Psalm 103:6-18
Tot nu toe heeft de psalmist slechts teruggezien op zijn eigen ervaringen, en daaraan stof ontleend voor zijn lof, nu ziet hij om zich heen en let ook op Gods gunsten jegens anderen, want in deze moeten wij ons verblijden en voor deze moeten wij dankzegging doen, al de heiligen worden gespijzigd aan dezelfde tafel en delen in dezelfde zegeningen.
I. God is waarlijk goed jegens allen, vers 6. Hij doet gerechtigheid en gerichten niet alleen aan Zijn eigen volk, maar al dengenen, die verdrukt worden, want zelfs in Zijn gewone voorzienigheid is Hij de beschermer van de verongelijkte onschuld, en op de ene of andere wijze zal Hij de zaak voorstaan van de benadeelden tegen hun verdrukkers. Het is Zijn eer de hovaardigen te vernederen en de hulpelozen te helpen.
II. Hij is op bijzondere wijze goed jegens Israël, jegens ieder, die waarlijk een Israëliet is, dat is: die rein en oprecht van hart is.
1. Hij heeft zich in Zijn genade aan ons geopenbaard, vers 7. Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt, en door hem, Zijn daden aan de kinderen Israëls, niet alleen door zijn straf aan hen, die toen leefden, maar door zijn daden in de navolgende eeuwen. Goddelijke openbaring is een van de grootste van de Goddelijke gunsten, waarmee de kerk gezegend is, want God brengt ons weer tot Hem door zich aan ons te openbaren, en geeft ons alle goed door ons kennis te geven. Hij heeft Zijn daden en Zijn wegen, Zijn aard en Zijn methoden van met de kinderen van de mensen te handelen bekend gemaakt, opdat zij zouden weten wat van Hem te begrijpen en te verwachten is, aldus Dr. Hammond. Of wel: door Zijn wegen kunnen wij Zijn geboden verstaan, de weg, waarop Hij wil dat wij zullen wandelen, en door Zijn daden, of voornemens, bedoelingen, dat de betekenis is van het woord, Zijn beloften en voornemens ten opzichte van hetgeen Hij met ons doen zal. Zo billijk handelt God met ons.
2. Hij is nooit hard en streng met ons geweest, maar altijd teder, vol van mededogen, en geheel bereid om ons te vergeven.
A. Het ligt in Zijn aard om dit te zijn, vers 8. Barmhartig en genadig is de Heere, dat was zijn weg, die Hij aan Mozes op de berg Horeb bekend heeft gemaakt, toen Hij aldus Zijn naam heeft uitgeroepen, Exodus 34:6-7 in antwoord op Mozes bede, Hoofdst. 33:"Ik bid, indien ik genade gevonden heb in Uwe ogen, zo laat mij mij Uwen weg weten, en ik zal U kennen." Het is Mijn weg, zegt God, om zonde te vergeven.
a. Hij is niet spoedig toornig, traag tot toorn, vers 8, niet uiterst gestreng om op te merken wat wij verkeerds doen, is niet terstond bereid om er ons voor te straffen. Hij heeft lang geduld met hen, die zeer tergend en zeer beledigend zijn, stelt het straffen uit teneinde ons tijd te geven om berouw te hebben en tot bekering te komen volvoert niet spoedig het vonnis van Zijn wet. Hij zou niet aldus lankmoedig, traag tot toorn kunnen wezen, indien Hij niet groot van goedertierenheid was, ja de Vader van de barmhartigheden was.
b. Hij is niet lang toornig, want, vers 9, Hij zal niet altoos twisten, hoewel wij altijd overtreden, en dus verdienen dat er met ons getwist wordt. Ofschoon Hij Zijn misnoegen tegen ons te kennen geeft wegens onze zonde door de bestraffingen van Zijn voorzienigheid en de verwijtingen van ons eigen geweten, en ons dus smart aandoet, zal Hij zich toch ontfermen en ons niet altijd in angst en smart houden, neen, zelfs niet wegens onze zonde, maar na de geest van de dienstbaarheid zal Hij, ons de geest van de aanneming geven. Hoe ongelijk zijn diegenen aan God, die altijd twisten, iedere gelegenheid te baat nemen om te twisten, en nooit van ophouden weten! Wat zou er van ons worden, indien God aldus met ons handelde? Hij zal niet eeuwiglijk de toorn behouden tegen Zijn eigen volk, maar hen met "eeuwige goedertierenheid" vergaderen, Jesaja 54:8, 57:16.
