Exodus 1:8-14
Eindelijk wordt het land van Egypte hier een huis van de dienstbaarheid voor Israël, terwijl het hun tot nu toe tot een gelukkige wijkplaats had gediend. De plaats, waar wij voldoening vinden, kan ons spoedig een plaats van verdrukking worden, en dat kan blijken het zwaarste kruis voor ons te zijn, waarvan wij gezegd hebben: Dit zal ons troosten. Die kunnen onze gezworen vijanden worden, wier ouders onze trouwe vrienden zijn geweest, ja, dezelfde personen, die ons hebben liefgehad, kunnen eindigen met ons te haten, en daarom: Laat af van de mens, en zeg van geen enkele plaats onder de hemel: Dit is mijn rust tot in eeuwigheid. Let hier op:
1. Dat de verplichtingen, die zij hadden aan Israël vanwege Jozef, vergeten waren, vers 8. Er stond een nieuwe koning op, na verscheidene koningen, die elkaar zijn opgevolgd in Jozefs tijd, die Jozef niet gekend had. Allen, die hem gekend hebben, hebben hem liefgehad en waren, om zijnentwil, vriendelijk voor zijn bloedverwanten, maar na zijn dood werd hij spoedig vergeten, en de herinnering aan de goede diensten, die hij bewezen had, was òf niet bewaard, of niet geacht, en had geen invloed op hun raadslagen of besluiten. De beste en nuttigste en aangenaamste diensten, bewezen aan mensen, worden zelden herdacht om vergolden te worden, hetzij aan henzelf bij hun leven, of aan hun nageslacht na hun dood, Prediker 9:5, 15. Daarom moet het onze grote zorg zijn God te dienen en Hem te behagen die niet onrechtvaardig is-al zijn de mensen het- dat Hij ons werk en de arbeid van de liefde zou vergeten, Hebreeën 6:10. Als wij alleen voor mensen werken, dan zullen onze werken met ons sterven, maar als wij voor God werken, dan zullen onze werken met ons volgen Openbaring 14:13. Deze koning van Egypte heeft Jozef niet gekend, en na hem stond er een op, die de onbeschaamdheid had om te zeggen: "Ik ken de HEERE niet", Exodus 5:2. Het is te vrezen dat zij, die hun andere weldoeners vergeten, ook hun opperste weldoener niet zullen gedenken, 1 Johannes 4:20.
II. Er werden reden van staat opgegeven om Israël hard te behandelen, vers 9, 10.
1. Zij worden voorgesteld als veel en machtiger dan de Egyptenaren, dat zij zeker niet geweest zijn, maar toen de koning van Egypte besloot hen te verdrukken, wilde hij dat zij daarvoor gehouden zouden worden, dat men hen als een zeer geducht volk zou aanzien.
2. Hier werd afgeleid dat zij, zo men geen zorg droeg om hen tenonder te houden, gevaarlijk zouden worden voor de regering, in geval van oorlog zich bij hun vijanden zouden voegen, en in opstand zouden komen tegen de koning van Egypte. Het is altijd de staatkunde van de vervolgers geweest, om Gods Israël als gevaarlijke lieden voor te stellen, koningen en landschappen schade aanbrengende, onbetrouwbaar, mensen die niet geduld mochten worden, ten einde enig voorwendsel te hebben voor de barbaarse handelwijze, die zij met hen voorhadden, Ezra 4:12 en verv, Esther 3:8.
Merk op: Wat zij vreesden was, dat zij zouden weggaan uit het land, daar zij hen waarschijnlijk hadden horen spreken van de belofte, gedaan aan hun vaderen, dat zij zich in Kanaän zouden vestigen. Het is de staatkunde van de vijanden van de kerk om de beloften van de God van de kerk op niets te doen uitlopen, maar het is tevergeefs, Gods raad zal bestaan.
