Mattheus 26:17-25
Wij hebben hier het verhaal hoe Christus het pascha heeft gehouden. Geworden zijnde onder de wet, heeft Hij zich onderworpen aan al de inzettingen er van, dus ook aan deze. Het feest werd gehouden ter herinnering aan Israël's verlossing uit Egypte, den geboortedag van dit volk. Het was ene overlevering der Joden, dat zij in de dagen van den Messias verlost zouden worden op dezelfden dag van hun uittocht uit Egypte, en dit is ook nauwkeurig alzo geschied, want Christus stierf op den dag na het pascha, toen zij dus hun uittocht begonnen zijn.
I. De tijd, wanneer Christus het pascha at, was de gewone tijd door God daartoe bepaald, en waargenomen door de Joden, vers 17, op den eersten dag der ongehevelde broden, die in dat jaar op den vijfden dag der week viel, dus op onzen Donderdag. Sommigen hebben het voorgesteld alsof onze Heere Jezus het pascha toen vroeger gehouden heeft dan anderen, maar de geleerden hebben overtuigend bewezen, dat dit niet zo is.
II. De plaats waar, is zeer bijzonder door Hem zelven aan de discipelen op hun vraag hieromtrent aangewezen, vers 17. Zij vroegen: Waar wilt Gij, dat wij U bereiden het pascha te eten? Wellicht was Judas een dergenen, die deze vraag gedaan hebben, om des te beter zijne maatregelen ter volvoering van het verraad te kunnen nemen, maar de overige discipelen vroegen het, zoals gewoonlijk, ten einde hun plicht te kunnen doen.
1. Zij twijfelden niet of hun Meester zou het pascha willen eten, hoewel Hij toen door de overpriesters vervolgd werd. Zij wisten dat Hij geen plicht zou nalaten, hetzij wegens verschrikkingen van buiten, of vreze van binnen. Zij volgen Christus' voorbeeld niet, die zich voor verontschuldigd houden van aan het Avondmaal des Heeren-ons pascha- te gaan, omdat zij in zo velerlei benauwdheden zijn en vele vijanden hebben, vol zijn van zorg en vrees, want indien dit zo is, dan hebben zij het des te meer nodig om gebruik te maken van dit middel der genade, teneinde hun vrees tot bedaren te brengen, en vertroost te worden onder hun druk, en hun zorgen op God te werpen.
2. Zij wisten zeer goed, dat hiervoor toebereidselen gemaakt moesten worden, en dat het hun werk was, als Zijne dienstknechten, om die toebereidselen te maken. Waar wilt Gij, dat wij U bereiden het pascha te eten? Voor het vieren van plechtige inzettingen behoort een plechtige voorbereiding.
3. Zij wisten dat Hij geen eigen huis had, waarin Hij het pascha kon eten. Hierin, evenals in andere dingen, is Hij om onzentwil arm geworden. Onder alle paleizen van Zion was er geen voor Zions Koning, maar Zijn koninkrijk was niet van deze wereld, Johannes 1:11.
