Romeinen 1:16-18
Paulus begint hier een uitgebreide behandeling van de rechtvaardigmaking, in het tweede deel van dit hoofdstuk geeft hij zijne stelling en laat daarop, om die te bewijzen ene beschrijving volgen van den betreurenswaardigen toestand van de heidenwereld. Zijn overgang daartoe is zeer schoon en redekunstig. Hij was volvaardig om het Evangelie te Rome te verkondigen, ofschoon dat een plaats was waar het Evangelie vertreden werd door hen die zich wijzen noemden, want, zegt hij, ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus, vers 16. Er is veel in het Evangelie, dat een man als Paulus in verzoeking brengen kon, zich er voor te schamen, voornamelijk dat Hij, wiens Evangelie het is, een kruiseling was, dat de leer van dat Evangelie zeer eenvoudig was en weinig had waardoor het geschikt was om aan geleerden ter behandeling gegeven te worden, dat de belijders gering en veracht waren en overal tegengesproken werden, maar toch was Paulus er niet beschaamd voor het te belijden. Hij is waarlijk een Christen, die er zich niet voor schaamt en het ook geen schande aandoet. De reden voor deze vrijmoedige belijdenis, ontleend aan den aard en de voortreffelijkheid van het Evangelie, is de aanvang van zijn behandeling.
I. De voorstelling, vers 16, 17. De voortreffelijkheid van het Evangelie ligt in hetgeen het ons openbaart.
1. Het doel is de zaligheid van hen die er in geloven. Het is ene kracht Gods tot zaligheid. Paulus schaamt zich voor het Evangelie niet, hoe gering en verachtelijk het zich ook moge voordoen voor het vleselijk oog, want de kracht Gods werkt er door de zaligheid van allen die geloven, het wijst ons den weg der zaligheid, Handelingen 16:17, en het is de grote vrijbrief waardoor de zaligheid ons toegezegd en geschonken is. Maar:
A. Het is door de kracht Gods, zonder die kracht is het Evangelie slechts een dode letter, de openbaring van het Evangelie is de openbaring van den arm des Heeren, Jesaja 53:1, gelijk er kracht was bij het woord van Christus om gezond te maken.
B. Het is voor hen, en voor hen alleen, die geloven. Het geloof geeft ons deel aan de zaligmaking des Evangelies, voor wie niet geloven is die verborgen. Het toebereide geneesmiddel zal den lijder niet redden indien hij het niet gebruikt. -Eerst den Jood. Zowel door Christus als door Zijne apostelen werd het eerst het aanbod gedaan aan de verloren scha- en van het huis Israël's. U eerst, Handelingen 3:26, maar na hun weigering keerden de apostelen zich tot de heidenen, Handelingen 13:46. Joden en heidenen staan nu gelijk, beiden even ellendig zonder Zaligmaker, en beiden even welkom voor den Zaligmaker, Colossenzen 3:11. Zulk een leer was verrassend voor de Joden, die totnogtoe het uitverkoren volk geweest waren en vol toorn op de heidenwereld neerzagen, maar de langverwachte Messias toont te zijn een licht tot verlichting der heidenen, zo goed als de heerlijkheid van Zijn volk Israël.
2. De rechtvaardigmaking der gelovigen als de weg, vers 17. Want in hetzelve, dat is in dit Evangelie, waarop Paulus zo roemt: wordt de rechtvaardigheid Gods geopenbaard. Onze ellende en ondergang zijn het gevolg, het voortbrengsel van onze onreinheid, dus hetgeen ons den weg tot zaligheid zal tonen moet noodzakelijk de weg tot rechtvaardigmaking zijn, en dat is met het Evangelie het geval. Het Evangelie leert ons ene rechtvaardigheid kennen. Omdat God een rechtvaardig en heilig God is en wij schuldige zondaren zijn, is het noodzakelijk dat wij ene rechtvaardigheid bezitten, waarin wij voor Hem kunnen verschijnen. En, geloofd zij God, er is zulk een rechtvaardigheid aangebracht in vorst Messias, Daniël 9:24, en geopenbaard in het Evangelie, een rechtvaardigheid, een genadig middel van verzoening en aanneming, niettegenstaande de schuld van onze zonden. Deze evangelische rechtvaardigheid:
A. Wordt genoemd de rechtvaardigheid Gods, zij werd door God aangewezen, door God goedgekeurd en aangenomen. Zij wordt zo genoemd om alle voorwendsel af te snijden voor ene rechtvaardigheid, die het gevolg van onze eigen werken en verdiensten zou zijn. Zij is de rechtvaardigheid van Christus, die God is, en spruit voort uit ene voldoening van oneindige waarde.
