2 Samuël 5:6-10
Indien Salem, de plaats waarover Melchizedek koning was, Jeruzalem was-hetgeen volgens Psalm 76:3 waarschijnlijk is dan was zij vermaard in Abrahams tijd. Jozua vond haar in zijn tijd de voornaamste stad van het zuidelijk deel van Kanaän, Jozua 10:1 3. Zij viel in het lot van Benjamin, Jozua 18:28, maar belendde aan Juda's lot, Jozua 15:8. De kinderen van Juda hadden haar genomen, Richteren 1:8 maar de kinderen Benjamins lieten de Jebusieten onder hen wonen, Richteren 1:21, en zij namen zo over hen toe, dat zij de stad van de Jebusieten is geworden, Richteren 19:11. Nu was de eerste krijgsdaad van David, nadat hij tot koning over geheel Israël was gezalfd, Jeruzalem uit de handen van de Jebusieten te nemen, hetgeen hij, omdat die stad aan Benjamin behoorde, niet goed doen kon, voordat die stam, die lang het huis van Saul was blijven aanhangen, 1 Kronieken 12:29, zich aan hem onderwierp. Wij hebben hier:
I. Der Jebusieten uittarting van David en zijn krijgsmacht. Zij zeiden: Tenzij gij de blinden en kreupelen wegneemt zult gij hier niet komen, vers 6. Zij zonden David deze tergende boodschap, omdat, gelijk later bij een andere gelegenheid gezegd is, zij niet konden geloven, dat "de tegenpartijder en vijand tot de poorten van Jeruzalem zou ingaan," Klaagliederen 4:12. Zij vertrouwden, hetzij:
1. Op de bescherming hunner goden, die David in minachting de blinden en kreupelen had genoemd, want zij hebben ogen en zien niet, voeten en wandelen niet. "Maar", zeggen zij, "dezen zijn de wachters van onze stad en tenzij gij hen wegneemt (dat gij nooit zult kunnen) zult gij hier niet in komen". Sommigen denken dat het glinsterende koperen beelden waren, die zij in de nissen van de vesting hadden geplaatst, en waaraan zij de bewaring van de stad hadden opgedragen. Zij noemen hun afgoden maüzzim of sterkten, Daniël 11:38, en vertrouwden op hen als zodanig, de naam des Heren is onze sterke toren, en Zijn arm is sterk, Zijn ogen zijn doordringend. Of:
2. In de sterkte hunner fortificaties, die zij door de natuur of de, kunst, of door beide, zo onneembaar achtten, dat de blinden en de kreupelen volstonden om ze tegen de sterkste aanvaller te verdedigen. Het was voornamelijk op de burcht Zion dat zij steunden als oninneembaar. Waarschijnlijk stelden zij blinden en kreupelen, invaliden of verminkte krijgslieden, op de muren in minachting van David en zijn mannen, daar zij deze genoegzaam tegen hen opgewassen achtten. Al zouden ook slechts gewonden onder hen overig blijver, dan zouden deze toch nog volstaan om de belegeraars terug te drijven. Vergelijk Jeremia 37:10. De vijanden van Gods volk zijn dikwijls zeer overtuigd van hun eigen kracht en gevoelen zich het veiligst, als de dag van hun val nabij is.
II. Davids voorspoed tegen de Jebusieten. Hun hoogmoed en onbeschaamdheid hebben, inplaats van hem schrik in te boezemen, hem aangevuurd en bezield, en toen hij de algemene aanval deed, gaf hij zijn mannen dit bevel: "Hij, die de Jebusieten slaat, werpe ook in de gracht of de goot de kreupelen en de blinden, die op de muur gesteld zijn om ons en onze God te beledigen". Zij hebben waarschijnlijk lasterlijke dingen gesproken, en werden daarom door Davids ziel gehaat. Aldus kan vers 8 gelezen worden, wij ontlenen onze lezing er van aan 1 Kronieken 11:6, waar alleen gesproken wordt van de Jebusieten te slaan maar niet van de blinden en kreupelen. De Jebusieten hadden gezegd dat, indien deze hun beelden hen niet beschermden, de blinden en kreupelen niet in het huis zouden komen, dat is: zij zouden nooit meer vertrouwen stellen in hun palladium (aldus verslaat het de geleerde Gregory) en geen eerbied meer betonen aan hun beelden, en David, het fort veroverd hebbende, zei dit ook, namelijk dat deze beelden, die hun aanbidders niet konden beschermen, daar nooit meer een plaats zouden hebben.
III. Hij vestigde zijn koninklijke zetel in Zion, hijzelf woonde in het fort (welks sterkte hem had tegengestaan en een verschrikking voor hem geweest is, maar nu bijdroeg tot zijn veiligheid, en hij bouwde er rondom huizen voor zijn dienaren en zijn lijfwacht, vers 9 van Millo, het stadhuis, af en binnenwaarts. Hij was voorspoedig in alles wat hij ondernam, werd groot in eer, kracht en rijkdom, al meer en meer achtbaar in de ogen van zijn onderdanen en geducht in de ogen van zijn vijanden, want de Here, de God van de heirscharen, was met hem. God heeft alle schepselen onder Zijn macht, maakt het gebruik van hen, dat Hem behaagt, en doet hen dienen tot Zijn eigen doeleinden, en Hij was met hem, om hem te besturen, te bewaren, en voorspoedig te maken. Zij, voor wie de Here der heirscharen is, behoeven voor geen heirscharen van mensen of duivelen te vrezen. Zij, die groot worden moeten dit toeschrijven aan Gods tegenwoordigheid bij hen, en er Hem de eer voor geven. De kerk wordt Zion genoemd en de stad des levenden Gods, de Jebusieten, Christus' vijanden, moeten eerst overwonnen en uit de bezitting verdreven worden, de blinden en kreupelen worden weggenomen, en dan verdeelt Christus de roof, richt er Zijn troon op, en maakt het tot de woonplaats Zijns Geestes.