Johannes 16:16-22
Ter vertroosting Zijner bedroefde discipelen belooft de Heere Jezus hier, dat Hij hen wederom zal bezoeken.
I. Let op, hoe Hij hun kennis geeft van de vertroosting, die Hij hun zou doen toekomen, vers 16. Hij zegt hun:
1. Dat zij Hem binnen kort niet meer zouden zien: Een kleinen tijd, en gij, die Mij gedurende zo langen tijd gezien hebt, en nog begeert Mij te zien, en gij zult Mij niet zien, en daarom, indien zij Hem nog een goede, gepaste vraag te doen hebben, dan moeten zij er spoedig mede komen, want Hij nam nu afscheid van hen. Het is goed te bedenken, hoe nabij het einde onze tijd van genade wezen kan, opdat het ons aanspore om hem goed te gebruiken, zolang hij er nog is. Thans zien onze ogen onze leraren, zien wij de dagen van den Zoon des mensen, maar nog een kleinen tijd wellicht, en wij zullen ze niet zien. Zij verloren het gezicht van Christus.
a. Bij Zijn dood, toen Hij heenging van de wereld, en er zich daarna nooit meer openlijk in heeft getoond. Het meeste wat de dood doet aan onze Christelijke vrienden is hen van voor onze ogen weg te nemen, niet hen te nemen uit het bestaan, noch uit de zaligheid, niet van alle betrekking tot ons, maar alleen van ons gezicht, van voor onze ogen, maar niet uit ons hart of onze gedachten.
b. Bij Zijne hemelvaart, toen Hij zich aan hen onttrok (van hen, die na Zijne opstanding nog gedurende enigen tijd omgang met Hem gehad hebben), nam ene wolk Hem weg van hun ogen, en hoewel zij hun ogen naar den hemel hielden, Hem naoogden, zagen zij Hem niet meer, Handelingen 1:9, 10. 2 Koningen 2:12. Zie 2 Corinthiërs 5:16.
2. Dat zij Hem echter spoedig weer zouden zien: Wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien, en daarom behoort gij niet te treuren als degenen, die gene hope hebben. Zijn vaarwel was nog geen laatst vaarwel, zij zullen Hem wederzien.
a. Bij Zijne opstanding, spoedig na Zijn dood, toen Hij "zich zelven levend vertoond heeft met vele gewisse kentekenen, en dat wel na een zeer kleinen tijd, binnen nog gene veertig uren. Zie Hosea 6:2.
b. Bij de uitstorting des Heiligen Geestes, spoedig na Zijne hemelvaart, welke de nevelen van onwetendheid en dwaling verdreef, waarin zij schier het spoor bijster waren geworden, die hun een veel helderder inzicht gaf in de verborgenheden van Christus' Evangelie, dan zij nog gehad hadden. De komst des Geestes was Christus' bezoek aan Zijne discipelen, geen vluchtig, maar een blijvend bezoek, en zulk een, als waardoor zij weer een volkomen gezicht op Hem kregen.
c. Bij Zijne wederkomst. Zij hebben Hem wedergezien, toen zij, de een na den ander, door den dood zijn weggenomen, en allen tezamen zullen zij Hem wederzien aan het einde des tijds, als Hij zal komen met de wolken, en alle oog Hem zien zal. Ook daarvan zou in waarheid gezegd kunnen worden, dat het slechts "een kleine tijd was", immers, wat zijn de dagen des tijds, in vergelijking met de dagen der eeuwigheid?" 2 Petrus 3:8, 9. 3. Hij geeft er de reden voor op: Want Ik ga heen tot den Vader. En daarom:
a. "Moet ik u voor een tijd verlaten, want Mijne zaak, Mijn werk, roept Mij naar de bovenwereld, en gij moet tevreden wezen om Mij te missen, want in werkelijkheid is Mijne zaak uwe zaak".
