Psalm 33:1-11
In deze verzen geeft de psalmist vier dingen te kennen.
I. Zijn grote begeerte dat God geloofd zal worden. Hij heeft niet gedacht dat hij zelf dit werk zo goed deed, dat hij er geen anderen bij nodig had om het te doen. Neen, hoe meer, hoe beter, in dit concert, dan gelijkt het meer naar de hemel.
1. Heilige blijdschap is het hart en de ziel van de lof, en daarop wordt hier bij al de Godvruchtigen aangedrongen, vers 1 Gij rechtvaardigen, zingt vrolijk in de Heere, zo eindigde de vorige psalm, en zo begint deze; want al onze oefeningen van de Godsvrucht moeten beginnen en eindigen met een heilig welbehagen in God, een heilig roemen van Hem als het beste van alle wezens en de besten vriend.
2. Dankbare lof is de ademtocht en de taal van de heilige blijdschap, en ook die wordt hier van ons geëist, vers 2 Looft de Heere; spreekt goed van Hem en geeft Hem de eer Zijns naams."
3. Godsdienstige gezangen zijn de gepaste uitdrukkingen van dankbare lof, die worden hier geëist, vers 3 "Zingt Hem een nieuw lied; het beste, dat gij hebt niet dat, hetwelk door herhaald gebruik versleten is, maar dat hetwelk nieuw zijnde, zoveel eerder het hart zal treffen; een nieuw lied voor nieuwe zegeningen en bij iedere nieuwe gelegenheid, voor de goedertierenheden, die elke morgen nieuw zich." Naar de verordening van David werden de tempelzangen toen door muziekinstrumenten begeleid, ten einde beter gezongen te worden, en ook deze worden hier geëist, vers 2 Psalmzingt Hem met de luit en het tiensnarig instrument. Hier is:
a. Een goede regel voor die plicht; Speel wel, met vrolijk geschal; het moet het beste wezen van hoofd en hart; het moet gedaan worden met verstand en bekwaamheid, met een helder hoofd, met de liefde van een warm hart."
b. Een goede reden voor deze plicht, want lof betaamt de oprechten. Hij is welbehaaglijk aan God; het gewaad des lofs draagt veel bij tot de schoonheid, die God aan Zijn volk schenkt, en het is een uitnemend sieraad voor onze belijdenis; het betaamt de oprechten, op wie God zoveel eer gelegd heeft om Hem eer te geven. De oprechten loven God op sierlijke wijze, want zij loven Hem met hun hart, dat is: zij loven Hem met hun eer, terwijl de lof van de geveinsde onvoegzaam is, "als een spreuk in de mond van de zotten," Spreuken 26:7
II. De hoge gedachten, die hij had van God en van Zijn oneindige volmaaktheden, vers 4,5 God maakt zich aan ons bekend:
1. In Zijn Woord, hier genomen voor alle Goddelijke openbaring, alles wat God voorheen vele malen en op velerlei wijze tot de kinderen van de mensen gesproken heeft, en dat alles is recht, er is niets verkeerds in, Zijn geboden komen nauwkeurig overeen met de regels van de billijkheid en de eeuwige redenen van goed en kwaad. Zijn beloften zijn alle wijs en goed, en ontwijfelbaar zeker, en in Zijn bedreigingen is geen ongerechtigheid, maar die zelfs zijn bedoeld tot ons welzijn, door ons terug te houden van kwaad. Gods Woord is recht, en daarom zijn al onze afwijkingen ervan verkeerd, en zijn wij recht als wij er mee overeenkomen. 2. In Zijn werken, en die zich alle gedane in waarheid, allen overeenkomstig Zijn raad, en die wordt genoemd "het boek van de waarheid," Daniël 10:21. In Zijn werken toont God:
a. Dat Hij een God is van onbuigzame gerechtigheid; Hij heeft gerechtigheid en gericht lief. Er is niets dan gerechtigheid in het vonnis, dat Hij velt, en gericht in de volvoering ervan. Hij heeft aan Zijn schepselen nooit onrecht gedane, maar is altijd bereid om recht te doen aan hen, aan wie onrecht gedaan is, en dat doet Hij met genot en verlustiging. Hij heeft een welbehagen in de rechtvaardigen. Hij zelf is de rechtvaardige Heere, en daarom heeft Hij gerechtigheid lief.
b. Dat Hij een God is van oneindige goedheid; de aarde is vol van Zijn goedertierenheid, dat is: van de bewijzen en voorbeelden ervan. De weldadige invloeden, die de aarde ontvangt van boven, en de vruchten, die zij daardoor kan voortbrengen, de voorziening, die gemaakt is voor mens en dier, en de algemene zegeningen, waarmee alle volken van de aarde gezegend zijn, verkondigen duidelijk dat de aarde vol is van Zijn goedertierenheid. Het somberste, het koudste, het heetste, het dorste en meest woeste gedeelte ervan is daar niet van uitgezonderd; hoe jammer is het dat deze aarde, die zo vol is van Gods goedheid, zo ledig is van Zijn lof, en dat er onder de menigten, die leven van Zijn milddadigheid, zo weinigen zijn, die leven tot Zijn eer.
III. Zijn overtuiging van de almachtige kracht van God, klaarblijkelijk bewezen in de schepping van de wereld. Wij geloven in God en daarom prijzen wij Hem als de almachtigen Vader, Schepper van hemel en aarde aldus wordt ons hier geleerd Hem te loven.