3. Daarom worden nu maatregelen voorgesteld om hun toeneming tegen te gaan. "Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelve handelen, opdat het niet vermenigvuldige", de toeneming van Israël is het verdriet van Egypte, en de macht en staatkunde van de hel worden aangewend om haar tegen te gaan. Als de mensen goddeloos handelen, dan verbeelden zij zich gewoonlijk dat zij wijs handelen, maar op het laatst zal de dwaasheid van de zonde alle mensen openbaar worden.
III. De methode, die zij volgden om hen te onderdrukken en hun vermeerdering tegen te gaan, vers 11, 13. 14. De Israëlieten gedroegen zich zo vreedzaam en argeloos dat zij geen aanleiding konden vinden om hun de oorlog aan te doen, en hen daardoor te verzwakken. Daarom droegen zij zorg:
1. Om hen arm te houden door hen zware belastingen op te leggen, wat naar sommigen denken, begrepen is in de woorden, dat zij hen verdrukten met hun lasten.
2. Hierdoor hadden zij een afdoend middel om hen tot slaven te maken. De Israëlieten schenen een veel vlijtiger, arbeidzamer volk te zijn dan de Egyptenaren, en daarom droeg Farao zorg werk voor hen te vinden zowel in bouwen: "want men bouwde Farao schatsteden", (vers 11), als in de landbouw: "met allen dienst op het veld", (vers 14), en die diensten werden met de uiterste hardheid en strengheid van hen geëist. Er worden hier veel uitdrukkingen gebruikt om ons van de toestand van Gods volk op de hoogte te stellen. Zij zetten oversten van de schattingen over hen, die bevel hadden, niet alleen om hun lasten op te leggen, maar ze zo zwaar te maken, dat het was om hen te verdrukken. Zij deden hen niet slechts dienen, wat voldoende was voor Farao's winst, maar zij deden hen dienen "met hardigheid" (vers 14), zodat hun het leven verbitterd werd. Dit deden zij:
a. Om hun alle moed te benemen, alle vernuft en geestkracht in hen uit te doven.
b. Om hun gezondheid te schaden en hun dagen te verkorten, en aldus hun getal te verminderen.
c. Om hun de moed te benemen om te huwen, daar hun kinderen in slavernij geboren zouden worden.
d. Om hen te noodzaken de Hebreeën te verlaten en zich met de Egyptenaren te vermengen. Aldus hoopten zij de naam Israël uit te roeien, zodat hij niet meer herdacht zou worden. En het is te vrezen, dat de verdrukking, die zij te lijden hadden die slechte uitwerking op hen had, dat velen er toegebracht werden om zich bij de Egyptenaren te voegen in hun afgodendienst, want wij lezen, Jozua 24:14, dat zij in Egypte andere goden gediend hebben, en hoewel er hier in deze geschiedenis geen melding van wordt gemaakt, vinden wij toch in Ezechiël 20:8, dat God gedreigd had hen hierom te zullen verdelgen, zelfs toen zij nog in Egypteland waren. Evenwel, zij bleven als een afzonderlijk volk bestaan, onvermengd met de Egyptenaren, en ook door hun andere gewoonten van hen onderscheiden, dat is van de HEERE geschied en het was wonderlijk.
IV. De wonderbare toeneming van de Israëlieten in weerwil van de verdrukking, waaronder zij zuchtten, vers 12, "hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies," tot groot verdriet en ergernis van de Egyptenaren. Tijden van verdrukking zijn dikwijls tijden van toeneming geweest van de kerk. "Sub pondere crescit-Gedrukt zijnde, groeit zij." Het Christendom werd het meest verspreid als het vervolgd werd, het bloed van de martelaren was het zaad der kerk. Zij, die raadslagen nemen tegen de HEERE en Zijn Israël, bedenken slechts ijdelheid Psalm 2:1, en scheppen daardoor zoveel te meer kwelling voor zichzelf. De hel en de aarde kunnen diegenen niet verminderen, die de hemel wil doen toenemen.