Psalm 22:23-32
Hij, die de psalm begon met klachten en dat was niemand anders dan Christus in Zijn vernedering eindigt hem hier met gejuich, en dat kan niemand anders wezen dan Christus in Zijn verhoging. En gelijk de eerste woorden van de klacht door Christus werden gebruikt aan het kruis, zo zijn de eerste woorden van de triomf uitdrukkelijk op Hem toegepast, Hebreeën 2:12, en tot Zijn eigen woorden gemaakt: "Uw naam zal ik aan mijn broeders verkondigen in het midden der" gemeente zal ik U lofzingen". Het zekere vooruitzicht, dat Christus had van de vreugde, die Hem was voorgesteld, gaf Hem niet alleen een bevredigend antwoord op Zijn gebeden, maar veranderde Zijn klachten in lofzangen, Hij zag van de arbeid van Zijn ziel, en was verzadigd, getuige het woord van triomf, waarmee Hij de laatste adem uitblies, Het is volbracht.
Er wordt hier gesproken van vijf dingen, welker beschouwing de voldoening en triomf was van Christus in Zijn lijden.
I. Dat Hij een kerk, een gemeente, zal hebben in de wereld, en dat zij, die Hem van eeuwigheid af gegeven waren, in de volheid van de tijd tot em vergaderd zullen worden. "Hij zal nakomelingen zien," wordt van Hem voorzegd in Jesaja 53, 10. Het was Hem lieflijk te denken:
1. Dat door de verkondiging van Gods naam, door de prediking van het eeuwig Evangelie in zijn volheid en zuiverheid, velen krachtdadig tot Hem geroepen zullen worden en door Hem tot God. En te die einde moeten leraren gebruikt worden, om deze leer aan de wereld te verkondigen, die zozeer Zijn boden en Zijn stem moeten zijn, dat hun doen ervan geacht zal worden Zijn doen te zijn, hun woord is Zijn woord, en door hen verkondigt Hij Gods naam.
2. Dat zij, die aldus geroepen worden, in zeer nauwe betrekking tot Hem worden gebracht als Zijn broeders want niet alleen schaamt Hij zich niet hen broeders te noemen, maar het behaagt Hem zeer dit te doen, niet alleen de gelovige Joden, Zijn landgenoten, maar ook diegenen van de heidenen, die medeërfgenamen zijn geworden en van hetzelfde lichaam, Hebreeën 2:11, Efeziers 3:6. Christus is onze oudste broeder, die voor ons zorgt, voorziening voor ons maakt, en verwacht dat onze begeerte naar Hem zijn zal en (dat wij zullen willen dat Hij Koning over ons zij.
3. Dat deze Zijn broeders verenigd zullen worden in een vergadering, een grote vergadering, dat is de algemene kerk, het gehele geslacht, dat uit Hem genoemd wordt, waarin al de kinderen Gods, die verstrooid waren, bijeen vergaderd worden, Johannes 1:1 : 52, Efeziers 1:10, en dat zij ook tot kleinere gezelschappen of verenigingen gevormd zullen worden, leden van dat grote lichaam, vele Godsdienstige vergaderingen ter aanbidding Gods.
4. Dat deze zullen geacht worden het zaad Jakobs en Israels te zijn, vers 23. Dat op hen, hoewel zij uit de heidenen zijn, de zegen van Abraham zal komen, Galaten 3:14, en dat voor hen de aanneming en de heerlijkheid en de verbonden en de dienst Gods kunnen zijn, evenzeer als die het ooit van het "Israël naar het vlees" geweest zijn, Romeinen 9:4, Hebreeën 8:10. De Evangeliekerk wordt "het Israël Gods" genoemd, Galaten 6:16.