b. "Daarom zult gij Mij weldra wederzien, want de Vader zal Mij niet ten uwen nadele terughouden. Ik ga uit op uwe boodschap, gij zult Mij wederzien. zodra Mijne zaak afgedaan is, zodra het schikt en voegzaam is". Het schijnt wel, dat dit alles veeleer ziet op Zijn heengaan door den dood, en Zijn terugkeren na Zijne opstanding, dan op Zijn heengaan bij Zijne hemelvaart en Zijne wederkomst aan het einde des tijds, want het was Zijn dood. die hen van droefheid vervulde, niet Zijne hemelvaart. Lukas 24:52, en tussen Zijn dood en Zijne opstanding was het inderdaad slechts een kleine tijd. En het kan gelezen worden, niet zoals in Hoofdstuk 12:35:nog een kleinen tijd, het is niet eti mikron, maar mikron -voor, of gedurende, een kleinen tijd zult gij Mij niet zien, namelijk gedurende de drie dagen, dat Ik in het graf lig, en wederom voor, of gedurende, een kleinen tijd zult gij Mij zien, namelijk gedurende de veertig dagen tussen Zijne opstanding en Zijne hemelvaart. Aldus kunnen wij zeggen van onze leraren en Christelijke vrienden: Nog een kleinen tijd, en wij zullen hen niet zien, of zij moeten ons, of wij moeten hen verlaten. maar dit is zeker, binnenkort zullen wij moeten scheiden, maar niet voor eeuwig. Het is slechts een "goeden nacht" aan hen, die wij met blijdschap in den morgen hopen weer te zien.
II. De verlegenheid der discipelen, nadat hun deze mededeling gedaan was. Zij wisten niet wat zij er van denken zouden, vers 17, 18.
"Sommigen van hen zeiden" -zachtjes, "tot elkaar", hetzij sommigen der zwaksten, der minst bekwamen of begaafden, of sommigen der meest weetgierigen, die het meest verlangend waren Hem te begrijpen: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt? Hoewel Christus dikwijls tevoren in die strekking of betekenis tot hen had gesproken, waren zij toch nog in het duister, al is het ook regel op regel, gebod op gebod, het is tevergeefs, tenzij God het verstand geeft. Zie nu hier:
1. De zwakheid der discipelen, daar zij het zo duidelijke gezegde niet konden begrijpen, waartoe Christus hun nog wel den sleutel had gegeven, daar Hij hun dikwijls in duidelijke bewoordingen gezegd had, dat Hij gedood zou worden, en ten derden dage zou opstaan, en toch zeggen zij: wij weten niet wat Hij zegt, want:
a. "Droefheid had hun hart vervuld, en hen onvatbaar gemaakt voor vertroosting. De duisternis der onwetendheid en de duisternis der droefgeestigheid zullen gewoonlijk elkaar doen toenemen, vergissingen veroorzaken droefheid, en dan zullen de vergissingen door de droefheid nog bevestigd worden.
b. Het denkbeeld van een aards koninkrijk van Christus was zo diep bij hen ingeworteld, dat zij geen zin of betekenis wisten te geven aan die woorden van Hem, welke zij niet in overeenstemming wisten te brengen met dat denkbeeld. Als wij denken dat de Schrift in overeenstemming gebracht moet worden met de valse denkbeelden, die wij hebben ingezogen, dan is het niet te verwonderen, dat wij klagen dat dit zo moeilijk is, maar als ons verstand, onze redeneringen gevangen geleid worden door de openbaring, dan wordt de zaak gemakkelijk genoeg. c. Wat hen zo in verlegenheid bracht schijnt de uitdrukking: een kleinen tijd geweest te zijn. Indien Hij al ten laatste heen moet gaan, kunnen zij toch niet begrijpen, waarom Hij hen zo spoedig zou verlaten, terwijl Zijn verblijf totnutoe nog zo kort was, vergelijkender wijs zulk een kleine tijd was. Zo is het ook ons moeilijk, om ons die verandering als nabij voor te stellen, die wij weten, dat zeer zeker komen zal, en plotseling kan komen. Als ons gezegd wordt: "Nog een kleinen tijd, en dan zullen wij rekenschap moeten geven", dan weten wij niet goed hoe ons hiermede te verzoenen, want wij hebben het er altijd voor gehouden, dat het gezicht voor vele dagen is, Ezechiël 12:27.
