Psalm 105:25-45
Na de geschiedenis van de patriarchen volgt hier de geschiedenis van het volk van Israël, toen zij tot een natie werden.
I. Hun verdrukking in Egypte, vers 25. Hij keerde het hart om van de Egyptenaren, die hen hadden beschermd, dat zij hen haatten en listiglijk met hen handelden. Gods goedheid jegens Zijn volk verbitterde de Egyptenaren tegen hen, en hoewel hun oude afkeer van de Hebreën, (waarvan wij lezen in Genesis 43:32, 46:34) voor een wijle als in slaap gesust was begon hij zich nu heftiger dan ooit te openbaren. Vroeger haatten zij hen omdat zij hen verachtten, thans omdat zij hen vreesden. Zij handelden listiglijk met hen, stelden al hun overleg en behendigheid in het werk om wegen en middelen te vinden, om hen te verzwakken, hen uit te putten en hun wasdom te verhinderen, zij maakten hun lasten zwaar, en hun leven bitter, en doodden hun zonen zodra zij geboren waren. De boosaardigheid is listig om te verderven. Satan heeft de listigheid van de slang met haar venijn. Het was God, die het hart van de Egyptenaren omkeerde tegen hen, want ieder schepsel is datgene voor ons, wat Hij het doet zijn, een vriend af een vijand. God is niet de werker van de zonden van de mensen maar Hij doet ze dienen tot Zijn eigen doeleinden.
II. Hun bevrijding uit Egypte, dat wonder, hetwelk, opdat het niet vergeten zou worden in de inleiding tot de tien geboden geplaatst is.
Merk op:
1. De werktuigen, die voor deze verlossing gebruikt werden, vers 26. Hij zond Mozes, Zijn knecht, op deze boodschap uit, en voegde hem Aaron toe voor deze opdracht. Mozes was bestemd om hun wetgever te zijn en hun voornaamste magistraat, Aaron om hun hogepriester te zijn, en opdat het volk hen te meer zou eerbiedigen en zich te blijmoediger aan hen zou onderwerpen, heeft God gebruik van hen gemaakt als hun bevrijders.
2. De middelen om die bevrijding tot stand te brengen: dat waren de tien plagen van Egypte. Mozes en Aaron waren gehoorzaam aan de orders, die zij hadden ontvangen door hen op te roepen, zoals God het hun bevolen had, zij waren Zijn woord niet weerspannig, vers 28, zoals Jona, die, toen hij gezonden was om Gods oordelen aan te kondigen tegen Nineve, naar Tharsen ging. Mozes en Aaron werden noch door een dwaze vrees voor Farao's toorn noch door een dwaas medelijden met de ellende van Egypte bewogen, om de plagen te verzachten of uit te stellen, die God hun bevolen had over de Egyptenaren te brengen, maar strekten hun hand uit om ze over hen te doen komen, zoals God het hun bevolen had. Zij, aan wie opgedragen is om Gods oordelen uit te voeren, zullen bevinden dat hun tekortkoming er in opgenomen wordt als een weerstreven van Gods woord. De plagen van Egypte worden hier Gods tekenen en wonderwerken genoemd, vers 27, zij waren niet slechts bewijzen van Hem maar tekenen van Zijn toorn, en zij moesten met bewondering en heilig ontzag worden beschouwd. Zij toonden de woorden van Zijn tekenen zo luidt het oorspronkelijke, want iedere plaag ging gepaard met een verklaring of uitlegging, het waren geen stille tekenen, zoals de gewone werken van de schepping en voorzienigheid, maar sprekende tekenen, en zij spraken luid. Zij worden hier allen, of de meeste ervan, gespecificeerd, hoewel niet naar de orde, waarin zij over hen kwamen. A. De plaag van de duisternis, vers 28. Dat was een van de laatste, hoewel zij hier het eerst genoemd wordt. God zond duisternis, en komende met een opdracht, kwam zij met grote kracht, Zijn gebod maakte het duister. En toen waren zij, dat is het volk van Israël, Gods woord niet weerspannig, een gebod, dat naar sommigen denken hun gegeven was, om allen onder hen te besnijden, die nog niet besneden waren, en toen waren hiervoor de drie dagen van duisternis hun een bescherming. De oude vertaling volgt de Septuaginta, en geeft de lezing: "Ze waren niet gehoorzaam aan Zijn woord," hetgeen zien kan op Farao en de Egyptenaren, die, in weerwil van de verschrikking van deze plaag het volk niet wilden laten trekken, maar er is hiervoor geen grond in het Hebreeuws.
B. Het keren van de Nijl (die zij als een god aanbaden) in bloed, benevens al hun andere wateren, waardoor hun vissen gedood werden, vers 29, en zo waren zij niet alleen van hun drank beroofd, maar ook van hun aangenaamste spijze, Numeri 11:5.
C. De vorsen, die het land in overvloed voortbracht, en die niet alleen in zo grote zwermen, maar met zoveel kracht en woede op hen afkwamen, dat zij niet instaat waren om ze uit de binnenste kameren te houden van hun koningen en aanzienlijke personen, wier hart vol was van ongedierte, walglijker en schadelijker dan deze vorsen, minachting van en vijandschap jegens God en Zijn Israël.