4. Zij wilden gene plaats uitkiezen zonder aanwijzing van Hem, en van Hem ontvingen zij dan ook die aanwijzing, Hij zond hen tot zulk enen, vers 18, die waarschijnlijk een vriend en volgeling van Hem was, en in zijn huis heeft Hij zich zelven en Zijne discipelen te gast genodigd. Zegt hem: Mijn tijd is nabij. Hij bedoelt de tijd van Zijn dood, elders genoemd Zijne ure, Johannes 8:20, 13:1, de tijd, de ure, bestemd in den raad Gods, waar Hij Zijn hart op gesteld had, en waarvan Hij zo dikwijls had gesproken. Hij wist wanneer de tijd nabij was, en ging er naar te werk. Wij weten onzen tijd niet, Prediker 9:12, en daarom moeten wij steeds wakende zijn, onze tijd is altijd bereid, Johannes 7:6, en daarom moeten wij altijd bereid zijn. Omdat Zijn tijd nabij was, wilde Hij het pascha houden. De gedachte aan de nadering van onzen dood moet ons aansporen tot een vlijtig gebruik van alle gelegenheden, die het welzijn onzer ziel kunnen bevorderen. Is onze tijd nabij en staat ons de eeuwigheid voor de deur? Zo laat ons feest houden in de ongezuurde broden der oprechtheid. Toen onze Heere Jezus zich in het huis diens vromen mans te gast noodde, zond Hij hem de tijding, dat Zijn tijd nabij was. Christus' verborgenheid is voor degenen, die Hem ontvangen in hun hart. Johannes 14:21, Openbaring 3:20. Zegt hem: Ik zal bij u het pascha houden. Dit was een voorbeeld van Zijn gezag als de Meester, dat door dezen man waarschijnlijk erkend werd. Hij heeft om het gebruik van zijn huis voor dit doel niet verzocht, maar het geboden. Evenzo eist Christus, als Hij door Zijn Geest in het hart komt, toegang als iemand, die meester is van dat hart en niet afgewezen kan worden. Indien Hij zegt: Ik zal in deze ziel feest houden, dan doet Hij het, want Hij werkt, en niemand kan Hem hinderen, Zijn volk zal gewillig zijn, want Hij maakt hen gewillig. Ik zal bij u het pascha houden met Mijne discipelen. Waar Christus welkom is, verwacht Hij dat ook Zijne discipelen welkom zullen zijn. Als wij God aannemen tot onzen God, dan nemen wij Zijn volk aan als ons volk.
III. De toebereidselen werden gemaakt door de discipelen, vers 19 :zij deden gelijk Jezus hun bevolen had. Zij, die naar Christus' tegenwoordigheid verlangen bij het Evangelie-pascha, moeten nauwkeurig Zijne voorschriften volgen, en doen wat Hij hun zegt en zoals Hij het hun zegt. Zij bereidden het pascha, zij lieten het lam slachten in het voorhof van den tempel, hebben het doen braden, voorzagen zich van bittere kruiden, brood en wijn, het tafellaken werd gespreid, en alles in gereedheid gebracht om het heilige en plechtige feest te vieren.
IV. Zij aten het pascha overeenkomstig het voorschrift der wet, vers 20, Hij zat aan, in de gewone houding aan tafel, niet op zijde liggende, want in die houding is het niet gemakkelijk te eten of te drinken, maar rechtop zittende, ofschoon wellicht op een lagen zetel. Hetzelfde woord, dat hier gebruikt is om Zijne houding aan te duiden, wordt ook elders gebruikt voor Zijne houding aan tafel, Hoofdstuk 9:10, Lukas 7:37, Hoofdstuk 26:7. Het was naar het gevoelen der meeste Schriftuitleggers slechts het eerste pascha in Egypte, dat gegeten werd met de lenden opgeschort, de schoenen aan de voeten en den staf in de hand, hoewel dat ook in zittende houding kon plaatshebben. Zijn aanzitten geeft Zijne gemoedsrust te kennen, toen Hij zich tot deze plechtigheid begaf. Hij zat neer met de twaalven, Judas niet uitgezonderd. Volgens de wet moesten zij een lam voor een huis nemen, Exodus 12:3, 4, waarin niet minder dan tien personen mochten aanwezig zijn, en niet meer dan twintig. Christus' discipelen waren Zijn huisgezin. Zij, die van God een gezin hebben ontvangen, moeten met dat gezin den Heere dienen.
