44. Zonde brengt de mensen in het nauw, wijze en Godvruchtige mensen brengen zich dikwijls in benauwdheid door hun eigen dwaasheid.
a. Hij vraagt dat God hem niet in de handen van de mensen zal laten vallen, wat er ook geschiede: Laat mij niet drie maanden vlieden voor het aangezicht mijner vijanden, dat zou al de glorie bezoedelen van Davids triomfen en aan de vijanden van God en Israël aanleiding geven om zich trots te gedragen, zie Deuteronomium 32:26, 27. Hun barmhartigheden zijn wreed, en in drie maanden zullen zij de natie een schade toebrengen, die in vele jaren niet hersteld kan worden. Maar,
b. Hij geeft zich aan God over: Laat ons toch in de hand des Heren vallen want zijn barmhartigheden zijn vele. Mensen zijn Gods hand, zo worden zij genoemd in Psalm 17:14. Het zwaard wordt door Hem gezonden, maar toch zijn er oordelen, die meer onmiddellijk van Zijn hand komen dan andere, zoals hongersnood en pestilentie, en welk van die de gesel zal zijn, laat hij aan God over, die het oordeel zendt, dat het kortst van duur is, opdat Hij zoveel eerder kan tonen verzoend te zijn. Maar sommigen denken dat David door deze woorden zijn keus van pestilentie had te kennen gegeven. Het land had zich nog niet geheel hersteld van de hongersnood, waaronder het drie jaren lang had geleden vanwege de Gibeonieten, en daarom: laat ons met die roede niet gekastijd worden, want ook dat zal een triomf wezen voor de naburen, vandaar dat wij lezen "van de smaadheid des hongers", Ezechiël 36:30. Maar zo Israël verminderd moet worden, laat het dan door de pestilentie zijn, want dat is: vallen in de hand des Heren, die gewoonlijk dat oordeel deed komen door de hand van Zijn eigen, onmiddellijke dienaren, de engelen, zoals bij de dood van de eerstgeborenen in Egypte. Dat is een oordeel, waaraan David zelf en zijn eigen gezin evenzeer blootgesteld zijn als de geringste onderdaan, maar zo is het niet met hongersnood of met het zwaard en daarom kiest David, die zich diep bewust is van zijn schuld, dat oordeel. Het zwaard en de honger zullen de een zowel verteren als de ander, maar men kan zich voorstellen, dat de verderfengel zijn zwaard zal trekken tegen hen, die bij God als de schuldigsten bekend zijn. Dit oordeel zal het kortst duren, en hij schrikt terug voor de gedachte om lang onder de tekenen van Gods misnoegen te moeten zijn. "Vreeslijk is het, zegt de apostel, te vallen in de handen des levenden Gods," Hebreeën 10:31, vreeslijk inderdaad voor zondaren, die zich door hun onboetvaardigheid uitgesloten hebben van alle hoop op Zijn genade. Maar David, een boetvaardige, durft zich in Gods hand werpen, wetende dat hij zal bevinden, dat Zijn barmhartigheden vele zijn. Godvruchtige mensen zullen, al liggen zij ook onder Gods misnoegen, geen andere dan goede gedachten van Hem koesteren. "Zo Hij mij doodde zal ik toch op Hem vertrouwen," Job 13:15.
C. Dientengevolge wordt een pestilentie gezonden vers 15, van Dan tot Ber-Seba, van het een uiteinde des rijks tot het andere, hetgeen aantoont, dat zij onmiddellijk van de hand Gods komt en niet door natuurlijke oorzaken. David heeft zijn keus, hij lijdt door een wonder en niet door gewone middelen. Zij duurde van de morgen (die eigen morgen, toen het in Davids keus gegeven werd, welke straf hij zou lijden) tot de gezette tijd, dat is: tot aan de derde dag. Dat is het gevoelen van Dr. Poole, of alleen tot aan de avond van de eerste dag, de gezette tijd voor het avondoffer, zoals bisschop Patrick en anderen het verstaan, die uitrekenen dat de pestilentie slechts negen uur geduurd heeft, en dat God in ontferming over David de tijd, die Hij eerst genoemd had, heeft verkort. De sterfte door deze pestilentie veroorzaakt was zeer groot, er stierven zeventig duizend mannen, die allen in weinige uren gezond en ziek waren en stierven. Welk een ontzettend geschrei ging er toen, naar wij ons kunnen voorstellen, op in het land Israëls, zoals in Egypte toen de eerstgeborenen gedood werden, maar dat was te middernacht, nu was het overdag, Psalm 91:6. Zie de kracht van de engelen, als God hun een opdracht geeft, hetzij om te behouden of te verderven. Joab brengt negen maanden door met zijn pen, de engel slechts negen uren met zijn zwaard in al de hoeken en landpalen Israëls. Zie hoe gemakkelijk God de hoogmoedige zondaar terneer kan werpen en hoeveel wij dagelijks aan de lankmoedigheid Gods verschuldigd zijn. Davids overspel wordt voor het ogenblik gestraft met de dood van slechts een kind, zijn hoogmoed met de dood van al die duizenden zozeer wordt hoogmoed door God gehaat. Het getal van de verslagenen klimt schier op tot een halve decimatie zeventig duizend was ongeveer een op twintig. Nu kunnen wij onderstellen dat "de haren van Davids vlees te berge zijn gerezen van verschrikking voor God, en dat hij heeft gevreesd voor Zijn oordelen," Psalm 119:120.
