1 Timotheus 3:14-16
Hij besluit dit hoofdstuk met een bijzondere aanwijzing voor Timotheus. Hij hoopte binnenkort te komen, om hem verder bestuur en bijstand in zijn werk te geven, en te zien of het Christendom wortel schoot onder de Efeziërs, en daarom schreef hij nu slechts beknopt. Maar hij schreef voor het geval hij vertoefde, opdat Timotheus mocht weten hoe men in het huis Gods moet verkeren, hoe hij zich als evangelist en helper van den apostel had te gedragen. Merk hier op:
I. Zij, die in het huis Gods aangesteld zijn, moeten toezien dat zij zich wel gedragen, anders brengen zij verachting over het huis Gods en over den waardigen naam, waarmee zij genoemd worden. Dienaren behoren zich goed te gedragen en niet enkel toe te zien op hun gebed en prediking, maar ook op hun gedrag, hun dienst verplicht hen tot een goed gedrag, want in dit geval is niets dan het beste goed. Timotheus moest weten hoe hij zich moest gedragen, niet alleen in de bijzondere gemeente, die hem nu aangewezen was om er enigen tijd te blijven, maar daar hij evangelist en des apostels plaatsvervanger was, moest hij leren hoe hij ook in andere gemeenten moest verkeren, waar hij op dezelfde wijze voor enigen tijd zou heengezonden worden. En dus is het niet de gemeente te Efeze, maar de algemene kerk, die hier genoemd wordt het huis Gods, hetwelk is de gemeente des levenden Gods.
1. God is de levende God, Hij is de fontein des levens, Hij is het leven zelf, en Hij geeft het leven, den adem, en alle dingen aan alle schepselen, in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, Handelingen 17:25, 28.
2. De gemeente is het huis Gods, Hij woont daar, de Heere heeft Zion verkoren om aldaar te wonen. "Deze is Mijne rust, hier zal Ik wonen, want Ik heb haar verkoren." Daar mogen wij Gods sterkte en eer zien, Psalm 63:3.
II. Het is de grote steun van de gemeente, dat zij is de gemeente des levenden Gods, van den waarachtigen God in tegenstelling met de valse goden, de stomme en dode afgoden.
1. Wat de gemeente Gods betreft: die is een pilaar en vastigheid der waarheid.
A. De gemeente zelf is de pilaar en vastigheid der waarheid. Niet zo dat het gezag der Schrift rust op dat van de gemeente, zoals de Roomse Kerk leert, maar de waarheid is de pilaar en vastigheid van de gemeente, doch de gemeente houdt ons de Schrift en de leer van Christus voor, gelijk een pilaar waaraan een bekendmaking gehecht is, die bekendmaking voorhoudt. Opdat door de gemeente bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods, Efeze 3:10.
B. Anderen verstaan dit van Timotheus. Hij-niet hij op zichzelf- maar als evangelist, hij en de andere getrouwe dienaren, zijn pilaren en vastigheden der waarheid, het is hun werk die te handhaven, op te houden, bekend te maken, zij moeten de waarheid van Christus in de gemeente ophouden. Er wordt van de apostelen gezegd, dat zij geacht waren pilaren te zijn, Galaten 2:9.
a. Laat ons vlijtig en onpartijdig zijn in ons zoeken van de waarheid, laat ons tot elke prijs de waarheid kopen, en de moeite om haar te ontdekken geringschatten. b. Laat ons haar zorgvuldig vasthouden en bewaren. Koop de waarheid en verkoop haar niet, Spreuken 23:23, doe in geen geval hoegenaamd van haar afstand.
c. Laat ons zorg dragen dat wij haar bekendmaken, en haar onverminkt en veilig aan onze nakomelingschap overdragen.
d. Wanneer de gemeente ophoudt de pilaar en vastigheid der waarheid te zijn, mogen en moeten wij haar verlaten, want onze eerbied voor de waarheid moet groter zijn dan onze eer- bied voor de gemeente, wij zijn niet langer verplicht in de gemeente te blijven dan zolang zij de pilaar en vastigheid der waarheid blijft.
2. Maar wat is de waarheid, waarvan de gemeenten en de dienaren de pilaren en vastigheden zijn? Hij zegt ons, vers 16 :Buiten allen twijfel de verborgenheid der godzaligheid is groot. De geleerde Camero voegt dezen zin bij het voorgaande, en leest er dus dit uit: "De pilaar en vastigheid der waarheid en buiten allen twijfel groot is de verborgenheid der godzaligheid." Zo is deze verborgenheid de pilaar enz.