II. Dat God in Hem door die kerk zeer geëerd en verheerlijkt zal worden. In geheel Zijn onderneming heeft Hij de heerlijkheid van zijn Vader op het oog gehad, Johannes 17:4, inzonderheid in Zijn lijden, waartoe Hij is ingegaan met deze plechtige bede: "Vader, verheerlijk Uw naam" Johannes 12:27, 28. Hij voorziet met welgevallen:
1. Dat God verheerlijkt zal worden door de kerk, die tot Hem vergaderd zal worden, en dat zij geroepen en bijeenvergaderd zal worden ten einde Gode te zijn tot een naam en tot een lof. Door Zijn dienstknechten zal Christus Gods naam verkondigen aan zijn broeders, als Gods mond bij hen, en dan door hen, als de mond van de gemeente bij God, zal Gods naam geprezen worden. Allen, die de Heere vrezen, zullen Hem loven, vers 24, namelijk allen, die waarlijk Israelieten zijn. Zie Psalm 118:2-4, 135:19, 20. Het werk van de Christenen is, inzonderheid in hun Godsdienstige bijeenkomsten, God te loven en te verheerlijken met heiligen eerbied en ontzag voor Zijn majesteit, en daarom worden zij, die hier geroepen worden om God te loven, geroepen om Hem te vrezen.
2. Dat God verheerlijkt zal worden in de Verlosser en in Zijn onderneming. Van Christus wordt gezegd dat Hij God zal loven in de gemeente, niet alleen omdat Hij het hoofd is van de vergaderingen, waarin God geprezen wordt, en de Middelaar van al de lof, die aan God geofferd wordt, maar ook omdat Hijzelf de gemeente voorgaat in lofzegging. Zie Efeziers 3:21. Al onze lof moet het werk van de verlossing tot middelpunt hebben, en zeer veel reden hebben wij om dankbaar te zijn:
a. Dat Jezus Christus erkend was in Zijn onderneming, door Zijn Vader erkend is geworden in weerwil van de vrees, die Hem soms bevangen heeft, dat Zijn Vader Hem had verlaten, vers 25 :Want Hij heeft niet veracht noch verfoeid de verdrukking van de verdrukten, dat is: van de lijdende Verlosser, maar haar genadiglijk aangenomen als een volkomen voldoening voor de zonde en als een waardige vergoeding, waarop de schenking van het eeuwige leven gegrond kon worden. Hoewel het geofferd werd voor ons, zondaren, heeft Hij het toch om onzentwil verfoeid noch veracht, noch Zijn aangezicht afgewend van Hem, die het offerde, zoals Saul toornig was op zijn eigen zoon omdat hij voor David tussenbeiden is getreden, die hij als zijn vijand beschouwde. Maar toen Hij tot Hem riep, toen Zijn bloed riep om vrede en vergeving voor ons, heeft Hij Hem verhoord. Gelijk dit nu de oorzaak is van onze blijdschap, zo behoort het ook de reden, de stof, te zijn van onze dankzegging. Zij, die gedacht hebben dat hun gebeden veronachtzaamd waren, onverhoord zijn gebleven, zullen, indien ze voortgaan met bidden en blijven wachten, bevinden, dat zij God niet tevergeefs hebben gezocht.
b. Dat Hij zelf zal voortgaan met Zijn onderneming en haar zal voltooien. Christus zegt: 1k zal mijne geloften betalen, vers 26. Op zich genomen hebbende om vele kinderen tot de heerlijkheid te leiden, zal Hij wat Hij op zich genomen heeft ook volbrengen en niemand uit hen verliezen.
III. Dat alle ootmoedige, Godvruchtige zielen volkomen voldoening en zaligheid in Hem zullen smaken, vers 27. Het heeft de Heere Jezus vertroost in Zijn lijden, dat alle ware gelovigen in en door Hem eeuwige vertroosting zullen hebben.
1. De armen van geest zullen rijk zijn in zegeningen, geestelijke zegeningen, de hongerigen zullen met goederen vervuld worden. Christus offerande aangenomen zijnde, zullen de heiligen aanzitten aan het offermaal, zoals zij onder de wet aanzaten aan de maaltijd van het dankoffer, en aldus delen met het altaar. De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden, eten van het brood des levens, zich voeden met de leer van Christus middelaarschap, die spijs en drank is voor de ziel, welke haar eigen natuur en haar toestand kent. Zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid in Christus, zullen hebben alles wat zij kunnen begeren om verzadigd te worden en rustig te zijn, en niet meer, zoals zij vroeger deden, arbeiden voor hetgeen niet verzadigen kan.
2. Zij, die veel bidden, zullen ook veel dankzegging doen, zij zullen de Heere prijzen die Hem zoeken, omdat zij door Christus zeker zijn van Hem te zullen vinden, in de hoop waarvan zij reden hebben om Hem te loven, zelfs terwijl zij Hem nog zoeken, en hoe ernstiger zij zijn in het zoeken van Hem, hoe meer hun hart verruimd zal zijn in Zijn lof als zij Hem gevonden hebben.
