Psalm 18:21-29
1. David denkt hier met vertroosting aan zijn oprechtheid, en verheugt zich in het getuigenis van zijn geweten, dat hij in Godvruchtige oprechtheid had gewandeld en niet in vleselijke wijsheid, :. Zijn verlossingen waren een bewijs hiervan, en dit was de grote troost van zijn verlossingen. Zijn vijanden hadden hem verkeerd voorgesteld en misschien begon hij, toen zijn moeilijkheden lang aanhielden, zichzelf te wantrouwen, maar toen God blijkbaar zijn partij koos, had hij beide de eer en de vertroosting van zijn gerechtigheid.
A. Zijn verlossingen stelden zijn onschuld in het licht voor de mensen en spraken hem vrij van de misdaden, waarvan hij valselijk was beschuldigd. Dit noemt hij hem vergelden naar zijn gerechtigheid, vers 21, 25, uitspraak doende in de twistzaak tussen hem en zijn vijanden naar het rechtvaardige zijner zaak en de reinheid zijner handen, van het verraad en de rebellie, die hem ten laste waren gelegd. Hij had zich betreffende zijn onschuld dikwijls op God beroepen, en nu had God uitspraak gedaan in dat beroep, naar recht en billijkheid, gelijk Hij dat altijd doen zal.
B. Zij bevestigden het getuigenis van zijn eigen geweten voor hem, dat hij hier met grote blijdschap beschouwt en nagaat, vers 22-24. Zijn eigen hart weet en is bereid te getuigen:
a. Dat hij zich standvastig aan zijn plicht heeft gehouden en dat hij van zijn God niet is afgegaan, niet goddeloos, niet moedwillig van Hem was afgegaan. Zij die de wegen des Heeren verlaten, gaan in werkelijkheid af van hun God, en het is zeer goddeloos dit te doen. Maar hoewel wij ons van menige struikeling bewust zijn, ons er van bewust zijn menige valse of verkeerde stap gedaan te hebben zal dit toch, als wij door berouw weer tot onszelf komen en dan voortgaan op de weg van onze plicht, niet gehouden worden voor een afgaan van God, het is geen goddeloze moedwillige verlating van onze God.
b. Dat hij het oog had gehouden op de regel van Gods geboden, vers 23. Al Zijn rechten waren voor mij, ik heb op allen acht gegeven er geen van geminacht als onbeduidend, in geen er van tegenzin gehad als hard, maar er mij op toegelegd om naar allen te leven, mij naar allen te gedragen. Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg, niet buiten mijn gezicht, maar steeds heb ik er mijn oog op gehouden, en heb niet gedaan zoals zij, die, omdat zij de wegen des Heeren wilden verlaten, de kennis dier wegen niet begeerden.
c. Dat hij zich gewacht heeft voor zijn ongerechtigheden, en zich daardoor oprecht had betoond voor God. Een voortdurende zorg om af te laten van de zonde waarin die dan ook moge bestaan die ons het meest lichtelijk omringt en er de gewoonte van te vernietigen, zal een goed bewijs voor ons wezen dat wij oprecht zijn voor God. Gelijk Davids uitreddingen zijn oprechtheid in het licht stelden, zo heeft Christus' verhoging de Zijn voor aller ogen geopenbaard, en voor altijd de smaad weggenomen, die op Hem geworpen was, en daarom wordt Hij gezegd gerechtvaardigd te zijn in de Geest, 1 Timotheus 3:16.
2. Hij neemt daaruit aanleiding om de regelen aan te tonen van Gods goede regeringen van Zijn oordeel, opdat wij zouden weten niet alleen wat God van ons verwacht, maar ook wat wij kunnen verwachten van Hem, vers 26, 27.. a. Zij, die goedertierenheid betonen aan anderen (ook zij hebben genade nodig en kunnen niet steunen op de verdienste van hun werken der barmhartigheid), zullen goedertierenheid van God ondervinden, Mattheus 5:7.
b. Zij, die getrouw zijn aan hun verbond met God en in de betrekking, waarin zij tot Hem staan, zullen Hem al datgene voor hen bevinden, wat Hij beloofd heeft voor hen te zijn. Overal waar God een oprecht mens vindt zal Hij een oprecht God worden bevonden.
c. Zij, die God dienen met een rein geweten, zullen bevinden dat de woorden des Heeren reine woorden zijn, waarop gerust staat gemaakt kan worden en die zeer lieflijk zijn om er zich in te verlustigen.
d. Zij, die God weerstaan en in tegenheid met Hem wandelen zullen bevinden dat Hij hen zal weerstaan, en in tegenheid met hen zal wandelen, Leviticus 26:21, 24.
3. Vandaar dat hij van troost spreekt tot de nederiger. "Gij verlost bedekt volk, dat verongelijkt wordt en het geduldig verdraagt." Maar hij spreekt van verschrikking tot de hoogmoedigen. "De hoge ogen vernedert Gij, hen, die naar hoogheid staan, grote verwachtingen hebben voor henzelf, en met spot en verachting neerzien op de armen en Godvruchtigen." En tot zichzelf spreekt hij van bemoediging: "Gij doet mijn lamp lichten, Gij zult mijn teneergeslagen ziel vertroosten en verlevendigen, en mij niet neerslachtig laten blijven, Gij zult mij opheffen uit mijn ellende en mij weer tot vrede en voorspoed doen komen, Gij zult mijn eer, die nu omfloerst is, weer helder doen schitteren, Gij zult mij leiden op de weg en hem effen voor mij maken opdat ik de strikken vermijde, die voor mij gelegd zijn. Gij doet mijn lamp lichten, opdat ik er bij zien moge om te werken, en om mij de gelegenheid te geven om U en de belangen van Uw koninkrijk onder de mensen te dienen."
Laat hen, die in duisternis wandelen en arbeiden temidden van veel ontmoediging, bij het zingen van deze verzen zich bemoedigen in het vertrouwen, dat God zelf hun een licht zal wezen.