Genesis 42:7-20
Wij kunnen er ons wel over verwonderen dat Jozef gedurende de twintig jaren, die hij nu in Egypte was, en inzonderheid gedurende de laatste zeven jaren, die hij daar in macht en aanzien was, nooit bericht heeft gezonden aan zijn vader om hem met zijn omstandigheden bekend te maken, ja meer: het is vreemd dat hij, die zo dikwijls door geheel Egypteland toog, Hoofdstuk 41:45, 46, nooit een uitstapje gedaan heeft naar Kanaän, om zijn oude vader te bezoeken, toen hij aan de grens van Egypte was, en dit slechts een reis van wellicht niet meer dan drie of vier dagen voor hem geweest zou zijn in zijn wagen. Het is een gissing, die wel waarschijnlijkheid heeft, dat zijn gedrag en handelwijze in deze zaak onder de bijzondere leiding van de hemel was, opdat het voornemen van God ten opzichte van Jakob en zijn gezin tot stand zou worden gebracht. Toen de broeders van Jozef kwamen, kende hij hen aan menig voldoend teken, maar zij kenden hem niet, daar zij weinig dachten hem hier te vinden, vers 8. Hij dacht aan de dromen, vers 9, maar zij hadden ze vergeten. Het bewaren van Gods orakelen in ons hart zal ons van groot nut zijn in ons gedrag. In zijn houding tegenover zijn broers had Jozef het oog op zijn dromen, die hij wist van God te zijn, en hij beoogde de vervulling er van en zijn broeders tot berouw te brengen over hun vorige zonden, en beide doeleinden werden bereikt.
1. Hij toonde zich zeer streng en hard jegens hen, zijn wijze van spreken zelfs, in aanmerking genomen de plaats, die hij bekleedde, was genoeg om hen te laten schrikken, want hij sprak hard met hen vers 7. Hij beschuldigde hen van boze bedoelingen tegen de regering, vers 9, behandelde hen als gevaarlijke lieden: Gij zijt verspieders, betuigende bij het leven van Farao, dat zij dit waren, vers 16. Sommigen beschouwen dit als een eed, anderen houden het voor niets meer dan een heftige betuiging, zoals: zo waarachtig als uw ziel leeft, hoe dit zij, het was meer dan ja, ja, en neen, neen, en dus uit den boze. Slechte woorden worden spoedig aangeleerd door de omgang met hen, die ze gebruiken maar niet zo spoedig afgeleerd. Door veel aan het hof te zijn, had Jozef de eed van het hof aangenomen: zo waarlijk als Farao leeft, hiermede misschien bedoelende zijn broers te bevestigen in het geloof, dat hij een Egyptenaar was, en geen Israëliet, zij wisten, dat dit niet de taal was van een zoon van Abraham. Toen Petrus bewijzen wilde geen discipel van Christus te wezen, vloekte en zwoer hij. Maar waarom was Jozef zo hard voor zijn broers? Wij kunnen er ons verzekerd van houden, dat het niet uit wraakzucht was met de begeerte om thans hen te vertreden, die tevoren hem vertreden hadden, hij was geen man van zulk een gemoedsaard.
Maar: a. het was om de vervulling van zijn dromen te doen uitkomen. b. Het was om hen tot bekering te brengen. c. Het was om een bericht uit hen te krijgen aangaande de toestand van zijn familie die hij zeer verlangend was te kennen. Zij zouden ontdekt hebben wie hij was, indien hij hen ondervraagd had als een vriend, en daarom ondervraagt hij hen als rechter. Zijn broer Benjamin niet bij hen ziende, begon hij hen misschien te verdenken, dat zij ook hem uit de weg hadden geruimd, en daarom geeft hij hun gelegenheid om hem van hun vader en broer te spreken. In Zijn voorzienigheid schijnt God soms hard te wezen voor hen, die Hij liefheeft, en spreekt hard met hen, voor wie Hij toch grote genade heeft weggelegd.
2. Hierop waren zij zeer nederig en onderdanig. Zij spraken met de grootst mogelijke eerbied tot hem: neen, mijn heer, vers 10, een grote verandering sinds zij zeiden: daar komt deze meester-dromer aan. Zeer nederig en bescheiden ontkennen zij de beschuldiging: Wij zijn geen verspieders. Zij zeggen hem wat hun boodschap is, zij kwamen om eten te kopen, een zeer eerlijke zaak, waarvoor veel vreemdelingen toen naar Egypte gekomen zijn. Zij geven een bijzonder bericht omtrent henzelf en hun familie, vers 13. En dat was alles wat zij verlangden.
3. Hij sloot hen allen gedurende drie dagen op in de gevangenis, vers 17. Aldus handelt God met de zielen, voor wie Hij bijzondere eer en vertroosting heeft weggelegd. Eerst verootmoedigt en verschrikt Hij hen, en brengt hen onder een geest van dienstbaarheid, en dan verbindt Hij hun wonden door de geest van de aanneming.
4. Hij kwam ten slotte met hen overeen, dat een hunner als gijzelaar zou achterblijven, en de overigen naar huis zouden gaan om Benjamin te halen. Het was een zeer bemoedigend woord, dat hij tot hen sprak, vers 18, ik vrees God, alsof hij gezegd had: "Gij kunt u er van verzekerd houden dat ik u geen kwaad doen zal, dat durf ik niet, want ik weet dat, hoe hoog ik ook ben, er Eén is, die hoger is dan ik." Van hen, die God vrezen, kunnen wij een billijke behandeling verwachten. De vrees van God zal hen, die macht hebben, weerhouden hun macht te misbruiken tot verdrukking en tirannie. Zij, die voor niemand ontzag behoeven te hebben, moeten ontzag hebben voor hun eigen geweten. Zie Nehemia 5:15. Ik heb alzo niet gedaan om de vreze Gods.