2 Samuël 15:24-30
I. Hier is de trouw van de priesters en Levieten en hun standvastig aankleven aan David en zijn zaak. Zij kenden Davids grote liefde voor hen en hun ambt in weerwil van zijn gebreken. Absaloms methode om de genegenheid des volks te winnen, had op hen geen invloed, in hem was weinig Godsdienstzin en daarom hielden zij standvastig Davids zijde. Zadok en Abjathar en al de Levieten zullen, als hij heengaat, met hem gaan en de ark medenemen, opdat zij er God door kunnen raadplegen voor hem, vers 24. Zij, die vrienden van de ark zijn in hun voorspoed, zullen bevinden dat zij een vriendin voor hen is in tegenspoed. Vroeger kon David niet rusten voor hij een rustplaats had gevonden voor de ark, en nu zal indien de priesters hun zin hebben, de ark niet rusten voordat David tot zijn rust is wedergekeerd.
II. David zendt hen terug naar de stad, vers 25, 26. Abjathar was hogepriester, 1 Koningen 2:35, maar Zadok was zijn helper en deed meest dienst bij de ark, terwijl Abjathar zich met de openbare zaken bezighield, vers 24. Daarom richt David zijn rede tot Zadok en het is een zeer voortreffelijke rede, waaruit blijkt dat hij in een zeer goede gemoedsstemming is onder zijn beproeving, en nog vasthoudt aan zijn oprechtheid.
1. Hij is zeer bezorgd voor de veiligheid van de ark. " Breng haar vooral weer in de stad. Laat haar niet met mij omzwerven en aan gevaar zijn blootgesteld, breng haar terug in de tent, die voor haar gespannen is. Hoe slecht Absalom ook is, haar zal hij toch zeker geen kwaad doen". Davids hart, evenals het hart van Eli, beefde vanwege de ark Gods. Het toont een goed beginsel, als wij meer bezorgd zijn voor het welzijn van de kerk dan voor ons eigen welzijn, "Jeruzalem verheffen boven het hoogste van onze blijdschap," Psalm 137:6, de voorspoed van het Evangelie en de bloei van de kerk boven onze eigen rijkdom, onze eer en onze veiligheid, zelfs als die het meest in gevaar zijn.
2. Hij is zeer verlangend om wederom de voorrechten te genieten van Gods huis. Hij zal het als de grootste gunst van God jegens hem beschouwen, als hij nog eens teruggebracht wordt om het huis Gods, Zijn heilige woning weer te aanschouwen, dat zal hem grotere vreugde wezen dan om naar zijn eigen paleis en op zijn troon teruggebracht te worden. Godvruchtige personen meten hun genoegen en gerieflijkheid in deze wereld af naar de gelegenheid, die zij er door hebben, om gemeenschap te oefenen met God. Hizkia verlangt naar het herstel van zijn gezondheid, om "ten huize des Heren te kunnen opgaan," Jesaja 38:22.
3. Hij is zeer onderworpen aan de heilige wil van God betreffende de uitkomst van deze zo zware beproeving. Hij hoopt het beste, vers 25, hoopt het van de gunst van God, waarop hij ziet als de bron van alle goed. "Indien God mij in zoverre gunst verleent, dan zal ik weer evenals tevoren gevestigd zijn", maar hij voorziet het ergste. "Indien Hij mij deze gunst ontzegt, indien Hij zegt: Ik heb geen lust tot u -ik weet dat ik het voortduren van Zijn misnoegen verdiend heb-Zijn heilige wil geschiede." Zie hem hier wachtende op de uitkomst. Zie, hier ben ik, als een dienstknecht, wachtende op orders, en zie hem bereid om zich aan Gods wil te onderwerpen. "Hij doe mij zoals het in Zijn ogen goed is, ik heb er niets tegen in te brengen, wat God doet is wel gedaan". Zie met welk een voldoening en heilig welbehagen hij van de Goddelijke beschikking spreekt, niet slechts: "Hij kan doen wat Hij wil", zich onderwerpende aan Zijn macht, Job 9-12, of "Hij zal doen wat Hij wil", zich onderwerpende aan Zijn onveranderlijkheid, Job 23:13, 15, maar: Hij doe wat Hij wil, zich onderwerpende aan Zijn wijsheid en goedheid. Het is zowel ons belang als onze plicht om blijmoedig te berusten in de wil van God bij alles wat ons overkomt. Laat ons, teneinde niet te klagen over hetgeen is, de hand Gods zien in alle gebeurtenissen, en teneinde niet te vrezen voor hetgeen zijn zal, alle gebeurtenissen in Gods hand zien.
