Psalm 7:1-10
Schiggajon is een lied of psalm, het woord is alleen hier aldus gebruikt en in Habakuk 3:1. Een dwalend of zwervend lied, volgens sommigen omdat de stof van de onderscheidene delen verschillend is, maar die delen kunstmatig zijn samengevoegd. Een bekoorlijk, heerlijk lied volgens anderen. David heeft die psalm niet alleen geschreven, maar hem op vrome Godsdienstige wijze de Heere gezongen over de woorden, of zaken van Cusch, de Benjaminiet, dat is: van Saul zelf, wiens wrede behandeling van David hem veeleer als een Cuschiet of Ethiopier dan als een ware Israëliet betoonde. Of, meer waarschijnlijk was het de een of andere bloedverwant van Saul, Cusch genaamd, die een onverzoenlijke vijand was van David, hem ten onrechte aan Saul voorstellende als een verrader, en Saul (hetgeen geheel niet nodig was) tegen hem verbitterende, een van die mensenkinderen in waarheid kinderen Belials over wie David geklaagd heeft, 1 Samuël 26:19, die kwaad gesticht hebben tussen hem en Saul. David, aldus laaghartig mishandeld zijnde, neemt de toevlucht tot de Heere. Het kwaad, dat de mensen ons doen, moet ons uitdrijven tot God want aan Hem kunnen wij onze zaak toevertrouwen. Ja, hij zingt de Heere, zijn geest was er niet door ontroerd of verontrust, of ternedergeslagen, maar was zo kalm en blijmoedig, dat hij nog gestemd was om heilige liederen te zingen, het heeft geen enkele snaar van zijn harp wanluidend gemaakt. Laat aldus de beledigingen, die wij van de mensen ontvangen, inplaats van onze hartstochten op te wekken, ons opwekken tot gebed. In deze verzen:
I. Stelt hij zich onder de bescherming van God en neemt de toevlucht tot Hem om hulp te verkrijgen, vers 2. "Heere, verlos mij, en red mij van de macht en de boosaardigheid van allen, die mij vervolgen, opdat zij hun wil niet aan mij kunnen volvoeren." Hij pleit:
1. Op zijn betrekking tot God. "Gij zijt mijn God, tot wie anders zal ik dus gaan dan tot U? Gij zijt mijn God, en daarom mijn Schild, Genesis 15:1, mijn God, en daarom ben ik een Uwer dienstknechten, die verwachten kan beschermd te zullen worden".
2. Op zijn vertrouwen in God. Heere, red mij, want ik steun op U, op U betrouw ik, en niet op een vlesen arm. Mannen van eer zullen hun niet falen, die op hen vertrouwen inzonderheid niet als zijzelf hen daartoe aangemoedigd hebben, en zo is het met ons.
3. Op de woede en boosaardigheid van zijn vijanden, en het dreigend gevaar waarin hij zich bevond om door hen verzwolgen te worden. "Heere, red mij, of ik ben verloren, hij zal mijn ziel verscheuren, zoals een leeuw zijn prooi verscheurt," met zoveel trots en genot en kracht, zo gemakkelijk en zo wreed. Paulus vergelijkt Nero bij een leeuw 2 Timotheus 4:17 zoals David hier Saul bij een leeuw vergelijkt.
4. Het ontbreken of falen van alle andere helpers. "Heere, het behage U mij te verlossen, want er is geen andere verlosser," vers 3. Het is de heerlijkheid Gods om de hulpelozen te helpen.
II. Hij doet een plechtige betuiging van zijn onschuld, ten opzichte van de dingen waarvan hij beschuldigd was, en beroept zich onder het uitspreken van een vreeslijke verwensing, op God, die het hart doorgrondt, vers 4-6.
Merk op, in het algemeen: 1. Als wij valselijk beschuldigd worden door de mensen, dan is het een grote vertroosting als ons eigen geweten ons vrijspreekt. En het is zeer gelukkig dat zij hun lasterlijke aantijgingen niet alle niet kunnen bewijzen, Handelingen 24:13, maar dat ons hart die tot onze eigen voldoening kan weerleggen.