D. Een vermenging van ongedierte, of vliegen, vers 31, vervulde de lucht, en luizen vervulden hun klederen, Exodus 8:17, 24. God kan gebruik maken van de geringste, zwakste en verachtelijkste dieren, om trotse verdrukkers te straffen en te vernederen, voor wie de onmacht van deze werktuigen wel een zeer diepe vernedering moet wezen, zowel als een onloochenbaar bewijs van de almacht Gods.
E. Hagel verpletterde hun bomen, zelfs de sterkste bomen in hun landpalen, en vernielde hun wijnstokken en hun andere vruchtbomen, vers 33. Inplaats van regen om hun bomen vruchtbaar te maken, gaf Hij hagel om ze te verpletteren, en daarmee donder en bliksem in zo'n mate, dat het vuur over de grond liep alsof het een stroom was van brandende zwavel, Exodus 9:23.
F. Sprinkhanen en kevers aten al het kruid op, dat ten dienste van de mens geschapen was, aten dus het brood uit hun mond vers 34, 35. Zie welk een verscheidenheid van oordelen God heeft om de trotse verdrukkers te straffen, die Zijn volk niet wilden laten trekken. God heeft niet tweemaal dezelfde plaag gebracht, maar als er wederom een nodig was, dan was het een nieuwe, want Hij heeft vele pijlen in Zijn pijlkoker. Sprinkhanen en kevers zijn Gods heir, en hoe zwak deze ieder op zichzelve ook moge wezen, Hij kan ze in zo grote menigte doen komen, dat zij geducht worden, Joël 1:4, 6.
G. Al de plagen genoemd hebbende, behalve die van de veepest en de zweren, besluit hij met die, welke de overwinning bracht, en dat was de dood van de eerstgeborenen, vers 36. Te middernacht werden zij, die de vreugde en de hoop waren van hun geslacht, de eerstelingen al hunner krachten, de bloem van hun land, allen door de verderfengel gedood. Zij wilden Gods eerstgeborene niet vrijlaten, en daarom heeft God bij wijze van weerwraak de hunnen gegrepen en noodzaakte hen hierdoor om de Zijnen te laten gaan, maar het was te laat om de hunnen te redden, want als God oordeelt, zal Hij overwinnen, en zij, die tegen Hem strijden, zullen gewis het onderspit delven.
3. De zegeningen, waarmee deze verlossing gepaard ging. In hun dienstbaarheid:
a. Waren zij verarmd, maar rijk en vermogend trokken zij uit. God heeft hen niet slechts uitgevoerd, maar Hij voerde hen uit met zilver en goud, vers 37. God machtigde hen om de bijdragen hunner naburen te vragen en te verzamelen, die in werkelijkheid slechts een deel waren van de betaling voor de diensten, die zij hun hadden bewezen, en Hij neigde het hart van de Egyptenaren om hun te geven waar zij om vroegen. Hun rijkdom behoorde Hem toe, en daarom mocht Hij, en hun hart was in Zijn hand, en daarom kon Hij hem aan de Israëlieten geven.
b. Het leven was hun bitter en zuur gemaakt, lichaam en geest waren gebroken door hun slavernij, en toch, toen God hen uitvoerde, was er onder hen niemand die zwak was, niemand die ziek of ook maar ziekelijk was onder hun stammen. Zij gingen uit in dezelfde nacht, toen de plaag de eerstgeborenen van Egypte wegvaagde, en toch trokken zij allen uit in goede gezondheid en hebben geen van de krankheden van Egypte medegenomen. Voorzeker was het iets ongehoords, dat onder zovele duizenden niemand ziek was! Zo vals was de voorstelling, die door de vijanden van de Joden in latere eeuwen van deze zaak gegeven was, namelijk dat zij allen aangetast waren door melaatsheid of een andere walglijke kwaal, en dat de Egyptenaren hen daarom uit hun land verdreven hebben.
c. Zij waren vertreden en beledigd, en toch werden zij met eer uitgevoerd, vers 38. Egypte was blijde als zij uittrokken, want God had hen op zo wonderbare wijze erkend en hun zaak voorgestaan, dat de verschrikking van Israël op hen was gevallen, en zij zich verslagen en overwonnen erkenden. God kan en zal Zijn kerk tot een lastige steen maken voor allen, die zich daarmee beladen, zodat zij zich gelukkig zullen achten, die hem uit de weg komen, Zacheria 12:3. Als God oordeelt, zal Hij overwinnen.
d. Zij hadden hun dagen doorgebracht in smart en met zuchten vanwege hun dienstbaarheid, meer nu voerde Hij hen uit met vrolijkheid en gejuich, vers 43. Toen Egyptes smartkreet luid was, wijl al hun eerstgeborenen gedood waren, waren Israëls vreugdekreten even luid, beide als zij terug zagen op het land, waaruit zij waren verlost en als zij voorwaarts zagen naar het lieflijke land, waar zij zich heenspoedden. God heeft thans een nieuw lied in hun mond gegeven.