B. Zij wordt gezegd te zijn uit geloof tot geloof, dat is, volgens sommigen, uit het geloof (de trouw) van den zich openbarenden God tot het geloof van den ontvangenden mens, of volgens anderen, uit het geloof van afhankelijkheid van God en onmiddellijken omgang met Hem, gelijk Adam voor den val, tot het geloof van afhankelijkheid van een Middelaar, waardoor men met God in betrekking komt. Uit het eerste geloof, waardoor wij in een gerechtvaardigden staat worden geplaatst, tot het latere geloof, waardoor wij leven en in dien staat blijven. En het geloof, dat ons rechtvaardigt, is niet anders dan het aannemen van Christus als onzen Zaligmaker, waardoor wij ware Christenen worden, overeenkomstig den inhoud van het verbond des doops, uit het geloof, dat ons in Christus inent tot het geloof dat uit Hem als den wortel kracht trekt. Dat alles is begrepen in de volgende woorden: De rechtvaardige zal uit het geloof leven. Rechtvaardig door het geloof, dus het geloof rechtvaardigt ons, leven door het geloof, derhalve het geloof onderhoudt ons, en daarom is er ene rechtvaardigheid uit geloof tot geloof. Het geloof is alles in alles, zowel in den aanvang als in het vervolg van het Christelijk leven. Het is niet uit geloof tot de werken, alsof het geloof ons plaatste in een staat van rechtvaardigheid, en daarna de werken ons daarin bewaarden en onderhielden, maar het is voortdurend uit geloof tot geloof, gelijk in 2 Corinthiërs 3:18 :van heerlijkheid tot heerlijkheid. Het is een toenemend, voortdurend, doordringend geloof, geloof dat voorwaarts gaat en grond wint op ongeloof. Om aan te tonen dat dit geen nieuw, pas-gevormd leerstuk is, haalt hij die beroemde plaats uit het Oude Testament aan, zo dikwijls genoemd in het Nieuwe, Habakuk 2:4 : De rechtvaardige zal door het geloof leven. Zijnde gerechtvaardigd door het geloof zal hij door het geloof leven, beide het leven van genade en dat van heerlijkheid. De profeet heeft zich daar op zijn wachttoren gesteld, in afwachting van enige buitengewone ontdekkingen, vers 1. En de ontdekking was de zekerheid der verschijning van den beloofden Messias, in de volheid des tijds, niettegenstaande enig schijnbaar uitstel. Dit wordt het gezicht genoemd, ter wille van de voortreffelijkheid, zoals het elders de belofte heet, en gedurende den tijd dat het aanstaande is, zowel nadat het vervuld is, zal de rechtvaardige door het geloof leven. Zo is de evangelische rechtvaardigheid uit geloof tot geloof-uit het Oud-Testamentische geloof in een Christus die komen zou tot het Nieuw-Testamentische geloof in een Christus die reeds gekomen is.
II. Het bewijs van deze stelling, dat beide Joden en Heidenen behoefte hebben aan ene rechtvaardigheid, waarin zij voor God kunnen verschijnen, en dat zomin de een als de ander iets in zich zelven heeft om op te pleiten. Rechtvaardigmaking moet komen hetzij door geloof hetzij door de werken. Door de werken kan het niet, hetgeen hij in den brede bewijst door een beschrijving der werken beiden van Joden en Heidenen, en daaruit besluit hij dat het door het geloof geschieden moet, Hoofdstuk 3:20, 28. Als een bekwaam heelmeester onderzoekt de apostel de wonde, alvorens er den pleister op te leggen, hij tracht eerst te overtuigen van zonde en ellende en wijst daarna den weg ter verlossing aan. Daardoor wordt het Evangelie des te meer welkom. Wij moeten eerst zien dat de rechtvaardigheid van God ons veroordeelt en dan zal de rechtvaardigheid van den rechtvaardig makenden God verschijnen als aller aanneming waardig. In het algemeen, vers 18 :de toorn Gods wordt geopenbaard. Het licht der natuur en het licht der wet openbaren den toorn Gods over zonde tot zonde. Het is gezegend voor ons dat het Evangelie de rechtvaardig makende rechtvaardigheid Gods openbaart uit geloof tot geloof. De tegenstelling ligt voor de hand. Zij is:
1. De zondigheid van den mens wordt beschreven, saamgevat onder twee hoofden: godloosheid en ongerechtigheid. Godloosheid tegen de eerste tafel der wet, ongerechtigheid tegen de tweede tafel.
2. De oorzaak van deze zondigheid is: zij houden de waarheid in ongerechtigheid ten onder. Zij hadden sommige algemene begrippen, sommige denkbeelden over het wezen Gods en het onderscheid tussen goed en kwaad, maar zij hielden die ten onder in ongerechtigheid, dat is: zij kenden en beleden die terwijl zij voortgingen in hun boze wegen. Zij hielden de waarheid als een overwonnene, als een gevangene, die geen invloed op hen mocht uitoefenen zoals zij anders zou gedaan hebben. Een ongerechtig, godloos hart is gelijk een kerker, waarin menige goede waarheid wordt gevangen gehouden en begraven. Het voorbeeld der gezonde woorden in geloof en liefde te houden is de wortel van allen godsdienst, 2 Timotheus 1:13, maar de waarheid onderhouden in ongerechtigheid is de wortel van alle zonden.
3. Het ongenoegen van God daarover. De toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel, niet alleen door het geschreven Woord, dat door de inspiratie des Geestes werd gegeven, dát hadden de heidenen niet, maar in de voorzienigheid Gods, in Zijn oordelen aan de zondaren voltrokken, die niet zo vanzelf komen, of bij toeval geschieden, en niet aan tweede oorzaken toegeschreven moeten worden, maar een openbaring van den hemel zijn. Of: de toorn van den hemel wordt geopenbaard, het is niet een toorn van een mens gelijk wij zelven zijn, maar toorn van den hemel, en daarom des te verschrikkelijker en onontkomelijk.