Psalm 105:8-24
Hier wordt ons geleerd om voor het loven van God ver terug te zien, en Hem de eer te geven voor hetgeen Hij in vroegere eeuwen voor Zijn kerk gedaan heeft, inzonderheid toen zij geformeerd werd, waarvan diegenen, die in latere tijden leven, het voordeel genieten en waarvoor zij Hem dus dank behoren te zeggen. Wij kunnen ongetwijfeld even gepaste stof tot lofzegging ontlenen aan de geschiedenissen van de Evangeliën en van de Handelingen van de apostelen die betrekking hebben op de geboorte van de Christelijke kerk, als de psalmist hier zijn stof ontleent aan de geschiedenissen in Genesis en Exodus, die de geboorte verhalen van de Joodse kerk, en onze geschiedenis overschittert grotelijks de hunne.
Twee zaken worden hier tot het onderwerp gemaakt van lof.
I. Gods belofte aan de aartsvaders, de grote belofte dat Hij aan hun zaad het land Kanaän tot een erfdeel zal geven, dat een type was van de belofte des eeuwigen levens, in Christus gedaan aan alle gelovigen. In al de wonderen die God gedaan heeft voor Israël, heeft Hij gedacht aan Zijn verbond, vers 8, en Hij zal het eeuwiglijk gedenken, het is het woord dat Hij ingesteld heeft tot in duizend geslachten. Zie hier de kracht van de belofte, het is het woord dat Hij geboden heeft, en dat uitwerking zal doen. Zie de duurzaamheid van de belofte, zij is bevolen tot in duizend geslachten, en het erfrecht er op zal niet afgesneden, niet vernietigd worden. In de parallelplaats is dit uitgedrukt als onze plicht, 1 Kronieken 16:15 :"Gedenkt tot in eeuwigheid Zijn verbond." God zal het niet vergeten en daarom moeten wij het ook niet. De belofte wordt hier een verbond genoemd, omdat er iets geëist werd aan des mensen zijde als voorwaarde van de belofte.
Merk op:
1. De personen, met wie dit verbond gemaakt werd met Abraham, Izak en Jakob, grootvader, vader en zoon, allen uitnemende gelovigen, Hebreeën 11:8, 9..
2. De bekrachtiging van het verbond, het was verzekerd bij alles wat heilig is. Is dat een zeker, waarop gezworen werd? Het is Zijn eed aan Izak en Abraham. Zie aan wie God bij zichzelf gezworen heeft, Hebreeën 6:13, 14. Is datgene zeker hetwelk wel geworden is? Hij heeft het Jakob tot een inzetting, een wet, gesteld, een wet, die nooit ingetrokken of herroepen zal worden. Is datgene zeker, hetwelk tot een wederzijds contract is geworden? Dit is bevestigd tot een eeuwig verbond, dat onverbreekbaar is.
3. Het verbond zelf. Ik zal u geven het land Kanaän, vers 11. De aartsvaders hadden er recht op, niet naar de weg van de voorzienigheid maar door de belofte, en hun zaad zal in het bezit ervan worden gesteld, niet langs de gewone weg van volken te vestigen, maar door wonderen. God zelf zal het hun geven, met Zijn eigen hand als het ware, het zal hun gegeven worden als hun erfdeel, dat God hun toewijst en afmeet, als het snoer van hun erfdeel, een gewis recht, krachtens hun geboorte, zal het tot hen komen door recht van afkomst, niet door aankoop, door de gunst van God, niet door enigerlei verdienste van henzelf. De hemel is het erfdeel, dat wij verkregen hebben, Efeziers 1:11. En "dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft" (zoals Kanaän de belofte was, die Hij hun beloofd had) "namelijk het eeuwige leven," 1 Johannes 2:25, Titus 1:2. II. De leidingen van Zijn voorzienigheid met de aartsvaders, terwijl zij wachtten op de vervulling van deze belofte, welke ons de zorg voorstellen, die God heeft voor Zijn volk in deze wereld, terwijl zij nog aan deze zijde van het hemelse Kanaän zijn, want deze dingen zijn hun overkomen tot voorbeelden en aanmoedigingen aan al de erfgenamen van de beloften, die evenals zij door het geloof leven.
