Psalm 108:1-6
Hier kunnen wij leren God te loven uit het voorbeeld van een, die een meester was in deze kunst.
1. Wij moeten God loven met bereidheid des harten, ons hart moet werkzaam zijn in deze plicht, (want anders maken wij er niets van) en het moet er toe opgewekt worden, vers 2. o God, mijn hart is bereid, en dan zal ik zingen en psalmzingen. Afdwalende gedachten moeten verzameld worden en bij het werk worden gehouden.
2. Wij moeten God loven met vrijheid van uitdrukking. Ik zal Hem loven met mijne eer, dat is: met mijne tong. Onze tong is onze eer, en zij is dit nooit meer dan wanneer zij gebruikt wordt om God te loven. Als ons hart deze goede rede opgeeft, dan moet onze tong als de pen eens vaardigen schrijvers zijn. Davids bedrevenheid in de muziek was zijn eer, het maakte hem beroemd, en die gave moet aan de lof van God worden gewijd, daarom volgt hier: Waak op, gij luit en harp. In welke gave of talent wij ook uitmunten wij moeten er God mee loven.
3. Wij moeten God loven met vurigheid van liefde, en ons er toe opwekken om het te doen, opdat het op levendige, hartelijke wijze gedaan worde, en niet met onverschilligheid, vers 3. Waak op, gij luit en harp, laat het niet op eentonige, slaperige wijze geschieden, maar laat de melodie levendig en opgewekt zijn. Ik zelf zal in de dageraad opmaken om het te doen met alles wat binnen in mij is, en dat al is nog weinig genoeg. Warme gebeden en lofzeggingen eren God.
4. Wij moeten God loven in het openbaar als degenen, die zich niet schamen om onze verplichtingen aan Hem te erkennen en ons dankbaar besef van Zijn gunst, en begeren dat ook anderen door Gods goedheid getroffen zullen zijn, vers 4. Ik zal U loven. onder de volken van de Joden, ja meer, ik zal U psalmzingen onder de natiën van de aarde. In welk gezelschap wij ons ook bevinden, wij moeten alle gelegenheden waarnemen om goed te spreken van God, en wij moeten niet bevreesd zijn om psalmen te zingen, al is het ook, dat onze buren ons kunnen horen, want het zou wezen alsof wij ons onze Meester schaamden.
5. Wij moeten in onze lof op bijzondere wijze de goedertierenheid en waarheid van God grootmaken, vers 5. Zijn goedertierenheid in het beloven, Zijn waarheid en trouw in het volbrengen. De hemelen zijn groot, maar de goedertierenheid Gods is ruimer, meer omvattend, het uitspansel is hoog en schitterend, maar de waarheid Gods is hoger en heerlijker. Wij kunnen niet verder zien dan het uitspansel en de wolken, wat wij ook mogen zien van Gods goedertierenheid en waarheid, er is nog meer te zien, er is nog meer weggelegd, om in de andere wereld gezien te worden.
6. Daar wij nu bevinden dat wij zo gebrekkig zijn in het verheerlijken van God, moeten wij Hem bidden dat Hij zichzelf zal verheerlijken, alles te doen, alles te beschikken tot Zijn eer, om Zijn naam groot te maken, vers 6. Verhef U, o God, boven de hemelen, hoger dan zelfs de engelen U kunnen verheffen met hun lof, en Uwe eer worde verbreid over de gehele aarde. Vader, verheerlijk Uwen naam, Gij hebt hem verheerlijkt en zult hem wederom verheerlijken. Dat moet onze eerste bede zijn: Uw naam worde geheiligd.