Merk op:
1. Hoe God de wereld gemaakt heeft en alle dingen in het aanzijn heeft geroepen.
a. Hoe gemakkelijk. Door het woord des Heren en door de Geest van Zijn mond zijn alle dingen gemaakt. Christus is het Woord, de Geest is de adem, zodat God de Vader de wereld gemaakt heeft en haar verlost door Zijn Zoon en Zijn Geest. Hij sprak en Hij gebood, vers 9, en dat was genoeg, meer was niet nodig. Voor de mensen zijn zeggen en doen twee, maar zo is het niet voor God; gelijk door het woord en de Geest van God de wereld was gemaakt zo werd ook de mens, deze kleine wereld gemaakt. God zei: "Laat ons mensen maken," en Hij blies hem de adem des levens in. Door het Woord en de Geest is de kerk gebouwd, deze nieuwe wereld, en wordt genade gewrocht in de ziel, de nieuwe mens, deze nieuwe schepping. Wat kan die macht niet doen, die door een woord een wereld gemaakt heeft?
b. Hoe krachtdadig het gedaan was: het staat er, vers 9 Wat God doet doet Hij met goed gevolg. "Wat God doet zal in eeuwigheid zijn," Prediker 3:14. Het is krachtens dat gebod om te staan, dat zij "naar Gods verordeningen nog heden blijven staan," Psalm 119:91
2. Wat Hij gemaakt heeft. Hij heeft alle dingen gemaakt, maar hier wordt nota genomen:
a. Van de hemelen en al hun heir, vers 6. De zichtbare hemel, en de zon, de maan en de sterren, hun heir, de hoogste hemelen en de engelen, hun heir.
b. Van de wateren en de schatten ervan, 7. In het eerst was de aarde bedekt door het water, en daar zij zwaarder is, moest zij natuurlijk zakken of eronder wegzinken, maar om reeds van de beginne te tonen dat de God van de natuur niet gebonden is aan de gewone methode van de natuur, heeft Hij door het spreken van de woord de wateren vergaderd als op een hoop opdat het droge gezien zou worden; maar Hij heeft ze niet op een hoop laten blijven, maar de afgronden schatkamers gesteld, niet alleen in de diepten, waar Hij de bedding heeft gemaakt voor de zeeën, en waarin zij opgesloten zijn door het zand aan de oever maar ook in verborgen onderaardse holen waar zij verscholen waren voor de ogen van alle levenden, maar bewaard werden als in een schatkamer tegen de dag, toen deze fonteinen van de grote afgrond opengebroken moesten worden; en nog worden zij daar bewaard, tot welk gebruik de grote Heer des huizes het beste weet.
3. Welk gebruik daarvan gemaakt moet worden, vers 8 Laat de gehele aarde voor de Heere vrezen, laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken, dat is: laat al de kinderen van de mensen Hem aanbidden en Hem eer geven, Psalm 95:5, 6 Het eeuwig Evangelie geeft dit als de reden, waarom wij God moeten aanbidden, dat Hij de hemel, de aarde en de zee gemaakt heeft, Openbaring 14:6,7.
Laat ons allen Hem vrezen, dat is Zijn toorn vrezen en Zijn misnoegen, vrezen Hem tot onze vijand te hebben. Laat ons Hem niet durven beledigen, die, deze macht hebbende, ongetwijfeld alle macht in Zijn hand heeft. Het is gevaarlijk om in oorlog met Hem te zijn, die het heir des hemels tot Zijn leger heeft en de diepten van de zeeën tot Zijn magazijnen, en daarom is het verstandig om vredesvoorwaarden te begeren. Zie Jeremia 5:22
IV. De voldoening, die hij had in Gods vrijmacht en heerschappij, vers 10, 11 Hij beheerst de beraadslagingen van de mensen, en maakt die, tegen hun bedoeling, dienstbaar aan Zijn raadsbesluiten. Kom en zie met het oog des geloofs God op de troon:
1. De raad vernietigende van Zijn vijanden. Hij vernietigt de raad de heidenen, zodat wat zij tegen Hem en Zijn koninkrijk bedenken, ijdelheid blijkt te zijn, Psalm 2:1; de raad van Achitofel is tot dwaasheid gemaakt. Elk complot loopt op niets uit; al wordt het plan met nog zoveel schranderheid beraamd, en al zijn de verwachtingen ervan nog zo hoog als God zegt: het zal niet bestaan, dan zal het niet tot stand komen, het is alles tevergeefs.
2. Zijn eigen raadsbesluiten tot stand brengende, de raad des Heren bestaat in eeuwigheid. Hij is onbeweeglijk in zichzelf. Hij is "een van gevoelen, wie zal Hem dan afkeren?" Job 23:13 De volvoering ervan kan tegengestaan worden, maar kan door geen geschapen macht worden verhinderd. Gedurende al de wentelingen des tijds heeft God Zijn maatregelen nooit veranderd, maar in tedere gebeurtenis, zelfs die voor ons het meest verrassend zijn, wordt de eeuwige raad Gods vervuld, en niets kan verhinderen dat hij op zijn eigen bestemde tijd vervuld wordt. Met welk een genot voor onszelf kunnen wij bij het zingen hiervan Gode lof en eer geven! Hoe geruststellend kan ten allen tijde deze gedachten voor ons wezen, dat God de wereld regeert, dat Hij haar in oneindige wijsheid heeft geregeerd voordat wij geboren waren en haar evenzo zal regeren als wij zwijgen in het stof.