Jeremia 5:20-24
De profeet, nadat hij hen om hun zonden bestraft en hun met Gods oordelen gedreigd heeft, wordt thans tot hen gezonden met een andere boodschap, die hij moet verkondigen in Juda, de bedoeling daarvan is hen te bewegen om God te vrezen, hetgeen een sprekend bewijs van hun bekering zou zijn, gelijk het gebrek aan eerbied de oorzaak van hun afval was.
I. Hij klaagt over de schaamteloze stompzinnigheid van het volk, en over hun afwijken van God, en spreekt daarover alsof Hij niet weet wat Hij met hen moet aanvangen.
1. Hun verstand was verduisterd om de stralen van het goddelijk licht op te vangen. Zij waren een dwaas en harteloos (of onverstandig) volk, zij begrepen de bedoeling Gods niet, of schoon die hun zo duidelijk geopenbaard was in het geschreven woord, door de profeten en door Zijn voorzienigheid, vers 21. "Zij hebben ogen maar zien niet, oren maar horen niet," gelijk de afgoden die zij gemaakt hadden en aanbaden, Psalm 115:5, 6, 8. Men zou gedacht hebben dat zij op die dingen gelet hadden, maar dat deden zij niet, zij hadden verstandelijke vermogens en bekwaamheden, maar zij gebruikten en versterkten die niet zoals zij moesten doen. Hierdoor stelden zij de verwachtingen van al hun naburen teleur, die, ziende welke uitnemende middelen van kennis zij bezaten, meenden, Deuteronomium 4:6 :"Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk." Wij kunnen niet over de mensen oordelen naar de voorrechten en gelegenheden, welke zij genieten, er zijn er die in duisternis zitten in een land van licht, die in zonden leven zelfs ineen heilig land, die slecht zijn in de beste plaatsen.
2. Hun wil was wederstrevend en onbekwaam om zich aan de regelen van de goddelijke wet te onderwerpen, vers 23. Dit volk heeft een afvallig en weerspannig hart, en geen wonder, want zij waren dwaas en zonder verstand. Psalm 82:5. Het is de bedorven toestand van de wil die het verstand belemmert en verdwaast. Het karakter van dit volk is het ware karakter van alle mensen van nature, totdat de genade Gods er verandering in werkt. Wij zijn dwaas, traag om te verstaan en geneigd om ons te vergissen en om te vergeten, en toch is dat nog niet het ergste. Wij hebben een afvallig en weerspannig hart, een vleselijk gezinde wil, die in vijandschap is tegen God en zich niet aan Zijn wet onderwerpt, die niet alleen in opstand komt door een ingewortelde afkeer van al wat goed is, maar ook tegen God zich verzet door een sterke neiging tot al wat kwaad is. Het afvallige hart is een opstandig hart, zij die zich aan hun verbond met God onttrekken, laten het daar niet bij maar zij scharen zich aan de zijde van zonde en Satan en nemen tegen God de wapenen op. Zij zijn opgestaan en heengegaan. Een hart in opstand zal een leven van opstand teweegbrengen. Zij zijn gegaan, en zij zullen gaan, nu zij niet meer tegengehouden worden, Genesis 11:6.
II. Hij beschrijft dit als gebrek aan de vreze Gods. Nu hij ziet dat zij onverstandig zijn vraagt hij "Zult gijlieden mij niet vrezen: spreekt de Heere en zult gij niet beven voor Mijn aangezicht?" vers 22. Indien gij slechts enig ontzag voor God hadt, zoudt gij beter opletten op hetgeen Hij zegt tot u, en zoudt gij uw eigen belang beter begrijpen, gij zoudt meer onder de bevelende regelen van de vreze Gods zijn nu Hij ziet dat zij afgevallen en heengegaan zijn, voegt Hij er dit bij als de oorzaak van hun afval, vers 24 :Zij zeggen niet in hun hart: laat ons nu de Heere onze God vrezen. Daarom komen zoveel slechte gedachten in hun ziel op en drijven hen tot hetgeen kwaad is, omdat zij er geen goede gedachten in willen toelaten en aankweken, en vooral niet deze goede gedachte: laat ons nu de Heere, onze God, vrezen. Het is waar dat het Gods werk is om Zijn vreze in onze harten te bewerken, maar het is onze taak om ons tot Zijn vreze op te wekken, en daaraan beschouwingen te ontlenen, die geschikt zijn om ons een heilig ontzag voor Hem in te boezemen. En omdat wij dit niet doen, zijn onze harten zo afkerig van Zijn vreze en zo geneigd om tegen Hem op te staan.