2. God is de beschermer van de belasterde onschuld. David had op aarde geen gerechtshof, waarop hij zich kon beroepen, zijn vorst, die hem recht had moeten laten wedervaren was zijn gezworen vijand, maar hij kon de toevlucht nemen tot Het gerechtshof des hemels en tot de rechtvaardige Rechter aldaar, die hij zijn God kon noemen. En zie hier:
A. Wat de rechterlijke aanklacht is, ten opzichte waarvan hij zich onschuldig verklaart. Hij was beschuldigd van verraderlijk plan tegen de kroon en het leven van Saul, dat hij de toeleg had hem te onttronen en van het leven te beroven en te dien einde tegen hem krijg voerde. Dit ontkende hij ten enenmale, hij heeft dit nooit gedaan, er was geen ongerechtigheid van die aard in zijn hand, vers 4, hij verafschuwde de gedachte er aan. Hij heeft noch aan Saul noch aan iemand anders kwaad met kwaad vergolden, ik heb nooit kwaad gedaan aan hen, die mij beledigd en benadeeld hebben.
B. Welk bewijs hij bijbracht van zijn onschuld. Het is moeilijk om een ontkenning te bewijzen, maar dit was een ontkenning, die David toch zeer goed kon bewijzen, vers 5, ik heb die gered, die mij zonder oorzaak benauwde. Het was een onwedersprekelijk bewijs dat David geen bedoelingen had tegen Sauls leven, dat telkens en nogmaals de voorzienigheid Gods het zo beschikt had dat Saul in zijn macht was, en er waren personen bij hem die hem spoedig gedood zouden hebben, maar David heeft dit edelmoediglijk belet, toen hij "een slip van Sauls mantel afsneed," 1 Samuël 24:4, en later, toen hij "zijn spies wegnam" 1 Samuël 27:12, om te doen zien wat hij zou kunnen doen. Saul zelf erkende dat dit onloochenbare bewijzen waren van Davids oprechtheid en genegenheid voor hem. Als wij kwaad met goed vergelden en ons het toegeven aan een hartstocht ontzeggen, dan kan dit later meer dan wij zouden denken tot een getuigenis voor ons dienen.
C. Aan welk lot hij zich zou onderwerpen, indien hij schuldig was, vers 6. Zo vervolge de vijand mijn ziel en achterhale ze, hij vervolge mij ten dode toe, en doe mijn eer in het stof wonen. Dit geeft te kennen:
a. Dat, zo hij inderdaad schadelijk was geweest voor anderen, hij kon verwachten, dat zij hem met gelijke munt zouden betalen. Hij, wiens hand tegen ieder is, moet er op rekenen dat ieders hand tegen hem zijn zal zijn.
b. Dat hij in dat geval met geen vertrouwen of gerustheid tot God kon gaan om Hem te vragen hem te verlossen of zijn zaak te bepleiten. Het is voor iemand, die schuldig is en er de rechtvaardige straf voor lijdt, zeer vermetel en zeer gevaarlijk om zich op God te beroepen alsof hij onschuldig was en ten onrechte leed, de zodanigen moeten zich verootmoedigen en de straf hunner ongerechtigheid aannemen, en niet verwachten dat de rechtvaardige God hun ongerechtigheid zal beschermen.
c. Dat hij bij zichzelf volkomen overtuigd was van zijn onschuld. Het is natuurlijk voor ons om onszelf het goede toe te wensen, daarom wordt het inroepen van een vloek over onszelf, zo wij vals zweren, een even plechtige, ontzaglijke eedsformule geacht als iedere andere. Met zulk een eed of verwensing, bekrachtigt David de betuiging van zijn onschuld, hetgeen ons echter niet rechtvaardigt om in iedere geringe, beuzelachtige zaak hetzelfde te doen.
III. Dit getuigenis van zijn geweten hebbende voor zijn onschuld, vraagt hij nederig aan God om voor hem op te treden tegen zijn vervolgers, en ondersteunt elk van zijn beden met een gepaste pleitgrond, als een die weet hoe zijn zaak Gode ordelijk voor te stellen.
