Exodus 7:1-7
1. God moedigt hier Mozes aan om tot Farao te gaan, en brengt eindelijk al zijn moedeloosheid tot bedaren.
a. Hij bekleedt hem met grote macht en gezag, vers 1. "Ik heb u tot een god gezet over Farao," dat is: tot Mijn vertegenwoordiger in deze zaak, zoals ook magistraten goden genoemd worden, omdat zij Zijn plaatsvervangers zijn. Hij was gemachtigd om te spreken en te handelen in de Naam en de plaats van God, en onder de leiding van God was hij begiftigd met een Goddelijke macht om datgene te doen wat boven de kracht van de natuur is, en bekleed met een Goddelijk gezag om gehoorzaamheid te eisen van een vrijmachtig vorst, en ongehoorzaamheid te straffen. Mozes was een god, maar hij was slechts tot een god gemaakt, of gesteld, niet door zijn wezen, hij was geen god dan bij opdracht. Hij was een god, maar slechts aan Farao tot God gesteld. De levende en ware God is God voor heel de wereld. Het is een voorbeeld van Gods inschikkelijkheid, en een bewijs dat Zijn gedachten over ons gedachten van vrede zijn, dat Hij, als Hij met mensen handelt, door mensen handelt, wier verschrikking ons niet bevreesd zal maken.
b. Nogmaals benoemt Hij zijn broeder Aäron tot zijn hulp, die geen man was van onbesneden lippen, maar een waardig spreker. "Hij zal uw profeet zijn", dat is: "hij zal voor u tot Farao spreken, zoals profeten tot de kinderen der mensen spreken voor God. Gij zult, als een god, de plagen opleggen en wegnemen, en Aäron, als een profeet, zal ze aankondigen en er Farao mee dreigen.
c. Hij zegt er hem het ergste van, namelijk dat Farao niet naar hem zal willen horen, maar dat het werk toch ten laatste gedaan zal worden, Israël zal worden verlost, opdat God er in verheerlijkt worde, vers 4, 5. De Egyptenaren, die de HEERE niet wilden kennen, zullen genoodzaakt zijn Hem te kennen. Het is voor de boodschappers van God voldoening genoeg, dat zij, niettegenstaande alle tegenspraak en tegenstand, die zij ontmoeten, toch zover hun doel zullen bereiken, dat God verheerlijkt zal worden in het welslagen van hun zending en heel Zijn uitverkoren Israël verlost zal worden, en dan hebben zij geen reden om te zeggen, dat zij tevergeefs hebben gearbeid. Zie hier, hoe God zich verheerlijkt: Hij doet de mensen weten dat Hij is Jehova, aan Israël heeft Hij het doen weten door de vervulling van Zijn belofte aan hen, Hoofdstuk 6:3, en aan de Egyptenaren doet Hij het weten door de uitstorting van Zijn toorn over hen, en aldus wordt Gods Naam verhoogd beide in hen, die behouden worden, en in hen, die omkomen. Zie ook op wat wijze Hij dit doet, Hij vernedert de hoogmoedige, en verhoogt de nederige, Lukas 1:51, 52. Als God Zijn hand tevergeefs uitstrekt tot de zondaren, dan zal Hij ten laatste Zijn hand op hen leggen, en wie kan er het gewicht van dragen?
II. Mozes en Aäron begeven zich zonder verder tegenspreken tot hun werk: "Toen deed Mozes en Aäron, als hun de HEERE geboden had" vers 6. Alles wel overwogen zijnde, was hun gehoorzaamheid wel waardig geloofd te worden, zoals de psalmist hen ook geloofd heeft Psalm 105, zij waren Zijn Woord niet weerspannig, namelijk Mozes en Aäron, die hij vermeldt in vers 26. Zo is ook Jona, hoewel hij er in het eerst zeer afkerig van was, eindelijk toch naar Ninevé gegaan. Er wordt nota genomen van de ouderdom van Mozes en Aäron, toen zij die heerlijke dienst op zich namen. Aäron de oudste (en toch de ondergeschikte in het ambt) was drie en tachtig jaar, Mozes was tachtig, beide waren zij mannen van hoge ernst en diepe ervaring, wier leeftijd eerwaardig was, en wier veelheid van jaren wijsheid te kennen gaf. Jozef, die slechts een dienaar van Farao wezen moest, werd bevorderd toen hij dertig jaren oud was, maar Mozes die Farao tot een god moest wezen, werd hiertoe niet verwaardigd vóór hij tachtig jaren oud was. Het hoorde dat hij lang moest wachten op zo'n eer, en zich lang moest voorbereiden tot zo'n dienst.