B. Wij hebben Hem aldus bevonden, wij, voor ons, moeten erkennen, dat Hij niet met ons gedaan heeft naar onze zonden, vers 10. De Schrift zegt zeer veel van de goedertierenheid Gods, en wij kunnen er ons zegel op zetten, dat het alles waar is, dat wij het ervaren hebben. Indien Hij geen lankmoedig God was, wij zouden reeds lang in de hel zijn, maar Hij heeft ons niet vergolden naar onze ongerechtigheden, dat zullen diegenen zeggen, die weten wat de zonde verdient. Hij heeft de oordelen niet over ons gebracht, die wij verdiend hebben, ons niet beroofd van de zegeningen en genietingen, die wij hadden verbeurd, hetgeen ons zoveel erger, niet zoveel beter, moet doen denken van de zonde, want "de goedertierenheid Gods moet ons tot bekering leiden," Romeinen 2:4.
3. Hij heeft onze zonden vergeven, niet alleen mijne ongerechtigheid, vers 3, maar onze overtredingen, vers 12. Wij nemen voor ons de vertroosting van Gods vergevende genade, bewezen aan onszelf, maar wij moeten Hem tevens eer en dankzegging toebrengen voor de genade, die Hij aan anderen bewijst.
Merk op:
a. De alles overtreffende rijkdom van Gods genade, vers 11. Zo hoog de hemel is boven de aarde, (zo hoog, dat de aarde slechts een stipje is in die grote ruimte) zo hoog is Gods goedertierenheid boven de verdiensten van hen, die Hem het meest vrezen, zo ver boven hen, dat er in het geheel geen evenredigheid daartussen bestaat. Het beste volbrengen van der mensen plicht kan geen het minste teken van Gods gunst eisen, als iets dat hun verschuldigd is, en daarom zal al het zaad van Jakob zich met hem verenigen om te erkennen "geringer te zijn dan de minste van Gods weldaden," Genesis 32:10.
Merk op: Gods goedertierenheid is aldus groot over degenen, die Hem vrezen, niet over degenen, die met Hem beuzelen. Wij moeten de Heere vrezen en Zijn goedheid.
b. De volheid van Zijn vergeving is een blijk van de rijkdom van Zijn genade, vers 12. Zo ver het oosten is van het westen, (de twee wereldstreken, die de grootste uitgegestrektheid hebben, omdat zij geheel bekend en bewoond zijn, weshalve de geografen van daar hun lengtegraden berekenen) zover heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan, zodat ze nooit tegen ons ingebracht zullen worden noch in het oordeel tegen ons zullen opstaan. De zonden van de gelovigen zullen niet meer gedacht worden, zullen niet voor hen genoemd worden, zij zullen gezocht, maar niet gevonden worden. Als wij ze volkomen nalaten, zal God ze volkomen vergeven.
4. Hij heeft medelijden met onze smarten vers 13, 14. Merk op:
a. Over wie Hij zich ontfermt: over degenen, die Hem vrezen, over alle Godvruchtigen, die in deze wereld voorwerpen kunnen worden van medelijden vanwege het leed, waartoe zij niet alleen geboren maar wedergeboren zijn. Of het kan verstaan worden van hen, die "de geest van de aanneming nog niet hebben ontvangen," maar nog beven voor Zijn Woord, over deze ontfermt Hij zich. Jeremia 31:18, 20.
b. Hoe Hij zich ontfermt, gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, en hun, naar het nodig is, goed doet. God is een Vader voor hen, die Hem vrezen, en erkent hen als Zijn kinderen, en als een vader is Hij teder jegens hen. De vader heeft medelijden met zijn kinderen, die zwak zijn in kennis, en onderricht hen, hij heeft medelijden met hen als zij ondeugend zijn, en verdraagt hen, heeft geduld met hen, Hij heeft medelijden met hen als zij ziek zijn, en vertroost hen, heeft medelijden met hen, als zij gevallen zijn, Jesaja 66:13 en richt hen weer op, heeft medelijden met hen als zij overtreden hebben, en vergeeft hun als zij berouw hebben, heeft medelijden met hen als hun onrecht wordt aangedaan, en verschaft hun recht alzo heeft de Heere medelijden met hen, die Hem vrezen, ontfermt Hij zich over hen.
c. Waarom Hij zich over hen ontfermt: omdat Hij weet wat maaksel zij zijn. Hij heeft alle reden om te weten wat maaksel wij zijn, want Hij heeft ons gemaakt, en zelf de mens gemaakt hebbende uit stof, gedenkt Hij dat het stof is, niet slechts naar zijn formering, maar ook naar het vonnis, dat over hem is uitgesproken: Stof zijt gij. Hij neemt de broosheid in aanmerking van ons lichaam, en de dwaasheid van onze ziel, hoe weinig wij kunnen doen, en dus verwacht Hij weinig van ons, hoe weinig wij kunnen dragen, en daarnaar regelt Hij dus wat Hij ons oplegt, en in dit alles blijkt de tederheid van Zijn mededogen.