2. Hun bereidwilligheid om onderricht te worden. Toen zij zich de betekenis van Christus' woorden niet konden verklaren, hebben zij er met elkaar over beraadslaagd en elkanders hulp er voor ingeroepen. Door samenspreking over Goddelijke dingen ontlenen wij licht aan anderen, en vermeerderen ons eigen licht. Let er op, hoe nauwkeurig zij Christus' woorden herhalen. Al kunnen wij elke moeilijkheid, die wij in de Schrift ontmoeten, niet tot klaarheid brengen, moeten wij haar toch niet ter zijde werpen, maar wat wij niet kunnen verklaren, overdenken en wachten, totdat God ons dit zal openbaren.
III. De nadere verklaring van hetgeen Christus gezegd had.
1. Zie hier waarom Christus het verklaarde, vers 19. Hij bekende, dat zij Hem wilden vragen, en dat bedoelde Hij ook. Met de moeilijkheden, die wij niet weten op te lossen, moeten wij gaan tot Hem, die alleen het verstaan of het begrip er van geven kan. Christus wist dat zij Hem wilden vragen, maar te verlegen of te beschaamd waren om het te doen. Christus neemt kennis van onze Godvruchtige begeerten, al kunnen wij ze nog niet opzenden, al zijn het nog onuitsprekelijke zuchtingen, ja zelfs komt Hij hen voor met zegeningen van het goede. Christus onderrichtte hen, van wie Hij wist, dat zij Hem wilden vragen, ofschoon zij hun vraag niet deden. Eer wij roepen, antwoordt Hij. Nog een reden, waarom Christus hun de verklaring gaf, was, omdat Hij zag, dat zij de zaak onder elkaar bespraken: "Vraagt gij daarvan onder elkaar? Wel, Ik zal het u gemakkelijk maken". Dit geeft ons te kennen, wie het zijn, die Christus wil onderwijzen:
a. De ootmoedigen, die hun onwetendheid bekennen, want dit lag in hun vragen opgesloten.
b. De naarstigen, die gebruik maken van de middelen, die zij hebben: Vraagt gij? onderzoekt gij? Gij zult onderwezen worden.
Wie heeft, dien zal gegeven worden.
2. Zie hier hoe Hij het verklaarde, niet door een nauwkeurige en kritische verhandeling over de woorden, maar door hun de zaak nog duidelijker en nader voor te stellen. Hij had gesproken van Hem niet te zien en van Hem te zien, en zij begrepen Zijne bedoeling niet, daarom verklaart Hij het door hun treuren en verblijd zijn, omdat wij de dingen gewoonlijk afmeten naar de uitwerking, die zij op ons hebben, vers 20. Gij zult schreien en klaaglijk wenen om Mijn heengaan, maar de wereld zal (er zich in) verblijden, en gij zult bedroefd zijn, terwijl Ik afwezig ben, maar bij Mijne terugkomst, Mijn wederkeren tot u, zal uwe droefheid tot blijdschap worden. Maar Hij zegt niets van "den kleinen tijd", omdat Hij zag, dat dit hen meer dan iets anders in verlegenheid bracht, en het is van geen belang voor ons de tijden en gelegenheden te weten. De gelovigen hebben smart of vreugde al naar gelang zij al of niet een gezicht hebben op Christus en de tekenen van Zijne tegenwoordigheid bespeuren.
