Genesis 1:6-8
Wij hebben hier het bericht van het werk op de tweede dag, de schepping van het uitspansel, waarbij wij opmerken:
I. Het desbetreffende bevel van God: Daar zij een uitspansel, als een uitgespreid laken, of een ontrold gordijn. Dit sluit in al wat zichtbaar is boven de aarde tussen haar en de derde hemel, de lucht haar hogere, midden en lagere sferen, de hemelglobe en al de lichtkringen van boven, zij reikt in de hoogte tot de plaats waar de sterren zijn, want die wordt het uitspansel des hemels genoemd, vers 14 :15, en benedenwaarts tot aan de plaats waar de vogels vliegen, want ook die wordt uitspansel des hemels genoemd, vers 20. Toen God het licht gemaakt heeft, bestemde Hij de lucht om de vergaderplaats en het voertuig van deszelfs stralen te zijn, en als middel van gemeenschap te wezen tussen de onzichtbare en de zichtbare wereld. Want hoewel er tussen hemel en aarde een onbegrijpelijk grote afstand is, is er toch geen onoverkomelijke kloof gevestigd, zoals tussen de hemel en de hel. Dit uitspansel is geen muur des afscheidsels, maar een weg van gemeenschapsoefening, zie Job 26:7, 37:18,. Psalm 104:3 :Amos 9:6.
II. De schepping van dit uitspansel. Opdat het de schijn niet zou hebben, alsof God slechts gebood, dat het gedaan moest worden, en dat iemand anders het gedaan heeft, voegt hij er bij: En God maakte dat uitspansel. Wat God van ons eist, werkt Hij zelf in ons, of het zou niet gedaan worden. Hij, die geloof, heiligheid en liefde gebiedt, schept ze door de kracht van Zijn genade, uitgaande met Zijn woord opdat Hij er al de lof voor ontvange. Heere geef wat Gij gebiedt, en gebied dan wat U behaagt. Van het uitspansel wordt gezegd, dat het "het werk is van Zijn vingeren," Psalm 8:4. Hoewel de grootte van deszelfs uitgestrektheid het als een werk aanduidt van Zijn uitgestrekte arm, wordt toch door de bewonderenswaardige fijnheid van zijn samenstel aangetoond, dat het een zeldzaam kunstgewrocht is, het werk van Zijn vingeren.
III. Het gebruik en de bestemming er van: om scheiding te maken tussen de wateren, dat is: om te onderscheiden tussen de wateren die in de wolken zijn, en die welke de bodem van de zee bedekken: de wateren in de lucht, en die op de aarde. Zie het verschil tussen deze nauwkeurig opgemerkt in Deuteronomium 11:10, 11, waar Kanaän hierom boven Egypte gesteld wordt, dat Egypte bevochtigd en vruchtbaar gemaakt wordt door de wateren, die onder het uitspansel zijn, terwijl Kanaän besproeid wordt door de wateren van boven, die uit het uitspansel komen, de dauw des hemels, druppelen op het kruid, "dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt," Micha 5:6. God heeft in het uitspansel van Zijn kracht, kamers, opperzalen, waaruit Hij "de aarde drenkt," Psalm 104:13, 65:10, 11. Hij heeft ook "schatkamers van de sneeuw en des hagels, die Hij ophoudt tot de tijd van de benauwdheid, tot de dag des strijds en des oorlogs," Job 38:22, 23. O welk een Grote God is Hij, die aldus voorzien heeft voor het gerief en de vertroosting van allen, die Hem dienen, en voor de beschaming van allen, die Hem haten! Het is goed Hem tot onze Vriend, en kwaad Hem tot onze Vijand te hebben.
IV. De benaming er van. God noemde het uitspansel Hemel. Het is de zichtbare hemel, het plaveisel van de heilige stad, boven het uitspansel wordt God gezegd Zijn troon te hebben, Ezechiël 1:26, want Hij heeft hem bereid in de hemelen, daarom wordt van de hemel gezegd, dat hij heerst, Daniël 4:26. Is "niet God in de hoogte van de hemelen?" Job 22:12. Ja, Hij is daar, en door de aanschouwing van de hemel, die wij zien kunnen, moeten wij er toe geleid worden om te denken aan Onzen Vader, die in de hemelen is. De hoogte van de hemel moet ons doen gedenken aan Gods oppermacht, en de oneindige afstand, die er is tussen ons en Hem. De helderheid van de hemel en zijn reinheid moeten ons herinneren aan Zijn heerlijkheid en majesteit, en volmaakte heiligheid, de uitgestrektheid van de hemel, zijn omsluiten van de aarde, en de invloed, die hij er op uitoefent, moeten ons aan Zijn grootheid en algemene voorzienigheid doen gedenken.