3. De zielen, die Hem zijn toegewijd, zullen voor eeuwig gelukzalig bij Hem zijn: "Ulieder hart zal in eeuwigheid leven. Het hart van u die zachtmoedig zijt, die voldoening smaakt in Christus, die voortgaat met God te zoeken wat er ook moge worden van uw lichaam ulieder hart zal in eeuwigheid leven, uw genade en vertroostingen zullen volmaakt worden in het eeuwige leven. Christus heeft gezegd: "Omdat Ik leef, zult ook gij leven," Johannes 14:19, en daarom zal dat leven even zeker en even lang wezen als het Zijne."
IV. Dat de kerk van Christus, en daarmee het koninkrijk Gods onder de mensen, zich zal uitbreiden naar alle hoeken van de aarde en alle soorten van mensen in zich zal opnemen.
1. Dat zij ver zal reiken, vers 28, 29. Dat terwijl de Joden gedurende lange tijd het enige belijdende volk van God was, thans al de einden van de aarde in de kerk, de gemeente, zullen komen, en, de middelmuur des afscheidsels gebroken zijnde, de heidenen zullen binnenkomen. Er wordt hier geprofeteerd:
A. Dat zij bekeerd zullen worden, zij zullen het gedenken en zich tot de Heere bekeren. Ernstig nadenken is de eerste stap en het is een zeer goede stap naar ware bekering. Wij moeten bedenken en terugkeren. De verloren zoon kwam eerst tot zichzelf, en toen tot zijn vader.
B. Dat zij dan toegelaten zullen worden om gemeenschap te hebben met God en met de vergaderingen, die Hem dienen, Zij "zullen voor Uw aangezicht aanbidden," want "aan alle plaatsen zal Zijn naam reukwerk toegebracht worden," Maleachi 1:11, Jesaja 66, 23. Zij, die zich tot God bekeren zullen er een gewetenszaak van maken, om voor Zijn aangezicht te aanbidden. En er is goede reden, waarom alle geslachten van de heidenen hulde zullen brengen aan God want het koninkrijk is des Heeren, vers 29, het Zijne, alleen het Zijne, van Hem alleen is de algemene monarchie.
a. Het rijk van de natuur is van de Heere JHWH, en Zijn voorzienigheid heerst onder de volken, en daarom zijn wij gehouden en verplicht Hem te aanbidden. Zodat het het doel is van de Christelijke Godsdienst om de natuurlijke Godsdienst te doen herleven, met zijn wetten en beginselen. Christus is gestorven om ons tot God te brengen, tot God, die ons gemaakt heeft, van wie wij zijn afgevallen, en ons tot onze oorspronkelijke trouw te doen terugkeren.
b. Het rijk van de genade is van de Heere Christus, en als Middelaar is Hij gesteld om te heersen onder de heidenen, hoofd te zijn over alles in Zijn gemeente. Zo laat dan iedere tong belijden dat Hij de Heere is. 2. Dat zij velen van verschillende rang zal insluiten, vers 30. Hoog en laag, dienstknecht en vrije, rijk en arm, ontmoeten elkaar in Christus.
a. Christus zal de hulde ontvangen van vele groten, zij, die de vetten zijn op de aarde, die leven in pracht en macht zullen eten en aanbidden, zelfs zij, die vrolijk en prachtig leven, zullen, als zij gegeten hebben en verzadigd zijn, de Heere, hun God, loven voor hun overvloed en voorspoed.
b. Ook de armen zullen Zijn Evangelie aannemen. Zij, die in het stof nederdalen, Psalm 113:7, die nauwelijks lichaam en ziel bij elkaar kunnen houden, zullen neerbuigen voor de Heere Jezus, die het Zijn eer acht om de Koning te zijn van de armen, Psalm 72:12, en wiens bescherming zeer bijzonder hun trouw en aanhankelijkheid opwekt. Het kan ook verstaan worden van stervende mensen in het algemeen, hetzij armen of rijken. Zie dan wat onze toestand is: wij dalen neer in het stof, waartoe wij veroordeeld waren, en waarin wij weldra ons bed zullen hebben te spreiden. Ook kunnen wij onze ziel niet in het leven behouden, wij kunnen ons natuurlijk leven niet verzekeren, noch kunnen wijzelf de werkers zijn van ons geestelijk en eeuwig leven. Daarom is het ons groot belang, zowel als onze plicht, om te bukken voor de Heere Jezus, ons aan Hem over te geven als Zijn onderdanen en aanbidders, want dat is het enige middel en het is een onfeilbaar middel om ons geluk te verzekeren als wij nederdalen in het stof. Daar wij onze eigen ziel niet in het leven kunnen houden, is het onze wijsheid om door een gehoorzaam geloof onze ziel aan Jezus Christus over te geven, die machtig is haar te behouden en haar voor eeuwig in het leven te houden.
