Job 6:8-13
Ongebreidelde hartstocht zal nog heftiger losbarsten als hij bestraft wordt, de onstuimige zee schuimt en raast het meest als zij tegen een rots aan bruist. Job heeft de dood aangeroepen, als hetgeen een gelukkig einde zou maken aan zijn ellende, Hoofdst.3.
Daar heeft Elifaz hem ernstig om bestraft, maar Job inplaats van het te herroepen, zegt het wederom, en met nog grotere heftigheid dan tevoren het is even slecht gezegd als bijna alles wat wij in zijn redenen ontmoeten, en het wordt vermeld tot onze waarschuwing, niet tot onze navolging.
I. Nog is het zijn hartstochtelijke begeerte om te sterven, alsof het niet mogelijk was dat hij ooit weer goede dagen in de wereld zien zou, of dat hij door de beoefening van genade en Godsvrucht zelfs deze dagen van beproeving tot goede dagen kon maken. Hij kon geen einde zien aan zijn ellende dan door de dood en hij had geen geduld om de bestemde tijd daarvoor af te wachten. Hij heeft een verzoek te doen, er is iets waar hij naar verlangt, vers 8, en wat is het? Men zou denken dat het zal wezen, dat het Gode mocht behagen mij te verlossen, en mij weer tot mijn staat van voorspoed te doen komen, neen dat het God beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, vers 9. Gelijk Hij eens Zijn hand losliet om mij arm te maken, en toen om mij ziek te maken, zo laat Hem nu nog eens Zijn hand loslaten, om een einde te maken aan mijn leven. Laat Hem de noodlottige slag toebrengen, het zal voor mij de genadeslag zijn, zoals zij in Frankrijk de laatste slag noemden, die een einde maakte aan het leven van hen, die geradbraakt werden. Er was een tijd, toen het verderf Gods bij hem een schrik was, Hoofdst. 31:23, maar nu verlangt hij naar het verderf van zijn vlees, maar in de hoop dat zijn geest behouden zal worden in de dag van de Heere Jezus.
Merk op: Hoewel Job zeer sterk verlangde naar de dood, en zeer toornig was omdat hij vertoefde te komen, heeft hij toch niet beproefd zich het leven te benemen, hij bad slechts, dat het God mocht believen hem te verbrijzelen. Seneca's zedenleer, die zelfmoord aanprees als het wettige herstel van ondraaglijke grieven, was toen nog niet bekend, en zal ook nooit omhelsd worden door iemand, die ook maar in het minst acht slaat op de wet van God en de natuur. Hoe onbehaaglijk de gevangenschap van de ziel in het lichaam ook moge wezen, toch mag zij volstrekt niet uitbreken uit haar gevangenis, maar moet wachten op een behoorlijk ontslag.
II. Hij maakt van zijn begeerte een gebed, dat het Gode mocht behagen zijn verzoek toe te staan, en dit voor hem te doen. Het was zijn zonde, om zo hartstochtelijk te begeren dat zijn dood verhaast mocht worden, en dat hij die begeerte voordroeg aan God maakte haar niet beter, ja wat een slecht aanzien had in zijn wens, had een nog slechter aanzien in zijn gebed, want wij moeten aan God niet vragen wat wij niet van Hem kunnen vragen in geloof, en wij kunnen niet in het geloof vragen dan hetgeen met de wil van God overeenkomt. Van alle hartstochtelijke uitdrukkingen zijn hartstochtelijke gebeden de ergste, want wij behoren reine handen tot God op te heffen zonder toornigheid.
III. Van de slag des doods belooft hij zich krachtdadige hulp en verlichting, het herstel van al zijn grieven, vers 10. Dat zou nog mijn troost zijn, en nu heb ik geen troost, en kan die ook op geen andere wijze verwachten." Zie: 1. De ijdelheid van het menselijk leven, zó onzeker een goed is het, dat het dikwijls des mensen grootste last blijkt te zijn, terwijl niets zo begerenswaardig schijnt te wezen dan er van verlost te worden. Laat de genade ons gewillig maken om er van te scheiden als God roept, want het kan gebeuren dat zelfs het gevoel ons zou doen begeren er van te scheiden, voordat Hij roept.