a. Wat Christus hier en in vers 21 en 22 zegt van hun droefheid en blijdschap is in de eerste plaats te verstaan van den tegenwoordigen staat en de omstandigheden der discipelen, en zo hebben wij: a. De voorzegging van hun droefheid: Gij zult schreien en klaaglijk wenen en gij zult bedroefd zijn. Het lijden van Christus kon niet anders dan droefheid veroorzaken aan Zijne discipelen. Zij weenden om Hem, omdat zij Hem liefhadden, de pijn van onzen vriend is pijn voor ons zelven, toen zij sliepen, was het van droefheid, Lukas 22:45. Zij weenden om zich zelven, en om hun eigen verlies, en om het treurige, dat zij voor zich vreesden, als Hij heengegaan zou zijn. Het kon niet anders dan een smart zijn Hem te verliezen, voor wie zij alles hadden verlaten, en van wie zij zo veel hadden verwacht. Christus heeft Zijne discipelen vooruit gewaarschuwd, dat zij smart hadden te wachten, opdat zij er zich tegen zouden kunnen wapenen door de vertroostingen in hun hart weg te leggen. b. Hoe de wereld zich intussen zal verheugen: maar de wereld zal zich verblijden. Wat smart is voor de heiligen, is vreugde voor de zondaren. Ten eerste. Wie vreemdelingen zijn voor Christus, zullen volharden in hun vleselijke vrolijkheid, en zich volstrekt niet bekommeren om de smart der Christenen. Het gaat hun, die over den weg gaan, niet aan, Klaagliederen 1:12. Ten tweede. Zij, die Christus vijandig zijn, zullen zich verblijden, omdat zij hopen Hem ten onder te hebben gebracht, en dat Zijne zaak nu wel hopeloos verloren zal zijn. Wij kunnen ons voorstellen, dat de overpriesters, toen zij Christus aan het kruis zagen, zich vrolijk over Hem maakten, zoals zij, die op de aarde wonen, over de dode lichamen der getuigen, Openbaring 11:10. Laat het ons gene verwondering baren, als wij anderen zien juichen, terwijl wij sidderen voor de ark. c. Het wederkeren van blijdschap voor hen ter bestemder tijd: Maar uwe droefheid zal tot blijdschap worden. Gelijk de blijdschap van een geveinsde, zo is de droefheid van den waren Christen slechts voor een ogenblik. De discipelen waren verblijd toen zij den Heere zagen. Zijne opstanding was voor hen als een leven uit de doden, en hun smart om Christus' lijden werd in ene blijdschap verkeerd van zulk een aard, dat zij door geen lijden van hen zelven beneveld of vergald kon worden. Zij waren droevig, doch altijd blijde, 2 Corinthiërs 6:10, zij hadden een droevig leven, en toch een blijmoedig hart.
b. Het is van toepassing op al de gelovige volgelingen van het Lam en het beschrijft den gewonen toestand der Christenen. a. Beide hun toestand en hun neiging zijn treurig, smarten zijn hun deel, en ernst is in hun gemoedsgesteldheid. Zij, die Christus kennen, moeten evenals Hij, "bekend zijn met smart". Zij schreien en wenen klaaglijk om hetgeen anderen heel licht opnemen: over hun eigen zonden en de zonden van hen, die hen omringen, zij treuren met de treurenden, en treuren om de zondaren, die niet treuren om zich zelven. b. Intussen gaat de wereld met al hare vrolijkheid voorbij. Zij lachen nu en brengen hun dagen zo vrolijk door, dat men zou denken, dat zij noch droefheid kennen, noch er voor vrezen. Vleselijke vrolijkheid en genoegens behoren voorzeker niet tot de beste dingen, want anders zouden de slechtste mensen er niet zo ruim mede bedeeld zijn, noch de gunstgenoten des hemels er zulke vreemdelingen voor wezen. c. Het geestelijk treuren zal weldra in een eeuwig verblijden overgaan. Vrolijkheid is gezaaid voor de oprechten, die met tranen zaaien, en ongetwijfeld zullen zij weldra met gejuich maaien. Hun droefheid zal niet slechts door vreugde worden gevolgd, maar er in overgaan, want de kostelijkste vertroostingen komen uit Godvruchtige droefheid voort. Dit heldert Hij op door ene gelijkenis, ontleend aan ene vrouw in barensnood, met wier smarten Hij die Zijner discipelen vergelijkt ter hunner bemoediging, want het is de wil van Christus, dat Zijn volk een vertroost volk zal zijn.