III. God heeft genadig het oordeel doen ophouden toen het in Jeruzalem kwam, vers 16. De engel strekte zijn hand uit over Jeruzalem, alsof hij daar nog grotere verwoesting wilde gaan aanrichten dan overal elders, om het te verderven. Het land had van de bittere beker gedronken, maar Jeruzalem moet er de droesem van drinken. Het schijnt dat Jeruzalem het laatst geteld was, en daarom bleef die stad bewaard om het laatst door de plaag getroffen te worden, misschien was er in Jeruzalem meer goddeloosheid, inzonderheid meer hoogmoed, (en dat was de zonde, die nu bezocht werd) dan elders, en daarom is de hand des verderfengels er over uitgestrekt, maar toen berouwde het de Here over dat kwaad, veranderde Hij, niet van zin, maar van wijze, en zei tot de verderfengel: Het is genoeg trek uw hand nu af, en laat de barmhartigheid roemen tegen het oordeel. Jeruzalem zal gespaard worden om der wille van de ark, want het is de plaats, die God verkoren heeft om er Zijn naam te stellen. Zie hier hoe bereid God is om te vergeven en hoe weinig behagen Hij vindt in te straffen, en laat het ons aanmoedigen om Hem op de weg van Zijn oordelen tegen te komen met berouw en bekering. Dit was op de berg Moria. Dr. Lightfoot merkt op dat op de eigen plaats waar Abraham door een tegenbevel uit de hemel weerhouden werd zijn zoon te slachten, deze engel door een zelfde tegenbevel weerhouden werd om Jeruzalem te verderven/ Het is om de wil van het grote offer, dat ons verbeurd leven tegen de verderfengel wordt behoed.
IV. Davids vernieuwd berouw over zijn zonde bij deze gelegenheid, vers 17. Hij zag de engel (God had er zijn ogen voor geopend) zag zijn zwaard, uitgestrekt om te verderven, een vlammend zwaard, zag hem gereed om het op de hem gegeven orders met de verdelging op te houden, in de schede te steken. Dit ziende sprak hij, niet tot de engel, (hij wist beter dan zich in de tegenwoordigheid des Meesters tot de dienaar te richten of aan het schepsel de eer te geven, die alleen aan de Schepper toekomt) maar tot de Here, en zei: Zie, ik heb gezondigd. Ware boetvaardigen zullen, hoe meer zij van Gods sparende, vergevende genade ontvangen, des te meer verootmoedigd zijn om de zonde en des te meer vastberaden om haar te haten en te vlieden. "Opdat gij u schaamt, wanneer Ik voor u verzoening doen zal," Ezechiël 16:63.
Merk op:
1. Hoe hij zich beschuldigt, alsof hij geen woorden genoeg had om het slechte van zijn zonde in het licht te stellen, "ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld, mijn is de misdaad, daarom zij op mij het kruis. Uw hand zij toch tegen mij en tegen mijns vaders huis, ik ben de zondaar, laat dan op mij de straf zijn", zo bereid was hij om de straf van zijn ongerechtigheid te dragen, hoewel hij tien duizend hunner waard was.
2. Hoe hij voorbede doet voor het vork, wier bitter klagen en kermen zijn hart pijn deed en zijn oren deed klinken. Deze schapen, wat hebben zij gedaan? Gedaan! Wel, zij hebben veel verkeerds gedaan, het was hun zonde, die God er toe bracht om David aan zichzelf over te laten om te doen wat hij gedaan heeft, maar zoals het een boetvaardige betaamt, is hij streng ten opzichte van zijn eigen schuld, terwijl hij die van hen verzacht en verkleint. Als de oordelen Gods uitgaan, zullen de meeste mensen anderen beschuldigen er de oorzaak van te zijn, er zich niet om bekommeren wie er onder lijden zal, zo zij zelf er slechts aan ontkomen, maar in zijn boetvaardigheid en liefde voor het volk was David van een geheel andere gezindheid. Laat dit ons doen gedenken aan de genade van de Here Jezus, die zichzelf heeft overgegeven voor onze zonden en gewillig was om Gods hand tegen zich te laten zijn, opdat wij zouden ontkomen. De herder werd geslagen, opdat de schapen behouden zouden worden.