1. Zij werden wonderbaarlijk beschermd en beschut, en zoals de Joodse geleerden het uitdrukken "vergaderd onder de vleugelen van de Goddelijke majesteit." Dit wordt verhaald in vers 12-15, waar wij kunnen opmerken,
A. Hoe ze waren blootgesteld aan onrecht van de mensen. Gods beloften aan de drie beroemde patriarchen, Abraham, Izak en Jakob waren zeer rijk, telkens en nogmaals heeft Hij hun gezegd dat Hij hun God wilde wezen, maar de vervulling ervan in deze wereld was er zo weinig in evenredigheid mede, dat Hij "indien Hij hun geen stad had bereid in de andere wereld, zich geschaamd zou hebben om hun God genoemd te worden," zie Hebreeën 11:16, omdat Hij altijd mild was, maar toch is Hij ook in deze wereld niet in gebreke jegens hen gebleven, maar om te doen blijken dat Hij ongemene dingen voor hen deed, heeft Hij hen op ongemene wijze op de proef gesteld.
a. Zij waren weinig, zeer weinig in aantal. Abraham werd geroepen, toen hij nog alleen was, Jesaja 51:2. Hij had slechts twee zonen, en een van deze werd uitgeworpen. Izak had ook slechts twee zonen, en een van deze was genoodzaakt om uit zijn land te vluchten, en er verscheidene jaren van weg te blijven. Jakob had er meer, maar sommigen van hen hebben, in plaats van hem tot een bescherming te zijn, hem blootgesteld aan gevaar, toen hij zoals hij zelf zegt, Genesis 34:30, weinig volks in getal was en dus zeer gemakkelijk met geheel zijn huis door de inboorlingen omgebracht had kunnen worden. (Gods uitverkorenen zijn slechts een klein kuddeke, weinigen, zeer weinigen, en toch worden zij staande gehouden.
b. Zij waren vreemdelingen, en des te meer waarschijnlijk stond hun mishandeling te wachten, en zoveel minder waren zij instaat om zichzelf te helpen. Hun Godsdienst maakte dat zij als vreemdelingen beschouwd werden, I Petrus 4:4 en dat ze als gesprenkelde vogels werden uitgejouwd, Jeremia 12:9. Hoewel het gehele land door de belofte het hunne was, hebben zij toch zo weinig aanspraak erop gemaakt dat zij beleden hebben er gasten en vreemdelingen in te zijn, Hebreeën 11:13. Zij wandelden van volk tot volk, van het een deel dezes lands naar een ander deel, (want het werd toen door onderscheidene natiën in bezit gehouden, Genesis 12:8, 13:3, 18), ja van het ene koninkrijk tot het andere volk, van Kanaän naar Egypte, van Egypte naar het land van de Filistijnen, hetgeen hen wel moest verzwakken en blootstellen aan gevaar, maar zij werden er door hongersnood toe genoodzaakt. Hoewel veelvuldige verplaatsingen of verhuizingen noch begerenswaardig noch aanbevelenswaardig zijn, is er toch soms een wettige en noodzakelijke reden voor, en dan kan dit het lot zijn van de besten van de mensen.
B. Hoe zij bewaard werden door de bijzondere voorzienigheid Gods, waarvan de macht en wijsheid des te meer groot gemaakt werden, naarmate zij op zo velerlei wijze aan gevaar waren blootgesteld, vers 14, 15. Zij waren niet bij machte zichzelf te helpen, en toch: a. Aan niemand werd toegelaten hun onrecht te doen, aan hen, die hen haatten en hun gaarne kwaad gedaan zouden hebben, waren de handen gebonden, en zo konden zij niet wat zij wilden. Dit kan zien op Genesis 35:5, waar wij lezen dat "Gods verschrikking" (een onverklaarbaar bedwang) "was over de steden, die rondom hen waren," zodat Zij hoewel tot toorn verwekt, de zonen Jakobs niet achterna joegen.