Ten eerste. Hier is de gelijkenis zelf, vers 21. Wij weten dat ene vrouw, wanneer zij baart, droefheid heeft. Zij lijdt zware pijnen, dewijl hare ure gekomen is, de ure, door de natuur en de voorzienigheid vastgesteld, die zij verwacht heeft, en waaraan zij niet ontkomen kan. Maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, mits zij veilig en wel verlost is, en het kind, zij het ook een Jabez, 1 Koningen 4:9, toch geen Ben-Oni, Genesis 35:18, is, dan gedenkt zij der benauwdheid niet meer. Hare zuchten en klachten zijn voorbij, en de naweeën zijn gemakkelijker te dragen, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is, anthropos, iemand van het menselijk geslacht, hetzij zoon of dochter, want het woord kan beiden betekenen. Merk op:
a. De vrucht, of het gevolg van den vloek, in de smart en pijn ener barende vrouw, overeenkomstig het vonnis, Genesis 3:16. Met smart zult gij kinderen baren. Deze smarten zijn zeer heftig: de zwaarste pijnen en smarten worden er bij vergeleken, Psalm 48:7, Jesaja 13:8, 21:3, Jeremia 4:31, 6:24, en zij zijn onvermijdelijk, 1 Thessalonicenzen 5:3. Zie wat deze wereld is, al hare rozen zijn omgeven van doornen, alle mensenkinderen zijn dwaze kinderen, omdat zij hunner moeder droefheid zijn, van den beginne aan. Dat komt van de zonde.
b. De vrucht van den zegen in de blijdschap dat een kind in de wereld geboren is. Indien God na den val den zegen niet van kracht had laten blijven: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt u, dan zouden ouders nooit met welbehagen en blijdschap op hun kinderen kunnen zien, maar hetgeen de vrucht is van een zegen is ene oorzaak van blijdschap, de geboorte van een kind is:
a. der ouderen vreugde, zij verblijdt hen, Jeremia 20:15. Hoewel kinderen zekere zorgen en onzekere vertroostingen zijn, en dikwijls blijken een zeer zwaar kruis te zijn, is het toch iets natuurlijks om ons bij hun geboorte te verblijden. Indien wij er zeker van konden wezen, dat onze kinderen, evenals Johannes de Doper, vervuld zouden worden van den Heiligen Geest, dan zouden wij gewis, evenals zijne ouders, blijdschap en verheuging hebben in hun geboorte, Lukas 1:14, 15. Maar als wij bedenken, dat zij niet slechts in zonde worden geboren, maar dat zij, gelijk het hier is uitgedrukt, in de wereld zijn geboren, ene wereld van valstrikken, een tranendal, dan zullen wij reden zien om ons te verheugen met beving, en te bidden, dat er van hen niet behoeve gezegd te worden: Het ware hun beter nooit te zijn geboren. Het is zulk ene blijdschap, als waardoor der benauwdheid niet meer gedacht wordt als der wateren, die voorbijgegaan zijn, Job 11:16. Zo ook Genesis 41:51. Nu is dit zeer geschikt om: a. De smarten voor te stellen van Christus' discipelen in deze wereld. Zij zijn als barensweeën, heftig en scherp, maar niet van langen duur, en bestemd om blijdschap voort te brengen, zij zijn in pijn om te baren, zoals de kerk wordt voorgesteld, Openbaring 12:2, en het ganse schepsel, Romeinen 8:22. En:b. Hun blijdschap na die smarten, welke alle tranen zal afwissen, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan, Openbaring 21:4. Als zij geboren zijn in die zalige wereld, en de vruchten oogsten van al hun arbeid en smart, dan zullen het zwoegen, de moeite en de benauwdheid van deze wereld niet meer gedacht worden, zoals die van Christus niet meer gedacht werden, toen Hij van den arbeid Zijner ziel zag, overvloedig en tot Zijn volkomen verzadiging, Jesaja 53.