V. Wij hebben hier Christus' gesprekken met Zijne discipelen aan den paasmaaltijd. Het gewone onderwerp der gesprekken bij deze feestviering was de bevrijding van Israël uit Egypte, Exodus 12:26, 27, maar het grote Pascha staat nu geofferd te worden, en de gesprekken hierover nemen de plaats in van alle anderen, Jeremia 16:14, 15. Hier is:
1. Christus' algemene kennisgeving aan Zijne discipelen van het verraad, dat onder hen zou plaatshebben, vers 21, Een van u zal Mij verraden. Christus wist dit. Wij weten niet wat rampen ons zullen treffen, noch vanwaar zij over ons komen zullen, maar Christus wist wat Hem te wachten stond, hetgeen een blijk en bewijs is Zijner alwetendheid, en Zijne liefde zo heerlijk doet uitblinken, daar Hij alles wist wat Hem zou wedervaren, en toch Zijn voornemen niet opgaf. Hij voorzag het verraad en de laagheid van een Zijner eigen discipelen, en ging toch voorwaarts, droeg zorg voor hen, die Hem gegeven waren, hoewel Hij wist, dat zich onder hen een Judas bevond. Hij wilde den prijs onzer verlossing betalen, hoewel Hij voorzag, dat sommigen den Heere zouden verloochenen, die hen gekocht heeft. Hij stortte Zijn bloed, ofschoon Hij wist, dat het vertreden en onrein zal geacht worden. Als er gelegenheid toe was, heeft Hij hen, die Hem omringden, dit doen weten. Hij had hun dikwijls gezegd, dat de Zoon des mensen overgeleverd zou worden, nu zegt Hij, dat een hunner dit zal doen, opdat zij, als zij het zagen, er te minder verbaasd om zouden zijn, maar hun geloof er door versterkt zou worden, Johannes 13:19, 14:29.
2. De gewaarwordingen der discipelen, vers 22. Hoe hebben zij die mededeling opgenomen? Zij waren zeer bedroefd. Het ontroerde hen te horen, dat hun Meester verraden zou worden. Toen dit voor het eerst aan Petrus werd gezegd, riep hij: Wees U genadig, en daarom moest het voor hem en de overige discipelen een grote smart zijn te vernemen, dat dit nu zo nabij was. Het ontroerde hen nog meer te horen, dat een hunner dit doen zou. Het zal een smaad wezen voor de broederschap, dat een apostel een verrader ging worden, en dit smartte hen. Godvruchtige zielen treuren om de zonden van anderen, inzonderheid van hen, die een meer dan gewone belijdenis van den Godsdienst hebben afgelegd, 2 Corinthiërs 11:29. Wat hen het meest ontroerde was, dat zij in het onzekere waren wie van hen dit doen zou, en ieder hunner was bevreesd voor zich zelven, dat hij, naar de uitdrukking van Hazael in 2 Koningen 8:13, de hond zou zijn, die deze grote zaak doen zou. Zij, die de kracht en de list kennen van den verleider, en hun eigen zwakheid en dwaasheid, kunnen niet anders dan in angst zijn omtrent zich zelven, als zij horen dat de liefde van velen zal verkouden. Een iegelijk van hen begon tot den Heere te zeggen: Ben ik het, Heere? Zij waren niet geneigd Judas te verdenken. Hoewel hij een dief was, wist hij toch zo goed den schijn te bewaren, dat zij, die gemeenzaam bekend met hem waren, toch niet naijverig op hem geweest zijn. Niemand hunner zag hem er op aan, en nog veel minder vroegen zij: Is het Judas, Heere? Het is mogelijk voor een geveinsde om niet slechts zonder als geveinsde ontdekt te worden door de wereld te gaan, maar zelfs zonder dat men hem er van verdenkt, gelijk er vals geld is, dat zo kunstig nagemaakt is, dat niemand aan de echtheid er van twijfelt. Zij waren wèl geneigd zich zelven te verdenken, Ben ik het, Heere? Hoewel zij zich niets van dien aard bewust waren (zulk ene gedachte was zelfs nooit bij hen opgekomen) vreesden zij toch het ergste, en vroegen Hem, die ons beter kent, dan wij ons zelven kennen: Ben ik het, Heere? Het betaamt den discipelen van Christus altijd om in tijden van bijzondere beproeving met een heiligen ijver zich zelven te wantrouwen. Wij weten niet, hoe sterk de verzoeking voor ons worden kan, en in hoeverre God ons aan ons zelven zal overlaten, en daarom hebben wij reden om niet hoog gevoelende te zijn, maar te vrezen. Het is opmerkelijk, dat onze Heere Jezus even voordat Hij het Avondmaal instelde, Zijne discipelen aan deze toetsing van zich zelven heeft onderworpen, ten einde ons te leren "ons zelven te onderzoeken en te oordelen, ons te beproeven en alzo van het brood te eten en van den drinkbeker te drinken".
