Genesis 1:3-5
Wij hebben hier een nader bericht van het werk van de eerste dag. Daarin merken wij op:
1. Dat het eerste van alle zichtbare dingen, die God geschapen heeft, licht was, niet opdat Hij zelf er bij zou kunnen zien om te werken (want duisternis en licht zijn voor Hem gelijk, maar opdat wij er Zijn werken bij zouden zien, en in die werken Zijn heerlijkheid, en opdat wij onze werken zullen werken terwijl het dag is. De werken van Satan en zijn dienstknechten zijn werken van de duisternis, maar die de waarheid doet, komt tot het licht, en begeert het, "opdat zijn werken openbaar worden," Johannes 3:21. Licht is de grote schoonheid en zegen van het heelal, evenals de eerstgeborene, gelijkt het, onder alle zichtbare dingen, het meest op deszelfs grote Vader in reinheid en kracht, helderheid en weldadigheid, het is na verwant aan een geest. Hoewel wij er andere dingen bij zien, en er zeker van zijn, dat het is, dat het bestaat, kennen wij er toch de aard niet van, noch kunnen wij het omschrijven, zeggen "wat het is, noch de weg tonen waar het licht verdeeld wordt," Job 38:19, 24. Als wij het zien, zo laat ons er door geleid worden tot, en er door geholpen worden in een gelovige aanschouwing van Hem, die Licht is, in wie geheel geen duisternis is, 1 Johannes 5, "de Vader van de lichten" Jakobus 1:17, en die "een ontoegankelijk licht bewoont," 1 Timotheus 6:16. In de nieuwe schepping is licht het eerste ding, dat in de ziel wordt gewrocht. De gezegende Geest leidt de wil en de genegenheden gevangen door het verstand te verlichten, en komt alzo door de deur in het hart, evenals de Goede Herder, wiens eigendom het is, terwijl de zonde en Satan, evenals dieven en rovers, van elders inklimmen. Zij, die door de zonde duisternis waren, worden door genade licht in de Heere.
II. Dat het licht gemaakt was door het woord van Gods kracht. Hij zei: Er zij licht. Hij wilde en bepaalde het, en terstond geschiedde het: er was licht, zo'n kopie, als nauwkeurig overeenkwam met de oorspronkelijke idee in de gedachte Gods. O hoe groot en ontzaglijk is het woord Gods! Hij sprak, en het was er, het was er, wezenlijk, afdoend, en voor altijd, niet slechts in vertoning, en om alleen in een ogenblikkelijke behoefte te voorzien, want Hij gebood en het stond er, voor Hem was "dictum factum-een woord, en een wereld" Het woord van God, dat is: Zijn wil en het welbehagen er van, is levend en krachtig, Christus is het woord, het essentiële eeuwige Woord, en door Hem was het licht voortgebracht, want "in Hem was licht, en Hij is het ware Licht, het Licht van de wereld," Johannes 1:9, 9:5. Het Goddelijke licht, dat in geheiligde zielen schijnt is gewerkt door de kracht Gods, de kracht Zijns Woords, en van de Geest van de wijsheid en openbaring, die het verstand opent, de nevelen van de onwetendheid en dwaling verdrijft en de kennis geeft van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus, zoals in de beginne "God gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen," 2 Corinthiërs 4:6. Er zou op het aangezicht van de gevallen mens voortdurend duisternis geheerst hebben, indien "de Zoon van God niet was gekomen en ons het verstand had gegeven," 1 Johannes 5:20.
III. Dat het licht, hetwelk God wilde, door Hem goedgekeurd werd, toen het was voortgebracht. God zag het licht, dat het goed was. Het was juist zoals Hij het bedoeld had, en het was geschikt om te beantwoorden aan het doel, waartoe Hij het bestemd had. Het was nuttig en voordelig, zonder het licht, zou de wereld, die thans een paleis is, een kerkerhol geweest zijn. Het was liefelijk en aangenaam, "het licht is zoet," Prediker 11:7. "Het verblijdt het hart," Spreuken 15:30. Wat God gebiedt, zal Hij goedkeuren, en genadiglijk aannemen, en een welgevallen hebben aan het werk van Zijn handen. Datgene is in waarheid goed, hetwelk goed is in Gods oog, want Hij ziet niet zoals de mens ziet. Indien het licht goed is, hoe goed is dan niet Hij, die de Bron is van licht, van wie wij het ontvangen, en aan wie wij er alle lof voor verschuldigd zijn, en al de diensten die wij er bij verrichten!
IV. Dat God scheiding maakte tussen het licht en de duisternis, ze van elkaar scheidde, daar zij nooit te zamen gevoegd en met elkaar verzoend kunnen zijn, want, "wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 2 Corinthiërs 6:14. Hij verdeelde ook de tijd tussen hen: de dag bestemde Hij voor het licht, en de nacht voor de duisternis, in voortdurende en geregelde opvolging van elkaar. Hoewel de duisternis nu verdreven was door het licht, was zij toch niet tot voortdurende ballingschap veroordeeld, maar wisselt zij af met het licht, en heeft haar plaats, omdat zij haar nut heeft. Want gelijk het licht van de morgen het werk van de dag begunstigt, zo begunstigen de schaduwen van de avond de rust van de nacht, en trekken de gordijnen om ons heen, opdat wij te beter kunnen slapen, Job 7:2. God heeft aldus de tijd verdeeld tussen licht en duisternis, omdat Hij ons wil doen gedenken, dat dit een wereld is van mengsels en veranderingen. In de hemel is er volkomen en eeuwigdurend licht, en in het geheel geen duisternis, in de hel is de uiterste duisternis en geen straal van licht. In die wereld is er tussen deze twee een grote kloof gevestigd, maar in deze wereld wisselen zij elkaar af, en zo gaan wij dagelijks van de ene naar de andere, opdat wij zullen leren dezelfde wisselvalligheden te verwachten in de voorzienigheid Gods: vrede en beroering, vreugde en smart, om dan het een tegenover het ander te plaatsen, en ons naar beide te schikken, zoals wij doen met licht en duisternis, beide welkom hetende en met beide ons voordeel doende.
V. Dat God ze van elkaar verdeelde door onderscheiden namen. Hij noemde het licht Dag en de duisternis noemde Hij Nacht. Als Heer van beide gaf Hij hun namen, want "de dag is Zijne, ook is de nacht Zijne, Psalm 74:16. Hij is de Heer van de tijd, en zal dit zijn totdat dag en nacht aan een einde komen, en de stroom des tijds verzwolgen wordt in de oceaan van de eeuwigheid. Laat ons God erkennen in de gestadige opvolging van dag en nacht, en beide toewijden aan Zijn eer door iedere dag voor Hem te arbeiden, en elke nacht in Hem te rusten, en dag en nacht Zijn wet te overdenken.
VI. Dat dit het werk was van de eerste dag, en het was een kostelijke dag werks. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag. De duisternis van de avond was voor het licht van de morgen, om er de tegenstelling van te zijn en er de schittering zoveel beter van te doen uitkomen. Dit was niet alleen de eerste dag van de wereld, maar de eerste dag van de week. Ik bemerk dat dit tot eer is van die dag, omdat ook de nieuwe wereld op de eerste dag van de week begonnen is in de opstanding van Christus, vroeg in de morgen, als het Licht van de wereld. In Hem heeft de Opgang uit de hoogte ons bezocht, en zalig, eeuwig zalig zijn wij, indien deze Morgenster opgaat in onze harten.