V. Dat de kerk van Christus, en daarmee het koninkrijk Gods onder de mensen, door alle eeuwen van de tijd zal blijven bestaan. Het mensdom wordt in een opeenvolging van geslachten in stand gehouden, zodat er steeds een geslacht is, dat heengaat, en een ander, dat komt. Gelijk nu Christus eer zal hebben van het geslacht, dat heengaat en de wereld verrast vers 30, die in het stof nederdalen zullen voor Zijn aangezicht nederbukken, en het goed is te sterven, nederbukkende voor Christus, zalig zijn de doden, die aldus sterven in de Heere, zo zal Hij ook eer hebben van het geslacht, dat opkomt en uitgaat in de wereld, vers 31.
Merk op:
1. Een zaad zal Hem dienen, zal de plechtige aanbidding van Hem in stand houden, gehoorzaamheid belijden en bewijzen aan Hem als hun Meester en Heer. God zal tot aan het einde van de tijd een kerk in de wereld hebben en te dien einde zal er een opeenvolging zijn van belijdende Christenen en Evangeliedienaren van geslacht tot geslacht. Een zaad zal Hem dienen, er zal een overblijfsel zijn, gewijd aan de dienst van God, waaraan God genade zal geven om Hem te dienen, misschien wel niet het zaad van dezelfde personen, want genade is niet in het bloed, het zegt niet hun zaad, maar een zaad, vers 31, misschien slechts weinigen, maar toch genoeg om het erfdeel in wezen te houden.
2. Christus' erkenning van hen: het zal de Heere aangeschreven worden tot in geslachten, Hij zal dezelfde voor hen wezen als voor hen, die voorgegaan zijn, Zijn goedheid voor Zijn vrienden zal niet met hen sterven, maar zal uitgestrekt worden tot hun erfgenamen en opvolgers, en in plaats van de vaders zullen de kinderen zijn, die erkend zullen worden als "een zaad, dat de Heere gezegend heeft, " Jesaja 61:9, 65:23. Het geslacht van de rechtvaardigen zal God genadiglijk erkennen als Zijn schat, Zijn kinderen. 3. Hun werkzaamheid voor Hem, vers 32. Zij zullen aankomen, zij zullen opstaan in hun dag, niet alleen om de deugd van het voorbijgegane geslacht in stand te houden en het werk te doen van hun eigen tijd en geslacht, maar om de eer van Christus te dienen en het welzijn van de zielen van het toekomende geslacht, aan hetwelk zij het Evangelie van Christus, dat heilig pand, zuiver en ongeschonden zullen overleveren, aan het volk namelijk, dat later geboren zal worden, aan hen zullen zij twee dingen verkondigen
a. Dat er een eeuwige gerechtigheid is, die Jezus Christus heeft aangebracht. Deze gerechtigheid van Hem, maar generlei gerechtigheid van ons, is het, die zij zullen verkondigen als de grond van onze hoop en de bron van al onze vreugde. Zie Romeinen 1:16, 17.
b. Dat het werk onder verlossing door Christus des Heeren eigen doen is, en geen werk of bedenksel van ons. Wij moeten aan onze kinderen verhalen dat God dit gedaan heeft, het is Zijn wijsheid, die in dit werk gezien wordt het is Zijn arm, die er in geopenbaard is.
Bij het zingen hiervan moeten wij ons verblijden in de naam van Christus, als zijnde boven alle naam, en Hem eer geven, ons verheugen in de eer, die anderen Hem toebrengen, en in de zekerheid, die we hebben. dat er een volk zal zijn, dat Hem looft op de aarde als wij Hem zullen loven in de hemel.