III. Davids vertrouwen in de priesters, dat zij in zijn afwezigheid zijn belangen zullen voorstaan zoveel zij slechts kunnen. Hij noemt Zadok een ziener, vers 27, dat is: een wijs man, een man, die een blik heeft in zaken, tijden en gelegenheden kan onderscheiden: "Gij hebt uw ogen in uw hoofd, Prediker 2:14, en daarom zijt bekwaam om mij dienst te doen, inzonderheid door mij bericht te zenden van de bewegingen en besluiten des vijands". Een vriend, die een ziener is, is in zo'n nood twintig waard, die niet zo goed zien. Om een geheime verstandhouding vast te stellen met de priesters gedurende zijn afwezigheid, bepaalt hij:
1. Wie zij tot hem zullen zenden: hun twee zonen, Ahimaaz en Jonathan, wier gewaad, naar te hopen was, hun bescherming zou zijn, en van wier wijsheid en trouw hij waarschijnlijk ondervinding had.
2. Waarheen zij hem zullen zenden. Hij zal vertoeven in de vlakke velden van de woestijn, totdat hij van hen zal horen, vers 28, en dan zal hij zijn bewegingen richten naar de inlichting en de raad, die zij hem zullen geven. Hierop keerden zij terug naar de stad om de gebeurtenissen af te wachten. Het was droevig dat er stoornis zou komen in zo'n gelukkige toestand als deze was, nu de vorst en de priesters zo'n volkomen genegenheid hadden voor en zulk een volkomen vertrouwen in elkaar.
IV. De treurige houding, die David en zijn mannen aannamen, toen zij bij de aanvang van hun tocht door de opgang van de olijven gingen, vers 30.
1. David zelf, als een rouwdragende, bedekte zijn hoofd en zijn gelaat van schaamte en blozen, ging barrevoets als een gevangene of een slaaf en tot vernedering, en ging al wenende. Betaamde het een man van zijn hoedanigheid, vermaard als hij was om zijn kloekmoedigheid en grootheid van ziel, om aldus te wenen als een kind, alleen uit vrees voor een vijand in de verte, die hij gemakkelijk het hoofd kon bieden, hem misschien met een enkele stoute aanval had kunnen verslaan? Ja, het kan niet onvoegzaam in hem genoemd worden, in aanmerking genomen dat er in dit zijn verdriet:
a. Zoveel onvriendelijkheid was van zijn zoon. Hij kon slechts wenen bij de gedachte dat iemand, die uit hem was voortgekomen, zo dikwijls in zijn armen heeft gelegen, aldus de verzenen tegen hem zou opheffen. God zelf wordt gezegd smart te hebben van de rebellie van Zijn kinderen, verdriet aan hen te hebben Psalm 95:10, en zelfs "verbroken te zijn door hun hoerachtig hart," Ezechiël 6:9.
b. Er was veel in van Gods misnoegen, dit mengde alsem en gal in zijn ellende, Klaagliederen 3:19. Zijn zonde was steeds voor hem, Psalm 51:5, maar nooit zo duidelijk, nooit zo in al haar afschuwelijkheid als nu. Hij heeft nooit zo geweend als Saul hem vervolgde, maar een gewonde consciëntie maakt, dat het verdriet zwaar drukt, Psalm 38:5.
2. Toen David weende, hebben ook allen, die hem vergezelden, geweend, daar zij zeer bewogen waren door zijn smart, en er gaarne in wilden delen. Het is onze plicht om te wenen met de wenenden, inzonderheid met onze meerderen en met hen die beter zijn dan wij, want zo dit aan het groene hout geschiedt, wat zal aan het dorre geschieden? Wij moeten wenen met hen, die wenen om de zonde. Toen Hizkia zich verootmoedigd heeft om zijn zonde, heeft geheel Jeruzalem zich met hem verenigd, 2 Kronieken 32:26. Laat ons, om niet te lijden met de zondaren, met hen treuren en wenen.