5. Hij bestendigt Zijn genadeverbond, en hiermede heeft Hij hulp beschikt voor onze zwakheid, vers 15-18. Zie hier:
6. Hoe kort een mensenleven is, en van hoe onzekere duur. Zelfs het leven van grote en Godvruchtige mannen is dit, en noch hun grootheid noch hun Godsvrucht kan er de eigenschap van veranderen. De dagen des mensen zijn als het gras, dat uit de aarde groeit, er zich slechts een weinig boven verheft en spoedig verdort, en er dan weer toe terugkeert. Zie Jesaja 40:6,.
7. In zijn beste toestand schijnt de mens iets meer te zijn dan gras, hij bloeit en ziet er vrolijk uit, maar dan is hij slechts als een bloem des velds, die, hoewel een weinig onderscheiden van het gras, er toch mee zal verdorren. De bloem in de hof is gewoonlijk fraaier en kostbaarder, en hoewel het hare natuur is om te verdorren, zal ze toch, beschut zijnde door de tuinmuren door de zorg van de hovenier, een weinig langer duren, maar de bloem des velds (waarmee hier het leven vergeleken wordt) is niet alleen uit haar natuur verdorrende, maar ook blootgesteld aan koude windvlagen, en onderhevig om door de dieren des velds afgegeten of vertreden te worden. Des mensen leven wordt niet slechts vanzelf verteerd, maar zijn einde kan door duizenderlei voorvallen worden verhaast. Als de bloem prijkt in haar volle pracht, kan een vernielende rukwind onverwachts er over heengaan, en dan is zij niet meer, zij laat het hoofd hangen, laat de blaadjes vallen, verschrompelt, en haar plaats, die fier op haar was, kent haar niet meer. Zulk een ding is de mens, God neemt dit in aanmerking en heeft medelijden met hem, laat hem het zelf in aanmerking nemen en nederig wezen, van deze wereld afgestorven zijn, denken aan en verlangen naar een andere.
8. Hoe duurzaam Gods goedertierenheid is over Zijn volk, vers 17, 18, zij zal langer duren dan hun leven en hun tegenwoordige staat overleven.
Merk op:
a. De beschrijving van hen, over wie deze goedertierenheid is. Het zijn dezulken die God vrezen, in waarheid Godsdienstig zijn uit beginsel.
Ten eerste. Zij leiden een leven van geloof, want zij houden Gods verbond, het aangegrepen hebbende, houden zij het vast, en willen het niet loslaten. Zij houden het vast als een schat, houden het als hun deel, en zouden er voor niets ter wereld afstand van willen doen, want het is hun leven.
Ten tweede. Zij leiden een leven van gehoorzaamheid, zij denken aan Zijn bevelen om die te doen, want anders houden zij Zijn verbond niet. Alleen diegenen zullen het voordeel hebben van Gods beloften die het nauw nemen met Zijn bevelen. Zie wie zij zijn, die een goed geheugen hebben, zowel als een goed verstand Psalm 111:10, zij, die denken aan Gods geboden, niet om er van te spreken, maar om ze te doen, en om er zich door te laten regeren.
b. Het voortduren van de goedertierenheid over de zodanigen, zij zal langer duren dan hun leven op aarde, en daarom behoeven zij er zich niet om te bekommeren als hun leven op aarde kort is, daar toch de dood zelf hun gelukzaligheid niet zal verkorten, noch er een verbreking van zal zijn. Gods goedertierenheid is beter dan het leven, want Zij zal het overleven.
Ten eerste. Voor hun ziel, die onsterflijk is, voor deze is zij van eeuwigheid tot eeuwigheid van eeuwigheid in het raadsbesluit ervan, tot eeuwigheid in de gevolgen ervan, in hun uitverkiezing van voor de grondlegging van de wereld, en hun verheerlijking als deze wereld niet meer zijn zal, want zij zijn voorverordineerd voor het erfdeel, Efeziers 1:11, en verwachten de barmhartigheid Gods ten eeuwigen leven.
Ten tweede. Over hun zaad, dat bevestigd zal worden, Psalm 102:29. Dat de gerechtigheid, de trouw van Zijn belofte, zal zijn aan kindskinderen, mits zij in de voetstappen treden van de Godsvrucht hunner voorgangers en Zijn verbond houden, zoals deze het gehouden hebben, dan zal de goedertierenheid over hen bewaard blijven tot in het duizendste geslacht.