III. Hij noemt enige dingen op, die geschikt zijn om ons met heilige vreze voor God te bezielen.
1. Wij moeten vrezen voor de Heere en Zijn grootheid, vers 22. Naar aanleiding daarvan vraagt hij om onze vreze: Zult gij voor Mijn aangezicht niet beven? en bevreesd zijn om Hem te beledigen of met Hem te strijden, die in het rijk van de natuur en van de voorzienigheid zulke onweersprekelijke bewijzen van Zijn macht en soevereiniteit geeft? Hier wordt een voorbeeld uit vele gegeven: Hij heeft aan de zee het zand tot een paal gezet. Of schoon het getij elken dag tweemaal met groot geweld opkomt: en het schijnt alsof het de wereld zal overstromen, ofschoon in een storm de golven hoog rijzen en de kust beuken met ongelooflijk geweld, zij zijn onder Zijn bedwang, zij wijken en er gebeurt geen kwaad. Dit is de hand des Heeren, en indien wij er niet zo aan gewoon waren, zou het wonderlijk zijn in onze ogen. Hij heeft het zand gezet tot een beperking voor de zee niet alleen als grenssteen om aan te wijzen hoe ver zij komen mag en waar zij moet ophouden, maar als een dam, en verdediging, die haar tegenhoudt. Een muur van zand is even voldoende om de golven te breken als een muur van koper, wanneer dat God behaagt. Dat leert ons dat een zacht antwoord, evenals het zachte zand, de grimmigheid doet wijken en de razende woede stilt, terwijl grievende woorden evenals harde rotsen, maar aanhitsen, en maken dat de wateren opstuiven en des te meer modder en slijk opwerpen. Dit perk is gesteld tot een eeuwige inzetting, door een aloude instelling, zo kan men ook lezen, en wijst ons dus terug naar de schepping van de wereld toen God scheiding maakte tussen de zee en het droge, en grenzen tussen die beide stelde. Genesis 1:9, 10, hetwelk zo schoon beschreven is in Psalm 104:7 en v.v. en Job 38:9. Of tot het tijdperk van Noachs vloed, toen God beloofde dat de aarde niet meer door het water zou vergaan, Genesis 9,11 Een eeuwige inzetting, zo luidt onze vertaling. Zij is een eeuwige inzetting, die altijd heeft gegolden, en duren zal zolang dag en nacht zullen bestaan. De wateren van de zee kunnen deze eeuwige inzetting niet overschrijden of doorbreken. Ofschoon haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niet overmogen, ofschoon zij bruisen als waren zij vertoornd over de hun geboden tegenstand, zo zullen zij toch niet daarover gaan. En dit is een goede reden waarom wij God zullen vrezen. Want
a. Hieraan zien wij dat Hij een God van almachtige kracht en onbeperkte heerschappij is, en derhalve gevreesd en geëerbiedigd moet worden.
b. Het toont ons hoe gemakkelijk Hij de aarde weer door het water zou kunnen verderven en hoe wij voortdurend afhankelijk zijn van Zijn barmhartigheid, en daarom moeten wij bevreesd zijn Hem tot onze vijand te maken.
c. Zelfs de woeste baren van de zee gehoorzamen Zijn bevel en keren terug als Hij hen tegenhoudt, en zullen wij dat dan niet doen? Waarom zijn onze harten afkerig en opstandig, indien de zee nooit tegen Hem opstaat?
2. Wij moeten de Heere en Zijn goedheid vrezen, Hosea 3:5. De bewijzen daarvoor zijn, gelijk het vorige aan Gods algemene voorzienigheid ontleend, vers 24. Wij moeten vrezen de Heere onze God, dat is, wij moeten Hem aanbidden en Hem verheerlijken, en altijd zorgzaam zijn om in Zijn liefde te blijven, omdat Hij ons voortdurend goed doet. Hij geeft ons beide de vroege en de spade regen. de vroege even na zaaitijd en de spade kort voor de oogst, beide op hun tijd, en daardoor bewaart Hij ons de weken, de gezette tijden des oogstes. De oogst werd bij weken gerekend, omdat er in enkele weken genoeg geoogst werd om te strekken tot voorraad voor een geheel jaar. De weken van de oogst zijn voor ons vastgesteld door Gods belofte, dat zaaien en oogsten niet zullen ophouden. En ter vervulling van deze belofte worden zij nu zo door de Goddelijke voorzienigheid geregeld, anders zouden wij tekortkomen. Door de genadegaven van de oogst wordt God derhalve bekend in Zijn macht en goedheid en getrouwheid, want zij komen alle van Hem. En dit is een goede reden waarom wij Hem zouden vrezen, en onszelf in Zijn liefde bewaren, omdat wij zo afhankelijk van Hem zijn. De vruchtbare jaargetijden getuigen van God zelfs in de heidenwereld, genoeg om hun verachting van Hem niet te verschonen, Handelingen 14:17, en toch werden de Joden, die er Gods openbaring nog ter verklaring bij hadden, er niet door bewogen om de Heere te vrezen, of schoon duidelijk blijkt dat dit ons belang is.