12. Zo dan, mijn geliefden! (opdat ik datgene, waartoe ik van
Hoofdstuk 1:27 af u heb vermaand, nu besluit en wat ik verder nog op het hart heb, in enige hoofdpunten samenvat) zoals u te allen tijd, van de eerste dag tot nu toe (
Hoofdstuk 1:5) gehoorzaam geweest bent aan mijn woord (
2 Corinthiërs 7:15 Filemon 1:21), wees het dan ook aan hetgeen ik nu zeg. Niet als in mijn tegenwoordigheid alleen (
Handelingen 20:1 v.), wanneer u zich zo ijverig in uw Christendom heeft betoond (
2 Corinthiërs 8:1), maar veel meer nu in mijn afwezigheid 2Co 10:1, werkt, zonder u daarbij aan een zien op hetgeen van de anderen is, in verkeerde zin schuldig te maken, uw eigen zaligheid met vrezen en beven, met zo'n nauwgezetheid, dat u daarbij vreest niet genoeg te doen (
Efeze 6:5.
2 Corinthiërs 7:15).
De apostel heeft de Filippensen opgewekt tot standvastigheid in de geloofsstrijd naar buiten en tot bewaring van de eendracht inwendig door ootmoed en zelfverloochening. Hij heeft aangewezen, hoe uit die standvastigheid de zekerheid van de volmaking van de zaligheid volgt en erop gewezen, hoe in het voorbeeld van Christus blijkt, dat op de zelfvernedering de verhoging tot heerlijkheid moet volgen. Deze weg van standvastigheid in geloof en van zelfverloochenende ootmoed is het dus, waarop alleen en zeker de zaligheid te vinden is. Wat blijft hem dus over, dan zijn beminden tenslotte nog eens op te roepen, op deze weg een opgroeien in zegen te zoeken, het hen in Christus geschonken heil steeds meer tot het einde toe te eigenen, opdat zij eens op de jongste dag gered en zalig worden. Wel kan hij hen daarop wijzen, hoe zij hem tot hiertoe in alles gehoorzaam zijn geweest en zo ook deze vermaningen wel zullen opvolgen, maar hij moet hen tevens oproepen, niet alleen in dezelfde mate en met dezelfde ernst, als toen in zijn tegenwoordigheid, maar nu nog te meer in zijn afwezigheid, om met veel grotere ijver hun zaligheid te werken, omdat zij nu alleen voor zichzelf moeten zorgen en hij niet meer vermanend en terugwijzend hen terzijde staat.
Laat men het "niet als in mijn tegenwoordigheid alleen, maar veel meer nu in mijn afwezigheid" slaan op het voorafgaande "gehoorzaam zijn", dan zou men bij het "tegenwoordigheid" in tegenstelling tot het voorafgaande, "zoals u ten allen tijde geweest bent", moeten denken aan het voorgenomen aanwezig zijn in Hoofdstuk 1:25 v. voorgesteld. De grondtekst laat echter die verklaring niet toe, maar eist dat het in verband wordt gebracht met het volgende "zaligheid werken. " De eis "werkt uw eigen zaligheid", spreekt niet de stelling tegen, dat de zaligheid een genadegift van God is en voor de gelovige bereid, voorbestemd en vast is, maar wek de nieuwe zedelijke kracht van de wedergeborene op, wiens inspanning nodig is om in de staat van de genade, in het geloof verkregen, te volharden en het door het geloof toegeëigende heil werkelijk deelachtig te worden, zodat in zoverre het aannemen van het heil een vrucht is van de zedelijke geloofswerkzaamheid en het nieuwe leven (Romeinen 6:4, 12, 2 Corinthiërs 6:1 De vermaning is dus gekant tegen de gerustheid, waarin de bekeerde zou kunnen terugzinken, als hij niet vaststaat en niet tot zijn heiligmaking werkzaam is. Bij de eis wordt gevoegd "met vrezen en beven", omdat strijd en lijden moet worden doorgestaan.
De uitdrukking wil de vrees aanduiden, dat men niet voldoende doet, een nauwgezetheid, die uit ootmoed voortkomt en die het tegendeel is van valse gerustheid.
Dat is met een heilige zorgvuldigheid. Hij meent met deze woorden niet enige slaafse vrees of twijfelend wantrouwen (Hoofdstuk 4:4), maar alleen een zorgvuldige, kinderlijke vrees te kennen gevend, een diepe verootmoediging en onderwerpelijkheid van de geest, met een diepe eerbiedigheid voor de goddelijke majesteit en zorgvuldige bekommering om te vermijden hetgeen haar beledigen en scheiding daarvan zou kunnen teweegbrengen. Wij vinden deze woorden in een gelijkenis gebruikt (Psalm 2:11 Daniël 5:19; 6:27 2 Corinthiërs 7:5 Efeze 6:5) tezamen betekenend, dat wij naar het voorbeeld van Christus ootmoedig moeten zijn en op onszelf wantrouwend, alleen op God moeten steunen (zoals een kind vrees kan hebben en nochtans zich vasthouden en vertrouwen op en vragen om hulp van de Vader, als het een gevaarlijke steilte moet overklimmen) tot volmaking van onze zaligheid.