Ten tweede. De toepassing der gelijkenis, vers 22. Gij dan hebt nu wel droefheid, en zult waarschijnlijk nog meer hebben, maar Ik zal u wederom zien, en gij Mij, en dan zal alles wel wezen a. Wederom spreekt Hij hun hier van hun droefheid. Gij dan hebt nu wel droefheid omdat Ik u verlaat, gelijk aangeduid wordt in de antithesis: Ik zal u wederom zien. Als Christus zich verwijdert, zich terugtrekt, dan is dit een rechtmatige oorzaak van droefheid voor Zijne discipelen. Als Hij Zijn aangezicht verbergt, dan kunnen zij niet anders dan verschrikt zijn. Als de zon ondergaat, zal de zonnebloem het hoofd laten hangen. En Christus let op deze droefheid, Hij heeft ene fles voor de tranen en een register voor de zuchten van alle Godvruchtige treurenden.
b. Uitvoeriger dan tevoren verzekert Hij hen van het wederkeren der blijdschap, Psalm 36:6, 12. Hij zelf heeft Zijn eigen smarten gehad, en de onze gedragen, om de vreugde, die Hem was voorgesteld, en Hij wil, dat wij ons met ditzelfde vooruitzicht zullen bemoedigen. Er zijn drie dingen, waardoor de blijdschap ons wordt aanbevolen:
a. De oorzaak er van: Ik zal u wederom zien. Ik zal een vriendelijk, liefdevol bezoek bij u afleggen, om naar uwen welstand te vernemen en u te vertroosten. Christus zal genaderijk wederkeren tot hen, die op Hem wachten, hoewel Hij hen voor een kleinen ogenblik scheen te hebben verlaten, Jesaja 54:7. Als de mensen verhoogd zijn, zullen zij hun minderen nauwelijks aanzien, maar de verhoogde Jezus zal Zijne discipelen bezoeken. Zij zullen Hem niet slechts zien in Zijne heerlijkheid, maar Hij zal hen zien in hun nederigheid. b. Christus' wederkeren is een wederkeren der blijdschap voor al Zijne discipelen. Als de nevelen weggevaagd zijn, en de onderbroken gemeenschap weer hersteld is, dan wordt de mond vervuld met lachen.
b. Het hartelijke dier blijdschap: uw hart zal zich verblijden. Goddelijke vertroostingen geven vreugde in het hart. Blijdschap in het hart is degelijk en duurzaam, niet vluchtig en oppervlakkig, zij is verborgen, datgene, waarmee een vreemde zich niet zal vermengen, zij is lieflijk en geeft den Godvruchtige voldoening in zich zelven, zij is blijvend, en zal niet licht verstoord worden. Christus' discipelen moesten zich van harte verblijden in Zijn wederkomen, er zich oprecht en grotelijks in verheugen.
c. Het voortduren er van: Niemand zal uwe blijdschap van u wegnemen. De mensen zullen pogen hun blijdschap van hen weg te nemen, zij zouden het doen, indien zij konden, maar zij zullen het niet vermogen. Sommigen verstaan dit van de eeuwige blijdschap der verheerlijkten, zij, die zijn ingegaan tot de vreugde huns Heeren, zullen daar niet meer uitgaan. Van onze blijdschap op aarde kunnen wij door duizenderlei voorvallen beroofd worden, maar de hemelse blijdschap is eeuwig. Ik versta het echter veeleer van de geestelijke blijdschap van hen, die geheiligd zijn, inzonderheid van de blijdschap der apostelen in hun apostelschap. Gode zij dank' zegt Paulus, in naam van de overigen, die ons allen tijd doet triomferen, 2 Corinthiërs 2:14. Een boosaardige wereld zou haar van hen weg willen nemen, indien banden en ballingschap, pijniging en dood haar van hen weg hadden kunnen nemen, zij zouden haar verloren hebben, maar toen zij hun alles ontnomen hadden, konden zij dit, namelijk deze blijdschap, hun toch niet ontnemen, als droevig zijnde, doch altijd blijde. Zij konden hen niet van hun blijdschap beroven, omdat zij hen niet konden scheiden van de liefde van Christus, hen niet van hun God konden beroven, noch van hun schat in den hemel.