3. Er wordt hun nadere inlichting gegeven betreffende deze zaak, vers 23, 24, waar Christus hun zegt:
a. Dat de verrader een gemeenzame vriend was: Die de hand met Mij in den schotel indoopt, dat is: Een van u, die thans met Mij aanzit. Hij zegt dit om het verraad als ontzettend zondig in het licht te stellen. Uitwendige gemeenschapsoefening met Christus in heilige inzettingen is een grote verzwaring onzer onoprechtheid jegens Hem. Het is een lage ondankbaarheid om met Christus in den schotel in te dopen, en Hem toch te verraden. b. Dat dit was overeenkomstig de Schrift, dat er de ergernis van zou wegnemen. Was Christus verraden door een discipel? Aldus was er geschreven, Psalm 41:10, Die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven. Hoe meer wij in onze wederwaardigheden en benauwdheden de vervulling zien der Schrift, hoe gemakkelijker wij ze kunnen dragen.
c. Dat die gesloten koop zeer duur zou blijken voor den verrader, wee den mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt. Dit zei Hij, niet slechts om het geweten van Judas te doen ontwaken en hem tot berouw en bekering te brengen en zijn verdrag met de overpriesters te herroepen, maar ook ter waarschuwing van al de anderen om zich te wachten voor de zonde van Judas. Hoewel God ook door de zonde der mensen Zijn eigen doeleinden tot stand brengt, wordt de toestand van den zondaar hier toch niet minder rampzalig door, het ware hem goed zo die mens niet geboren was geweest. Het verderf, dat hen wacht, die Christus verraden, is zo groot, dat het oneindig beter ware niet te zijn, dan zo rampzalig te zijn.
4. De schuldigverklaring van Judas, vers 25.
Ben ik het? vraagt hij, ten einde door zijn stilzwijgen gene verdenking tegen hem op te wekken. Hij wist zeer goed, dat hij het was, en wilde toch onbekend schijnen met het complot. Velen, die door hun eigen geweten veroordeeld worden, geven zich veel moeite om zich voor de mensen te rechtvaardigen en een schoon gelaat te vertonen met de vraag: Ben ik het, Heere? Hij moest wel weten, dat Christus het wist, en toch vertrouwde hij zo op Zijn toegevende hoffelijkheid, wijl Hij het totnutoe verborgen had gehouden, dat hij nu de onbeschaamdheid had Hem, als het ware, uit te dagen om het bekend te maken. Of wellicht was hij zo ver onder de macht gekomen van ongeloof, dat hij zich verbeeldde, dat Christus het niet wist, zoals zij, die zeiden: De Heere ziet het niet, Psalm 94:7, en vroegen: zal Hij door de donkerheid oordelen? Christus heeft spoedig geantwoord op zijne vraag: Gij hebt het gezegd, dat is: Het is zoals gij gezegd hebt. Dit is niet zo duidelijk als Nathans: Gij zijt die man, maar het was toch duidelijk genoeg om hem van schuld te overtuigen, en om, indien zijn hart niet zo ontzettend verhard ware geweest, het complot in duigen te doen vallen, toen hij het ontdekt zag aan zijn Meester. Zij, die het plan beramen om Christus te verraden, zullen vroeg of laat zich zelven verraden, hun eigen tong zal hen doen aanstoten.