Psalm 2:10-12
Wij hebben hier de practische toepassing van deze Evangelieleer betreffende het koninkrijk van de Messias, bij wijze van vermaning aan de koningen en rechters van de aarde. Zij horen dat het tevergeefs is om Christus' regering tegen te staan, laat hen dan zo verstandig zijn er zich aan te onderwerpen. Hij, die macht heeft om hen te verderven, toont dat Hij geen lust heeft aan hun verderf, want Hij stelt hun de weg voor om gelukkig te zijn, vers 10. Zij, die wijs willen wezen, moeten zich laten onderwijzen, vers 10, en diegenen, die waarlijk wijs zijn, ontvangen onderricht uit het Woord van God. Koningen en rechters staan voor God op gelijke bodem met gewone personen, en voor hen is het even nodig om Godsdienstig te zijn als voor ieder ander. Zij, die aan anderen wet en recht geven, moeten de wet ontvangen van Christus, en dat zal hun wijsheid zijn. Wat tot hen gezegd wordt, wordt tot allen gezegd, en wordt van een ieder van ons geëist, maar de vermaning is tot koningen en rechters gericht vanwege de invloed, die hun voorbeeld op hun minderen zal uitoefenen, en omdat zij mannen waren van aanzien en macht, die de oprichting van Christus' koninkrijk hebben tegengestaan, vers 2. Wij worden hier vermaand:
I. Eerbied te hebben voor God, vers 11. Dat is de grote plicht van de natuurlijke Godsdienst. God is groot en oneindig ver boven ons, rechtvaardig en heilig, en vertoornd op ons, en daarom moeten wij Hem vrezen en beven voor Zijn aangezicht. Maar Hij is onze Heere en Meester, en wij zijn gehouden en verplicht om Hem te dienen, onze vriend en weldoener, en wij hebben reden om ons in Hem te verblijden. En dit alles is zeer goed bestaanbaar met elkaar, want:
1. Wij moeten God dienen in al de inzettingen van de Godsverering en in al de voorvallen en omstandigheden van een Godvruchtige levenswandel, maar met een heilige vreze, een ijverig waken over onszelf, en met eerbied voor Hem. Zelfs koningen, die door anderen gediend en gevreesd worden, moeten zelf God dienen en vrezen, er is oneindig meer afstand tussen hen en God, dan tussen de geringste van hun onderdanen en hen.
2. Wij moeten ons verblijden in God, in onderworpenheid aan Hem, wij mogen ons verblijden in andere dingen, maar met een heilig beven, als degenen, die weten welk een heerlijk en ijverig God Hij is, wiens oog altijd op ons gevestigd is, onze zaligheid moet gewerkt worden "met vreze en beven," Filipp. 2:1. Wij behoren ons te verblijden in de oprichting van het koninkrijk van Christus, maar er ons in te verblijden met beving, met een heilig ontzag voor Hem, een heilige vrees voor onszelf dat wij niet tekortkomen in onze plicht, en een tedere bezorgdheid voor de vele kostelijke. zielen voor welke Zijn Evangelie en koninkrijk een reuke des doods zijn ten dode. Wat het ook zij, waarin wij ons in deze wereld verblijden, het moet altijd met beving zijn, opdat wij niet ijdel worden in onze blijdschap, niet opgeblazen worden door de dingen in welke wij ons verblijden, en vanwege de onzekerheid ervan, en omdat door duizenderlei voorvallen en omstandigheden onze vreugde beneveld kan worden. "Zich te verheugen met beving is blijde te zijn als niet blijde zijnde," 1 Corinthiers 7:30.
II. Jezus Christus welkom te heten en ons aan Hem te onderwerpen, vers 12. Dit is de grote plicht van de Christelijke Godsdienst een plicht, die van allen geëist wordt, zelfs van koningen en rechters, en het is onze wijsheid en ons belang om er aan te voldoen.
Merk hier op, 1. Het gebod, dat hiervoor gegeven wordt: Kust de Zoon. Christus wordt de Zoon genoemd, omdat Hij als zodanig bekend werd gemaakt, vers 7. Gij zijt Mijn Zoon. Hij is de Zoon van God door eeuwige generatie, en als zodanig moet Hij door ons worden aangebeden. Hij is de "Zoon des mensen," de Middelaar, Johannes 5:27, en dieswege moet Hij ontvangen worden, en moeten wij ons aan Hem onderwerpen. Hij wordt de Zoon geroemd om beide in te sluiten gelijk God dikwijls met nadruk de Vader genoemd wordt, omdat Hij de Vader is van onze Heere Jezus Christus, en in Hem onze Vader en wij voor die beide hoedanigheden het oog op Hem moeten hebben. Onze plicht jegens Christus wordt hier in overdrachtelijke zin aangeduid: Kust de Zoon, niet met een verraderlijke kus, zoals Judas Hem gekust heeft en zoals alle geveinsden Hem kussen, die voorgeven Hem te eren, maar Hem in werkelijkheid beledigen, doch met een gelovige kus.
a. Met een kus van verzoening en vriendschap, zoals Jakob en Ezau, laat de twist tussen ons en God geëindigd zijn, laat de daden van vijandschap ophouden, en laat ons vrede hebben met God in Christus, die onze vrede is.
