Psalm 30:7-13
In deze verzen hebben wij een bericht van drie verschillende, op elkaar volgende toestanden, waarin David zich had bevonden, en van de uitgangen van zijn hart naar God in ieder van die toestanden wat hij zei en deed en hoe zijn hart er in bewogen was. In de eerste kunnen wij zien waar wij maar al te licht toe geneigd zijn, en in de twee anderen wat wij behoren te zijn.
I. Hij had gedurende lange tijd voorspoed genoten en toen werd hij gerust, vertrouwde hij al te veel op de voortduur ervan, vers 7, 8. "In mijn voorspoed, toen ik nog gezond was naar het lichaam en God mij rust had gegeven van al mijn vijanden rondom, zei ik: ik zal niet wankelen in eeuwigheid; ik heb nooit gedacht dat ik ziek zou worden, of dat er beroering, stoornis zou komen in mijn regering, van niets en van nergens duchtte ik gevaar." Zo volkomen waren de overwinningen, die hij behaald had over hen die hem tegenstonden, zo'n bevestigende invloed had hij op zijn volk, zo kloekmoedig van geest en zo gezond van lichaam was hij, dat hij zijn voorspoed zo vast en onbeweeglijk waande als een berg; toch schrijft hij dit niet toe aan zijn eigen wijsheid en kloekmoedigheid, maar aan de goedheid van God. Gij, Heere, hebt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet, vers 8 Hij beschouwt het niet als zijn hemel zoals wereldse mensen doen, die hun voorspoed tot hun gelukzaligheid maken maar slechts als zijn berg, het is nog aarde, slechts een weinig hoger dan de gewone hoogte. Hij dacht dat die voorspoed hem door de gunst van God bestendigd zou worden zich wellicht voorstellende dat hij, zo vele moeilijkheden en beproevingen gehad hebbende in het begin van zijn dagen, er nu zijn volle aandeel van gehad heeft en er in zijn laatste dagen vrij van zou blijven; of dat God die hem zulke tekenen heeft gegeven van Zijn gunst, nooit vertoornd op hem zou zijn. Wij zijn er zeer toe geneigd om te denken dat, als het ons goed gaat, dit altijd zo blijven zal en het nooit anders gaan zal. De dag van morgen zal zijn als deze. Het is alsof wij gingen denken dat, als het eens fraai weer is, het altijd fraai weer zal zijn, terwijl toch niets zekerder is dan dat het zal veranderen. Als wij ons bedrogen zien in onze verwachtingen, dan betaamt het ons om met leedwezen en schaamte aan onze gerustheid te denken als aan onze dwaasheid, gelijk David dit hier doet, opdat wij een andermaal verstandig zullen zijn en ons verheugen in onze voorspoed, alsof wij ons niet verheugden, omdat de gedaante ervan voorbijgaat.
II. Plotseling kwam hij in moeilijkheden en leed, en toen bad hij tot God en smeekte vurig om hulp en uitkomst.
1. Zijn berg wankelde, en met de berg wankelde ook hij; het bleek dat hij het minst veilig was toen hij gerust begon te worden. Gij verborg Uw aangezicht, en ik werd verschrikt, ik werd beroerd in mijn ziel, of mijn lichaam, of mijn bezitting." Bij iedere verandering van zijn toestand hield hij zijn oog op God, en gelijk hij zijn voorspoed had toegeschreven aan Gods gunst, zo heeft hij in zijn tegenspoed het verbergen van Gods aangezicht als de oorzaak ervan opgemerkt. Als God Zijn aangezicht verbergt, dan voorzeker zal een Godvruchtige beroerd zijn, al overkomt hem ook geen ander ongeluk; als de zon ondergaat volgt gewis de nacht, en de maan en al de sterren kunnen de nacht niet tot dag maken.