b. Zelfs gekroonde hoofden, die het beproefden hun onrecht te doen, werden niet slechts er voor bestraft, maar in bedwang gehouden. Hij bestrafte koningen om hunnentwil, in dromen en visioenen, zeggende: "tast Mijne gezalfden niet aan, het is op uw gevaar zo gij het doet, ja, het zal niet in uw macht zijn om het te doen, doet Mijn profeten geen kwaad." Farao, koning van Egypte werd geplaagd, Genesis 12:17, en Abimelech, koning van Gerar, werd scherp bestraft, Genesis 20:6, omdat hij onrecht deed aan Abraham. Zelfs koningen zijn onderhevig aan Gods bestraffingen als zij onrecht doen. Gods profeten zijn Zijn gezalfden, want zij hebben de zalving des Geestes, zij zijn gezalfd met deze olie van de vreugde, 1 Johannes 2:27. Zij, die het beproeven Gods profeten aan te raken met het doel om hun kwaad te doen, kunnen verwachten dat zij er op de ene of andere wijze van zullen horen. Gods gezalfde profeten zijn Hem dierbaarder dan zelfs gezalfde koningen. Jerobeams hand werd verdord toen hij haar uitstak tegen een profeet.
2. Zij werden op verwonderlijke wijze verzorgd en van het nodige voorzien. En ook hier:
A. Waren zij in de grootste nood. Zelfs in Kanaän, het land van de belofte, riep Hij een honger, vers 16. Alle oordelen komen op Gods roepen, en geen plaats is vrijgesteld van hun bezoek als God hen zendt met een opdracht. Om het geloof van de patriarchen te beproeven, brak God allen staf des broods zelfs in dat goede land, opdat zij duidelijk zouden zien dat God een beter land dan dat was voor hen bestemd had.
B. God heeft genadiglijk in hulp voor hen voorzien. Het was in gehoorzaamheid aan Zijn bevel, en in vertrouwen op Zijn belofte, dat zij nu vreemdelingen en bijwoners waren in Kanaän, en daarom zou het in strijd zijn geweest met Zijn eer, zo Hij had toegelaten dat hun kwaad zou overkomen, of dat hun enigerlei goed was onthouden. Gelijk Hij een Farao weerhield van hun onrecht te doen, zo heeft Hij een andere verwekt om hun vriendelijkheid te bewijzen, door Jozef te verhogen, van wiens geschiedenis wij hier een uittreksel hebben. Hij moest de herder, de steen Israëls wezen, en dat heilig zaad in het leven behouden Genesis 49:24, 50:20. En te dien einde:
a. Werd hij vernederd, zeer vernederd, vers 17,18. God zond een man voor hun aangezicht henen, namelijk Jozef. Vele jaren voordat de honger begon, werd hij voor hun aangezicht henen gezonden, om hen in de hongersnood te spijzigen, zo ver vooruit zorgt de voorzienigheid Gods, en zo ver reikt zij. Maar in welke hoedanigheid ging hij naar Egypte, die voor de ontvangst van de kerk aldaar de weg moest bereiden? Niet in de hoedanigheid van gezant, niet eens als een agent of commissaris, hij werd derwaarts henen verkocht als een dienstknecht, om een slaaf te zijn gedurende zijn gehele leven, zonder vooruitzicht van ooit in vrijheid te worden gesteld. Dit was min genoeg, en men zou zeggen dat er weinig waarschijnlijkheid was dat hij ooit groot zou worden, tot aanzien zou komen, en toch werd hij toen nog meer naar de diepte gebracht, want hij werd een gevangene, vers 18. Men drukte zijn voeten in de stok, daar hem onrechtvaardiglijk geen mindere misdaad ten laste was gelegd dan ontering van zijn eigen meesteres. Zijn ziel kwam in het ijzer, luidt de Hebreeuwse uitdrukking, dat is: het ijzer was hem zeer pijnlijk, en de valse beschuldiging, waardoor hij in de gevangenis kwam, was zeer bijzonder smartelijk, heeft hem diep gegriefd, doorboorde hem het hart, en toch was dit alles de weg tot zijn verhoging.