4. De bijzondere zorg, die God voor hen droeg in de woestijn.
a. Om hen te beschutten, behalve het gewelf des hemels beschikte Hij hun nog een ander verwelfsel. Hij breidde een wolk uit tot een deksel, vers 39, die hun niet alleen tot zonnescherm diende, maar ook een staatsiegordijn voor hen was. Een wolk is dikwijls (Gods tent geweest, Psalm 18:12, en nu was het die van Israël, want ook zij waren verborgenen.
b. Voor hun leiding en verkwikking in de duisternis beschikte Hij een vuurkolom om de nacht te verlichten, opdat zij nooit in verlegenheid zouden zijn. God voorziet genadiglijk tegen alle verdrietelijkheden van Zijn volk en schenkt hun hulp in elke toestand voor de dag en voor de nacht, totdat zij komen waar het tot in eeuwigheid dag zal zijn. c. Hij spijzigde hen met het nodige voedsel en met lekkernijen. Soms voorzag Hij hun tafel van wild gevogelte, vers 40. Het volk bad en Hij deed kwakkelen komen, en als zij niet aldus onthaald werden, heeft Hij hen toch verzadigd met hemels brood, diegenen zijn in waarheid moeilijk te voldoen, die niet aldus verzadigd willen worden. De mens at engelenbrood, en dat wel voortdurend en zonder dat het hun iets kostte. En evenals er in iedere bete, die zij aten, een wonder was, zo was er ook een wonder in iedere droppel, die zij dronken, Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, vers 41. In de gewone voorzienigheid komt het water van de hemel en brood uit de aarde maar voor Israël brengt Gods macht brood uit de wolken en water uit de rotsen, zo ver is het er vandaan dat de God van de natuur aan de wetten en de loop van de natuur gebonden is. Het water vloeide niet slechts terstond naar buiten, maar het stroomde voort als een rivier overvloedig en gestadig, en vergezelde hun leger op al hun reizen, vandaar dat gezegd wordt, dat "de steenrots hen volgde," 1 Corinthiers 10:4, en hetgeen dit wonder nog verhoogde, was dat deze rivier Gods (zoals zij in waarheid genoemd kan worden) door dorre plaatsen ging, en daar toch niet door het zand van de woestijn van Arabië verzwolgen werd en teloorging, zoals men had kunnen verwachten. Hierop doelt de belofte: "Ik zal rivieren leggen in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorene, drinken te geven", Jesaja 43:19, 20.
5. Hun intocht ten laatste in Kanaän, vers 44. Hij gaf hun de landen van de heidenen, stelde hen in het bezit van hetgeen, waarop zij lang gehoopt hadden, en voor hetgeen de Kanaänieten zich moeite hadden gegeven, daar had Israël het genot van, zij bezaten in erfenis de arbeid van de volken, en het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd. De Egyptenaars hadden lang hun arbeid beërfd, en nu bezaten zij in erfenis de arbeid van de Kanaänieten. Zo zal soms de ene vijand van de kerk de schuld moeten betalen van de andere vijand.
6. De redenen, waarom God dit alles voor hen gedane heeft.
A. Omdat Hij Zijn woord wilde vervullen, vers 42. Zij waren onwaardig en ondankbaar, en toch heeft Hij deze grote dingen tot hun gunste gedaan, omdat Hij dacht aan Zijn heilig woord Zijn verbond aan Abraham Zijn knecht, en Hij geen tittel of jota daarvan ter aarde wilde laten vallen, zie Deuteronomium 7:8.
B. Omdat Hij wilde dat zij Zijn inzettingen zouden onderhouden, en het was de grootste liefde, die Hij hun kon bewijzen, om hen daaraan te binden. Hij stelde hen in het bezit van Kanaän, niet opdat zij in overvloed en weelde, in gerustheid en eer zouden leven, en een grote rol zouden spelen onder de volkeren van de wereld, maar opdat zij Zijn inzettingen zouden onderhouden en Zijn wetten zouden bewaren opdat zij, geformeerd zijnde tot een volk, onder Gods onmiddellijk bestuur zouden zijn, en de geopenbaarde Godsdienst de grondslag zou zijn van hun staatsinrichting, opdat zij, daar hun een goed land gegeven was, uit de opbrengsten ervan offeranden zouden brengen op Gods altaar, en opdat zij, daar God hun goed gedaan had, met des te meer blijmoedigheid Zijn wet zouden ontvangen, tot de slotsom komende, dat ook deze bestemd was tot hun welzijn en ze zich bewust zouden zijn van hun verplichting om uit dankbaarheid in gehoorzaamheid aan Hem te leven. Wij zijn geschapen, wij worden onderhouden, wij zijn verlost opdat wij zouden leven in gehoorzaamheid aan de wil van God, en het Hallelujah, waarmee deze psalm besluit, kan genomen worden, beide als een dankbare erkentenis van Gods gunsten en een blijmoedige instemming met de bedoeling ervan. Heeft God zoveel gedaan voor ons, en verwacht Hij evenwel zo weinig van ons? Looft de Heere!