2. Toen zijn berg wankelde, hief hij zijn ogen op boven de bergen. Het gebed is een balsem voor iedere wond, en als zodanig maakte hij er gebruik van. Is iemand in lijden? Is iemand in benauwdheid? Dat hij bidde. Ofschoon God Zijn aangezicht voor hem verborg, heeft hij toch gebeden. Indien God zich in Zijn wijsheid en gerechtigheid van ons afwendt, zal het toch de grootst mogelijke dwaasheid en ongerechtigheid zijn in ons, als wij ons afwenden van Hem. Neen, laat ons leren bidden in de duisternis: Tot U, Heere, riep ik. Het schijnt dat het zich terugtrekken van God hem nog vuriger en dringender deed bidden. Hier wordt ons gezegd (want hij schijnt er rekening van gehouden te hebben):
a. Wat hij aanvoerde als pleitgrond, vers 10 Dat God niets zou winnen bij zijn dood: Wat gewin is er in mijn bloed te kennen gevende dat hij gaarne zou sterven, indien hij daardoor enigerlei dienst kon doen aan God of aan zijn land, Filippenzen . 2:17 Maar hij zag niet in dat er door zijn sterven op een ziekbed goed gedaan kon worden, zoals er misschien goed mee gedaan had kunnen worden indien hij op het bed van eer ware gestorven. "Heere," zegt hij, "wilt Gij uw volk verkopen voor een spotprijs" en niet rijk worden door de koopsom. " Psalm 44:13 Ja meer, door zijn dood zou God schijnen te verliezen in Zijn eer. Zal U het stof loven? De geheiligde geest, die weerkeert tot God, zal Hem loven, zal Hem blijven loven; maar het stof, dat weerkeert tot de aarde, zal Hem niet loven, Zijn waarheid niet verkondigen. De diensten van Gods huis kunnen niet verricht worden door het stof, het kan Hem niet loven; er is geen werk, noch gezang in het graf, want dat is het land van het stilzwijgen. De beloften van Gods verbond kunnen niet vervuld worden door het stof. "Heere," zegt David, indien ik thans sterf, wat zal er dan worden van de belofte, die aan mij gedaan is? Wie zal daar de waarheid van verkondigen?" De beste pleitgronden in het gebed zijn die welke ontleend zijn aan Gods eer, en wij kunnen dan terecht om leven vragen, als wij dat er mee op het oog hebben: te mogen leven om Hem te loven.
b. Waar hij om bad, vers 11 Hij bad om genade en vergeving: wees mij genadig, en om de genade van hulp in de tijd van nood: Heere, wees mij een helper. Met deze twee boodschappen mogen ook wij vrijmoedig tot de troon van de genade komen, Hebreeën 4:16.
III. Te bestemder tijd heeft God hem uit zijn benauwdheid gered en hem in zijn vorige staat van voorspoed hersteld. Zijn gebeden waren verhoord, zijn rouwklacht was veranderd in een reidans, vers 12. In Gods toorn was nu slechts een ogenblik, en David's geween was slechts voor een nacht. De zak, waarmee hij in nederige onderworpenheid aan de voorzienigheid Gods zich had bekleed, werd ontbonden, zijn vrees werd tot zwijgen gebracht, zijn vertroostingen keerden weer, en hij werd omgord met blijdschap; vreugde werd hem tot sieraad tot kracht en scheen zich aan hem vastte hechten, zoals de gordel aan de lendenen van een man is vastgehecht. Gelijk David's neerstorting in leed en moeite van de hoogte van zich voorspoed, toen hij dit het minst verwachtte, ons leert om blij te zijn als niet blij zijnde, omdat we niet weten hoe nabij leed en ellende kunnen zijn, zo leert ons zijn plotselinge terugkeer tot een staat van voorgoed om te wenen als niet wenende, omdat wij niet weten hoe spoedig de storm een windstilte kan worden, en de schrikwekkende rukwind een gunstige windvlaag kan worden.
Maar in welke gemoedsstemming was hij onder deze gelukkige verandering in de stand van zijn zaken? Wat zegt hij nu? Hij zegt ons in vers 13 :
1. Dat zijn klachten veranderd waren in lofzangen. Dat God hem omgordde met blijdschap, beschouwde hij als ten doel hebbende dat hij de man zou wezen, "lieflijk in psalmen Israël's," 2Sam. 23:1 dat zijn eer God zou psalmzingen, zijn eer dat is zijn tong; want onze tong is onze eer, en nooit meer, dan wanneer zij gebruikt wordt om God te loven; of zijn ziel; want die is onze eer boven de dieren, die moet gebruikt worden om God te loven, en daarmee moeten wij God verheerlijken in psalmgezang. Zij, die er voor bewaard bleven om te moeten zwijgen in het graf, moeten niet zwijgen in het land van de levenden, maar vurig en gestadig en in het openbaar God loven.
2. Deze lofzeggingen zullen eeuwig zijn. In eeuwigheid zal ik U loven. Dit duidt een Godvruchtig besluit aan, dat hij ten einde toe volharden zal in het loven van God-en een Godvruchtige hoop, dat het hem nooit aan stof zal ontbreken om God te loven, en dat hij weldra daar zal wezen, waar dit het eeuwigdurende werk zal zijn. Welgelukzalig zijn zij, die in Gods huis wonen, zij zullen Hem gestadig prijzen. Zo moeten wij leren ons te schikken naar de verschillende omstandigheden, waarin Gods voorzienigheid ons brengt, gebrek te lijden en overvloed te hebben, te zingen van goedertierenheid en recht, en Gode voor beide lof en dankzegging toe te brengen.