b. Hij werd verhoogd, zeer verhoogd. Hij bleef in de gevangenis, werd niet voor het gerecht gebracht, tot de tijd toe, door God bepaald voor zijn bevrijding, vers 19, toen Zijn woord kwam, zijn uitlegging van dromen bewaarheid werd, en het gerucht daarvan tot Farao's oren kwam door de opperschenker, en toen heeft hem het woord des Heeren gezuiverd. De macht van God gaf hem toekomende dingen te voorzeggen, wentelde de smaad af, die zijn meesteres op hem gelegd had, want men kon niet denken dat God zodanig een macht aan een zo slecht man zou geven als men hem had voorgesteld. Gods woord doorlouterde hem, beproefde zijn geloof en zijn lijdzaamheid, en toen kwam het met macht om zijn bevrijding te gebieden. Er is een tijd gesteld, wanneer Gods woord zal komen ter vertroosting van allen, die erop vertrouwen, Habakuk 2:3. "Op het einde zal Hij het voortbrengen en niet liegen." God gaf het woord en toen zond de koning en deed hem ontslaan, want het hart des konings is in de hand des Heeren. Toen Farao bevond dat hij een gunstgenoot des hemels was, heeft hij hem,
Ten eerste ontslagen uit de gevangenis, vers 20, hij liet hem los. God heeft dikwijls door wonderbare wendingen van Zijn voorzienigheid de zaak van de verdrukte onschuld bepleit en doen zegevieren.
Ten tweede. Hij heeft hem bevorderd tot de hoogste ere-ambten, vers 21, 22, hij zette hem tot een heer over zijn huis en tot een heerser over al zijn goed. Hij stelde hem aan tot eerste staatsminister, tot president van zijn raad, om zijn vorsten te gebieden naar zijn lust en hen wijsheid te leren, en tot opperbevelhebber van zijn krijgsmacht, naar uw "woord zal al mijn volk geregeerd worden," Genesis 41:40. Hij maakte hem tot opperrechter, om zelfs zijn oudsten, zijn senatoren, te richten, en hen te straffen, die ongehoorzaam waren. In dit alles was Jozef bestemd, om
1. Een vader te zijn voor de kerk, die toen bestond, om het huis Israëls er voor te behoeden om door de hongersnood om te komen. Hij werd groot gemaakt om goed te doen, inzonderheid aan de huisgenoten des geloofs.
2. Een type te zijn van Christus, die komen zou, die, omdat Hij zichzelf vernederd heeft en de gesteltenis eens dienstknechts heeft aangenomen, uitermate verhoogd is geworden, terwijl Hem al het oordeel is overgegeven.
Jozef aldus vooraf gezonden zijnde en instaat gesteld om geheel het huis zijns vaders te onderhouden, kwam ook Israël in Egypte, vers 23 waar hij en al de zijnen zeer eervol onthaald en goed verzorgd werden gedurende vele jaren. Zo is ook voor de Nieuw Testamentische kerk een plaats bereid, zelfs in de woestijn, waar zij "gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd," Openbaring 12:14.
3. Zij hebben zich wonderbaarlijk vermenigvuldigd, overeenkomstig de belofte, gedaan aan Abraham, dat zijn zaad zou wezen als het zand van de zee in menigte, vers 24. In Egypte deed Hij Zijn volk zeer wassen, zij vermenigvuldigden als vissen, zodat zij in weinig tijds machtiger werden dan hun tegenpartijders, en aldus geducht voor hen werden. Farao nam hier nota van, Exodus 1:9. "Zie, het volk van de kinderen Israëls is veel, ja machtiger dan wij". Als het God behaagt zal een weinigje volks tot duizenden worden, en Gods beloften kunnen wel langzaam werken, maar zij werken zeker.