1. Hij bidt dat God Zijn toorn zal openbaren tegen zijn vijanden, en als pleitgrond voert hij hun toorn aan tegen hem. Heere, zij zijn onrechtvaardiglijk toornig op mij, wees Gij dan rechtvaardiglijk toornig op hen en laat hen het weten, dat Gij toornig op hen zijt, vers 7. Sta op, Heere, in Uw toorn, verhef U op Uw rechtszetel, en laat Uw macht en gerechtigheid duidelijk gezien worden, vanwege de woede, de verbolgenheden mijner benauwers. Diegenen behoeven de toorn van de mensen tegen hen niet te vrezen, die Gods toorn voor hen hebben. Wie kent de sterkte Zijns toorns?
2. Hij bidt dat God zijn zaak zal bepleiten. Ontwaak tot mij om mij recht te doen, laat mijn zaak gehoord worden voor het gericht dat Gij bevolen hebt. Dat is een aanduiding.
A. Van de Goddelijke macht. Gelijk Zijn zegen van kracht en uitwerking is, weshalve van Hem gezegd wordt dat Hij de zegen gebiedt, zo is ook Zijn gericht van krachtdadige uitwerking, zodat van Hem gezegd wordt dat Hij het gericht bevolen heeft, en niemand kan er tegenbevel voor geven, want de volvoering des rechts zal er gewis op volgen.
B. Van de Goddelijke bedoeling en belofte
"Het is het oordeel dat Gij besloten hebt uit te spreken over al de vijanden van uw volk. Gij hebt aan de vorsten en rechters van de aarde bevolen recht te doen aan hen, aan wie onrecht gedaan is, en de verdrukten te helpen, Heere ontwaak tot dit gericht." Hij, die gerechtigheid liefheeft en haar eist in anderen, zal haar gewis zelf uitoefenen. Ofschoon het de schijn heeft alsof Hij het onrecht oogluikend toelaat als iemand, die slaapt, zal Hij ter bestemder tijd toch ontwaken, Psalm 78:65, en doen blijken dat zijn uitstel geen onverschilligheid was, niet uit veronachtzaming van het recht voortkwam. Hij bidt, vers 8, "Keer dan weer in de hoogte, handhaaf Uw gezag, beklim Uw troon, waarvan zij de soevereiniteit geminacht hebben, en de zetel des gerichts waarvan zij het vonnis hebben geminacht. Keer weer in de hoogte, zichtbaar voor aller ogen opdat het algemeen erkend worde dat de hemel zelf Davids zaak goedkeurt en bepleit." Sommigen houden het er voor dat dit heenwijst naar de opstanding en hemelvaart van Jezus Christus aan wie, toen Hij wederkeerde naar de hemel (wederkeerde in de hoogte in Zijn staat van verhoging) al het oordeel werd overgegeven. Of het kan zien op Zijn wederkomst, wanneer Hij zal wederkeren in de hoogte in deze wereld, om aan allen het gericht te volvoeren. Op deze terugkeer wacht Zijn verdrukt, verongelijkt volk, om die terugkeer bidden zij, en daarop beroepen zij zich van de afkeuringen van de mensen. Wederom bidt hij vers 9. "Richt mij, Heere, spreek recht voor mij."
Om aan zijn bede kracht bij te zetten:
a. Voert hij aan dat zijn zaak nu voor het bevoegde gerecht was gebracht. De Heere zal den volke recht doen. Het is Zijn ambt, het is Zijn belofte. God is de rechter, Daarom Heere, richt mij." Hij is de rechter van de gehele aarde, en daarom zal Hij ongetwijfeld recht doen, en allen zullen verplicht zijn in Zijn oordeel te berusten.
b. Hij beroept zich op zijn oprechtheid ten opzichte van al de zaken in geschil tussen hem en Saul, en begeert slechts gericht te worden in deze zaak naar zijn gerechtigheid en de oprechtheid zijns harten in alles wat hij gedaan heeft voor zijn bevordering.
c. Hij voorzegt dat het zeer zou strekken tot eer en heerlijkheid Gods en tot stichting en vertroosting van Zijn volk, indien God thans voor hem verschijnt, "zo zal de vergadering van de volken U omsingelen, doe het daarom om hunnentwil, opdat zij tot U komen met hun lof in de voorhoven van Uw huis."