A. Het Christendom is ene verborgenheid, een verborgenheid, die niet kon uitgevonden worden bij het licht der rede, en niet door de rede kan worden begrepen, want het is hoger dan de rede, hoewel niet er mede in strijd. Het is een verborgenheid, niet van wijsbegeerte of bespiegeling, maar van godzaligheid, bestemd om godzaligheid te bevorderen, en daarin overtreft het al de verborgenheden van de heidenen. Het is ook een geopenbaarde verborgenheid, niet gesloten en verzegeld, toch houdt het niet op ene verborgenheid te zijn omdat het nu ten dele geopenbaard is. Maar:
B. Wat is de verborgenheid der godzaligheid? Dat is Christus, en hier zijn zes dingen betreffende Christus, die de verborgenheid der godzaligheid uitmaken.
a. Hij is God geopenbaard in het vlees. Dat bewijst, dat Hij God is, het eeuwige Woord, dat vlees geworden is en in het vlees geopenbaard werd. Toen God zich aan de mensen wilde openbaren, behaagde het Hem zich te openbaren in de vleeswording van Zijn eigen Zoon. Het Woord is vlees geworden, Johannes 1:14.
b. Hij is gerechtvaardigd in den Geest. Nadat Hij als een zondaar verlaagd was en als een misdadiger ter dood gebracht, werd Hij door den Geest opgewekt en daardoor gerechtvaardigd van al de lasteringen, waarmee Hij was beladen. Hij was zonde gemaakt voor ons, en overgeleverd om onze overtredingen, maar, door Zijne opwekking werd Hij gerechtvaardigd in den Geest, dat is daardoor kwam aan het licht dat Zijn offer aangenomen was, en dus verrees Hij tot onze rechtvaardigmaking, gelijk Hij om onze zonden overgeleverd was, Romeinen 4:25. Hij was gedood in het vlees, maar levendgemaakt door den Geest, 1 Petrus 3:18.
c. Hij is gezien van de engelen. Zij aanbaden Hem, Hebreeën 1:6, zij waren tegenwoordig bij Zijne vleeswording, bij Zijne verzoeking, bij Zijn doodsangst, bij Zijn sterven, bij Zijne opstanding, bij Zijn hemelvaart. Dat verhoogt Zijne eer, en toont welke heerlijke plaats Hij bekleedde in de hogere wereld, dat de engelen Hem dienden, omdat Hij de Heere der engelen is. d. Hij is gepredikt onder de heidenen. Dat is een groot deel van de verborgenheid der godzaligheid, dat Christus aan de heidenen als Verlosser en Zaligmaker aangeboden is, dat nu, daar de zaligheid uit de Joden is, de middelmuur des afscheidsels gebroken is en de heidenen ook toegelaten zijn geworden. Ik heb u gesteld tot een licht voor de heidenen, Handelingen 13:47.
e. Hij is geloofd in de wereld. Hij werd dus niet tevergeefs verkondigd. Velen van de heidenen namen het Evangelie aan, dat de Joden verwierpen. Wie zou gedacht hebben dat de wereld, die in het boze lag, zou geloven in den Zoon van God, Hem, die te Jeruzalem gekruisigd was, als haar Zaligmaker zou aannemen? Maar niettegenstaande al haar vooroordelen, geloofde zij in Hem.
f. Hij is opgenomen in heerlijkheid, door Zijne hemelvaart. Dit gebeurde in werkelijkheid voor Hij geloofd werd in de wereld, maar het wordt het laatste genoemd omdat het de kroon zette op Zijne verhoging, en ook omdat niet alleen Zijne hemelvaart bedoeld wordt, maar ook Zijn gezeten-zijn aan de rechterhand Gods, waar Hij eeuwig leeft, voor ons tussen treedt en alle macht in hemel en op aarde heeft. En ook omdat gedurende den afval, waarover Paulus in het volgende hoofdstuk handelt, Zijn verblijf in den hemel zou ontkend worden door hen, die voorgaven Hem van den hemel op hun altaren neer te brengen in hun geheiligde ouwels. Merk hier op: Ten eerste: Hij, die in het vlees is geopenbaard, was God, werkelijk en waarachtig God, God van nature en niet alleen door Zijne bediening, want dat maakt het ene verborgenheid. Ten tweede: God is geopenbaard in het vlees, in werkelijk vlees. Aangezien de kinderen des vlezes en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij dezelve mede deelachtig geworden, Hebreeën 2:14. En wat nog verwonderlijker is: Hij is vlees geworden, nadat alle vlees Zijn weg verdorven had, en toch was Hij heilig van de baarmoeder aan. Ten derde: de godzaligheid is een verborgenheid in al haar delen en onderdelen, van het begin tot het eind, van Christus' vleeswording tot Zijn verhoging in heerlijkheid. Ten vierde: Aangezien zij een grote verborgenheid is, moeten wij haar nederig aanbidden en vromelijk geloven, niet nieuwsgierig doorzoeken, en ook niet al te beslist zijn in onze uitleggingen en beschouwingen, niet verder willen gaan dan de Schrift ons geopenbaard heeft.