2. De hoop, die de rechtvaardigen hebben in hun dood. Indien Job geen goed geweten had gehad, hij zou niet met zo'n verzekerdheid van troost aan de andere kant van de dood hebben kunnen spreken, die omstandigheid, welke al het verschil uitmaakte tussen de rijke man en Lazarus: nu wordt hij vertroost en gij lijdt smarten.
IV. Hij tart de dood om zijn ergst te doen. Indien hij niet kon sterven zonder de ontzettende inleiding van hevige bittere pijnen en doodsbenauwdheid, als hij geradbraakt moet worden vóór hem de genadeslag wordt toegebracht, dan zou hij bij het vooruitzicht van dan toch ten laatste te sterven, voor al die martelingen toch niet terugdeinzen, ik zou mij harden in mijne smart," vers 10, ik zou mijne borst openen om de pillen des doods te ontvangen, laat hem niet sparen, ik begeer geen verzachting van de pijn, die een gelukkig einde zou maken aan al mijne smarten, ik wil mij nog liever voelen sterven, dan niet sterven." Dat zijn hartstochtelijke woorden, het zou beter geweest zijn ze niet uit te spreken. Wij moeten week worden onder smart, teneinde er de goede indrukken van te ontvangen, en ons hart, door de droefheid van ons aangezicht vertederd zijnde, er ook beter door worde gemaakt, maar als wij ons verharden, dan brengen wij God er toe om met ons te blijven twisten, want als Hij oordeelt, zal Hij overwinnen. Het is zeer vermetel om de Almachtige te tarten en te zeggen: "Laat Hem niet sparen," vers 10, want "zijn wij sterker dan Hij?" 1 Corinthiers 10:22. Wij zijn zeer veel aan sparende goedertierenheid verschuldigd, het staat voorwaar zeer slecht met ons indien wij die moede zijn. Laat ons liever met David zeggen: Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke.
V. Hij grondt zijn vertroosting op het getuigenis van zijn geweten vóór hem, dat hij getrouw en standvastig is geweest in het belijden van de Godsdienst, en ook enigermate nuttig en dienstig voor de ere Gods in zijn geslacht: ik heb de redenen van de Heilige niet verborgen gehouden.
Merk op:
1. Aan Job waren de redenen, of woorden van de Heilige toevertrouwd. Het volk van God was toen gezegend en bevoorrecht door Goddelijke openbaringen.
2. Het was zijn troost, dat hij ze niet verborgen heeft gehouden, de genade Gods daarin niet tevergeefs had ontvangen.
a. Hij had ze niet verborgen voor zichzelf, maar had ze de vrije loop gelaten om hun werkingen op hem te doen en hem in alles te leiden en te besturen. Hij had zijn overtuigingen niet gesmoord, de waarheid niet in ongerechtigheid ten ondergehouden, noch iets gedaan om te verhinderen dat die geestelijke spijze gebruikt zou worden of dat die geestelijke medicijn haar werking zou doen. Laat ons nooit Gods Woord verbergen voor onszelf, maar het altijd in het licht er van ontvangen.
b. Hij had ze niet voor zich alleen gehouden, maar was bereid om bij alle gelegenheden zijn kennis mee te delen aan anderen, hij heeft zich nooit geschaamd, en was niet bevreesd te erkennen dat het Woord Gods zijn wet, zijn regel was, en hij is niet nalatig geweest in zijn pogingen om er anderen mee bekend te maken. Diegenen alleen kunnen zich troost beloven in de dood, die terwijl zij leven goed zijn en goed doen.