Ten eerste. Zij zullen het eigener beweging doen. Dat God verschijnt ten behoeve van David en Zijn belofte aan hem vervult, zal zo'n blijk en voorbeeld wezen van Zijn rechtvaardigheid goedheid en getrouwheid, dat het het hart van Zijn getrouwe aanbidders grotelijks zal verruimen en hun mond zal vervullen van lof. David was de lieveling van zijn land, inzonderheid van al de Godvruchtigen daarin, en daarom hebben zij, toen hij goed op weg was naar de troon, zich grotelijks verblijd en Gode dank toegebracht. Ganse menigten van hen zullen zich tot de voetbank van Zijn troon begeven om Hem te loven en te danken voor zo'n zegen voor hun land.
Ten tweede. Als David tot macht wordt verheven, zoals God hem beloofd heeft, dan zal hij er voor zorgen dat het volk de Godsdienst waarneemt en hooghoudt, dan zal de ark niet zoals in de dagen van Saul, 1 Kronieken 13:3, veronachtzaamd worden.
3. Hij bidt in het algemeen voor de bekering van zondaren en de bevestiging van de heiligen vers 10. "Laat toch de boosheid, niet alleen van mijn boze vijanden, maar van al de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige." Hier zijn twee dingen, die wij allen moeten begeren, en waarop wij allen mogen hopen.
a. Het einde van de zonde, dat zij in onszelf en in anderen tot een einde zal komen. Als het bederf gedood is, als iedere boze weg wordt verlaten en elke boze gedachte wordt opgegeven, en de stroom, die heftig heenbruiste naar de wereld en het vlees, wordt teruggedreven, en zich nu heenspoedt naar God en de hemel, dan zal de boosheid van de goddelozen een einde nemen. Als er een algemeene hervorming is ontstaan in de zeden, als atheïsten en onheiligen overtuigd en bekeerd worden, als aan de verspreiding van de besmetting van de zonde paal en perk wordt gesteld, zodat de bozen niet toenemen, daar hun dwaasheid nu openbaar is geworden, als de boze plannen van de vijanden van de kerk worden verijdeld en hun macht is verbroken en de mens van de zonde vernietigd is, dan neemt de boosheid van de goddelozen een einde. En dat is hetgeen waarvoor allen, die God liefhebben en om Zijnentwil de zonde haten, bidden, en waarnaar zij verlangen.
b. De bestendigheid van de gerechtigheid: maar bevestig de rechtvaardige. Gelijk wij bidden dat de slechten goed zullen worden, zo bidden wij ook dat de goeden beter zullen worden opdat zij niet verleid worden door de listen van de bozen noch door hun boosheid van hun vastheid zullen weggerukt worden, maar bevestigd zullen zijn in hun keuze van Gods wegen, en in hun besluit om er op te blijven wandelen, standvastig zullen zijn in hun voorstaan van de belangen van God en Godsdienst en ijverig in hun pogingen om de boosheid van de goddelozen een einde te doen nemen. Zijn pleitgrond om aan deze bede kracht bij te zetten is: want de rechtvaardige God beproeft harten en nieren, en daarom kent Hij de verborgen boosheid van de goddelozen, en weet hoe haar tot een einde te doen komen, en van de verborgen oprechtheid van de rechtvaardigen is Hij getuige, en Hij heeft verborgen wegen en middelen om haar te bevestigen.
Als wij het getuigenis hebben van een onpartijdig geweten, dat wij verongelijkt werden, ten onrechte werden geblameerd, dan kunnen wij door het zingen van deze verzen een beroep doen op de rechtvaardige God en verzekerd wezen dat Hij onze rechtvaardige zaak zal erkennen en voorstaan, en eenmaal op zijn laatst op de jongste dag onze oprechtheid aan het licht brengen.