b. Met een kus van de aanbidding en Godsdienstige verering, zij die afgoden aanbaden, kusten hen 1 Koningen 19:18, Hosea 13:2. Laat ons er ons op toeleggen om de Heere Jezus te Beren en Hem de eer Zijns naams te geven. Hij is uw "Heere, buig u voor Hem neer," Psalm 45:11. Wij moeten "het Lam" aanbidden zowel als Hem, die op de troon zit, Openbaring 5:9-13.
c. Met een kus van genegenheid en oprechte liefde: Kust de Zoon, treedt in een verbond van vriendschap met Hem, en laat Hem u zeer dierbaar en kostelijk zijn, bemint Hem boven allen en alles, bemint Hem in oprechtheid, bemint Hem veel, zoals zij Hem liefgehad heeft, aan wie veel vergeven was, en kust, ten teken daarvan, Zijn voeten, Lukas 7:38.
d. Met een kus van gehechtheid en trouw, zoals Samuël Saul heeft gekust, 1 Samuël 10:1. "Zweert Hem hulde en trouw, onderwerpt u aan Zijn regering, neemt Zijn juk op u, en laat u regeren door Zijn wetten, stelt u ter beschikking van Zijn voorzienigheid, en zijt geheel toegewijd aan Zijn belangen.
2. De redenen om aan dit gebod kracht bij te zetten, zijn ontleend aan onze eigen belangen, waarvoor God in Zijn Evangelie toont zorg te hebben. Denkt aan:
A. Het gewisse verderf, dat wij tegemoet gaan indien wij Christus verwerpen: "Kust de Zoon, want het is op uw gevaar zo gij het niet doet."
a. "Het zal een grote terging voor Hem wezen, zo gij het laat, doet het dus opdat Hij niet toorne." De Vader is reeds toornig, de Zoon is de Middelaar, die het op zich neemt om ons met Hem te verzoenen, indien wij Hem nu veronachtzamen, dan "blijft des Vaders toorn op ons," Johannes 3:36, en dat niet alleen, maar dan wordt er ook nog de toorn des Zoons aan toegevoegd aan wie niets meer mishaagt dan dat de aanbiedingen van Zijn genade versmaad en de bedoelingen ervan vernietigd worden. De Zoon kan toornen, hoewel Hij het Lam is, Hij is de Leeuw uit de stam van Juda, en de toorn van deze Koning, van deze Koning van de koningen zal als het brullen eens leeuws zijn, en zal zelfs de groten en de rijken en de oversten over duizend er toe uitdrijven om een schuilplaats te zoeken onder de bergen en steenrotsen, en het zal tevergeefs zijn, Openbaring 6:16. Als de Zoon toornig is, wie zal dan voor ons tussenbeide treden? Er blijft dan geen slachtoffer meer over voor de zonde, er is geen andere naam, door welke wij kunnen zalig worden. Ongeloof is een zonde tegen het geneesmiddel.
b. Het zal een algeheel verderf voor u wezen, opdat gij niet van de weg vergaat. Of, volgens de lezing van anderen, op de weg vergaat. Op de weg uwer zonden, en van de weg uwer ijdele hoop, opdat uw weg niet verga," zoals Psalm 1:6, opdat het niet blijke dat gij de weg van de zaligheid hebt gemist. Christus is de weg, hoed u er voor van Hem, als uw weg tot God, te worden afgesneden." Het geeft te kennen dat zij op de weg waren, of het tenminste dachten, maar door Christus te veronachtzamen zijn zij van die weg vergaan, ervan af geraakt, hetgeen hun verderf nog zwaarder maakt, daar zij van de weg naar de hemel naar de hel gaan, niet ver zijn van het koninkrijk Gods en er toch nooit ingaan.
B. De zaligheid, die ons verzekerd is als wij ons aan Christus overgeven. Als Zijn toorn ontstoken is, al is het ook slechts een weinig, dan is het minste vonkje van dat vuur genoeg om de hoogste zondaar ongelukkig te maken zo het in zijn geweten valt, want het zal branden tot in de diepste hel. Nu zou men denken dat hierop zou volgen: "Wee degenen, die Hem verachten, als Zijn toorn ontbrand is" -maar de psalmist schrikt terug bij die gedachte en spreekt hen zalig, die aan dit oordeel ontkomen. Zij, die op Hem betrouwen en aldus Hem kussen, zijn in waarheid gelukzalig, maar inzonderheid zullen zij dit blijken te zijn als de toorn van Christus ontbrand is tegen de anderen. Zalig zullen zij zijn in de dag des toorns, die, door op Christus te vertrouwen Hem tot hun toevlucht en beschermer hebben gemaakt. Als het hart van anderen bezwijkt van vrees, zullen zij van blijdschap hun hoofd opheffen, en dan zullen zij, die thans Christus en Zijn volgelingen verachten, genoodzaakt zijn te zeggen tot hun eigen grote beschaming: "Nu zien wij dat zij, en zij alleen, zalig zijn, die op Hem bebouwen."
Bij het zingen en biddend overdenken hiervan, moet ons hart niet slechts vervuld zijn van heilig ontzag voor God, maar ook opgeheven zijn door een blijmoedig vertrouwen in Christus in wiens middelaarschap wij onszelf en elkaar kunnen vertroosten en bemoedigen, Wij zijn de besnijding, die in Christus Jezus roemen.