Vl. Hij rechtvaardigt zich in zijn zo sterk verlangen naar de dood met de beklagenswaardige toestand, waarin hij zich nu bevond, vers 11, 12. Elifaz had hem aan het einde van zijn rede de hoop voorgehouden dat hij nog een goede uitkomst zou zien van zijn beproevingen, maar Job doet deze hartversterkingen van zich weg, weigert vertroost te worden, geeft zich over aan vertwijfeling, en redeneert heel vernuftig, maar toch heel verkeerd, tegen de bemoedigingen, die hem waren gegeven. Mensen, die troosteloos zijn, zullen op zeer vreemde wijze tegen zichzelf redeneren. In antwoord op het lieflijke vooruitzicht, waarmee Elifaz hem gevleid had, geeft hij te kennen:
1. Dat hij geen reden had om zo iets te verwachten: "Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Gij ziet hoe verzwakt ik ben, hoe onmachtig om met kwalen te worstelen, welke reden heb ik dan om te hopen dat ik ze te boven zal komen dat ik betere dagen zien zal? Is mijn kracht stenen kracht? Zijn mijn spieren van koper, mijn zenuwen van staal? Neen, dat zijn zij niet, en daarom kan ik die pijn en ellende niet uithouden, maar moet wegzinken onder die last. Had ik kracht om te worstelen tegen mijn kwaal, ik zou kunnen hopen er het einde van te zien, maar helaas, ik heb geen kracht." Het ter nederdrukken van mijn kracht op de weg zal het verkorten van mijn dagen tengevolge hebben, Psalm 102:24. Alles wel overwogen zijnde, hebben wij geen reden om op een lang voortduren van het leven in deze wereld te rekenen. Wat is onze kracht? Het is afhankelijke kracht, wij hebben niet meer kracht dan God ons geeft, want in Hem leven wij en bewegen wij ons. Het is afnemende kracht, dagelijks geven wij van de voorraad uit, en zo zal die voorraad langzamerhand uitgeput raken. Zij is niet evenredig aan de strijd, die ons wacht, hoe kunnen wij staat maken op onze kracht, als twee of drie dagen van ziekte ons zo zwak zullen maken als water? Inplaats van een lang leven te verwachten, hebben wij reden er ons over te verwonderen, dat wij tot nu toe geleefd hebben, en te gevoelen dat wij snel het einde naderen.
2. Dat hij geen reden had om zo iets te begeren, welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou Welke lieflijkheid kan ik mij beloven in het leven, die te vergelijken is bij het lieflijke, de troost, die ik mij beloof in de dood? Zij, die door genade bereid zijn voor een andere wereld, kunnen niet veel zien dat hen uitlokt tot een langer verblijf in deze wereld, of om deze wereld lief te hebben. Indien het Gods wil is, dat wij Hem nog meer dienen, ons geschikter en rijper te maken voor de hemel, dan kan dat een reden zijn waarom wij de verlenging van ons leven begeren, maar anders, wat kunnen wij ons voorstellen in onze wens om nog hier te blijven? Hoe langer het leven is, hoe smartelijker zijn lasten zullen wezen, Prediker 12:1, en hoe langer het leven is, hoe minder aangenaam zijn genietingen zullen zijn 2 Samuël 19:34, 35 S. Het beste van de wereld hebben wij reeds gezien, maar wij zijn er geheel niet zeker van, dat wij er ook het ergste er van gezien hebben.
VII. Hij voorkomt het vermoeden dat hij ijlhoofdig is, vers 13. Is dan mijn hulp niet in mij? dat is: "Heb ik het gebruik niet van mijn rede, waarmee ik, Gode zij dank, mijzelf kan helpen, hoewel gij mij niet helpt? Denkt gij dat de wijsheid geheel uit mij verdreven is, en dat ik waanzinnig ben geworden? Neen, ik ben niet waanzinnig, edele Elifaz, maar spreek woorden van waarheid en van gezond verstand." Zij, die genade hebben, er het blijk en bewijs van hebben, en haar beoefenen, hebben wijsheid, die in de slechtste tijden hun hulp zal wezen. Sat lucis intus-Zij hebben licht van binnen.