7. Zuiver dan de oude zuurdesem uit, al wat nog van de oude mens is overgebleven (
Efeze 4:22.
Colossenzen 3:9), opdat u een nieuw deeg mag zijn, onvermengd met zuurdeeg, zoals u, ten gevolge van de genade, die u in uw opname in het rijk van God is ten deel geworden (
Hoofdstuk 6:11.
2 Corinthiërs 5:17. ongezuurd bent en het aldus tot uw roeping en verkiezing behoort zo'n nieuw deeg voor te stellen. Want ook wij Christenen hebben een paasfeest, evengoed, ja nog beter dan de kinderen van Israël, die in deze dagen hun Pascha zullen slachten en eten en dan alle zuurdeeg uit hun huizen verwijderen, om zeven dagen lang alleen zoete broden te eten (
Exodus 12:3-
27). Ons Pascha is voor ons geslacht, niet alleen tot vergeving en tot onze rechtvaardigmaking, maar ook tot onze heiligmaking en volmaking, namelijk Christus (
1 Petrus 1:18, ;
2:24.
a) Johannes 1:29. 1 Corinthiërs 15:3. Het is duidelijk dat Paulus hier reeds dadelijk in de eerste zin op de Joodse paasgewoonte zinspeelt. Zeer nauwgezet werd op de dag, aan welks avond het paaslam werd geslacht, nagezien, of wel alle zuurdeeg en wat met zuurdeeg was gebakken, uit het huis was verwijderd. Het gehele huis zou de zegen van het feest hebben verloren, als er maar een kleinigheid zuurdeeg in enige hoek was blijven liggen Exodus 12:20. Hieraan knoopt nu Paulus zijn vermaning vast en gerust kon hij dit beeld aan de Joodse gewoonte ontlenen; want aan het een deel van de gemeente is die gewoonte bekend, omdat zij die van jongs af zelf volgden, aan het andere gedeelte is zij door het lezen van het Oude Testament bekend geworden.
De gehele hier ontwikkelde allegorie zou voor Paulus onnatuurlijk zijn geweest, als hij zijn brief, die hij voor Pinksteren heeft geschreven (Hoofdstuk 16:8), na Pasen, dus tussen pasen en pinksteren geschreven had. Zeer natuurlijk was zij, als het Joodse Pascha dicht bij was, waardoor juist deze allegorie op geen andere plaats door hem behandeld, zich ongezocht aan hem aanbood, zodat de bijzondere vorm van zijn rede een afdruk was van de feestgedachten, die bij het naderen van het feest in hem leefden.
Reeds met de vraag in Vers 6 : "weet u niet? " heeft Paulus er nadruk op gelegd, dat zij wel wisten, wat hij hun nu zei en hoe het dus aan hen stond, het kwaad, dat om zich heen greep, van zich af te zonderen. Hij spreekt echter de eis nog uitdrukkelijk uit in de woorden: "zuiver de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg mag zijn. " De oude zuurdesem is het zondige, dat uit de vóór-Christelijke toestand is overgenomen en door de Corinthiërs nog niet geheel overwonnen was; daarvan moesten zij zich reinigen. De uitdrukking "zuivert uit", "veegt weg", is gekozen met het oog op het gebod in Exodus 12:15, volgens hetwelk de Israëlieten ten tijde van het Pascha ten teken van de zedelijke reiniging van het huis alle zuurdeeg daaruit moesten verwijderen; zo moeten de Christenen al wat onzedelijk is, wegdoen, dat door boete en door het doden van het vlees gebeurt, waarna, zoals H. Müller zegt, het begin aan het hart moet worden gemaakt. Christenen moeten een nieuw deeg zijn, waarin nog geen zuurdeeg is, dat als pas geworden, geen samenhang en niets gemeen heeft met het verleden, waaruit het oude zuurdeeg afkomstig is. De Christenen moeten een heilige gemeente voorstellen, van ergernissen vrij, wier medeleden door Christus nieuwe mensen zijn geworden, want slechts deze stemt overeen met het geheiligde van de Christelijke staat, zoals dat wordt uitgedrukt met de woorden: "zoals u ongezuurd bent. "
De gemeente is geroepen een nieuw fris, door geen oud zuurdeeg doortrokken deeg te worden; haar verplichting, zowel als haar bekwaamheid tot de dienst van God in de nieuwheid van rechtschapen gerechtigheid en heiligheid geven de woorden: "zoals u ongezuurd bent", te kennen. In Christus zijn wij ongezuurd, rein en heilig, een nieuw schepsel. Wat nu God ons heeft gegeven door de genade van de roeping tot gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere (Hoofdstuk 1:9) en wat wij ontvangen hebben door het geloof, dat wil zich krachtig in ons openbaren en wij moeten het tot uitwerking laten komen, opdat wij een nieuw deeg zijn in goddelijke wandel en in leven. Een als hier de vermaning: "zuiver de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag", zich grondt op de genadegift van God: "zoals u ongezuurd bent", volgt in Colossenzen 3:5 de vermaning: "dood dan uw leden" op het feit van de genade (Vers 3), u bent gestorven. Als nu de apostel hier voortgaat: "want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus", dan geeft het woordje "want" de grond aan, waarop de gehele voorgaande zin rust; zowel de verzekering, dat wij ongezuurd zijn (want dat zijn wij door het geloof in het bloed van ons paaslam), als de vermaning tot het uitzuiveren van de oude zuurdesem, opdat wij een nieuw deeg zijn (want daartoe zijn wij geroepen in de kracht van onze Heere Jezus Christus, die voor ons is geofferd en in ons leeft). "Ook ons Pascha is voor ons geslacht", ook wij hebben een paaslam; de Christelijke kerk is dus niet armer dan de kinderen van Israël, die in het paaslam de schat van al hun schatten hadden, het schoonste van hun schone godsdienst, het hoofdoffer van hun offers en het voornaamste testament onder de testamenten van de belofte. Het paaslam van de Israëlieten was geen ander dan ons paaslam, Christus: maar totdat Hij kwam, die komen zou en Johannes de Doper op Hem wees: "zie, het Lam van God", moesten de kinderen van het verbond dat een Lam, dat Jesaja (53:7) in de geest ter slachtbank zag leiden, in vele lammeren afbeelden, wier onschuldig bloed door het daarmee verbonden woord van de belofte de verzoening, die in Christus' bloed is, voor het zondige volk voorafschaduwde. Maar nu is het werkelijke, waarachtige paaslam geofferd of geslacht "voor ons", juicht Paulus, Joden en heidenen tezamen nemend; want dit Lam draagt de zonde van de wereld en is de verzoening voor de zonde van de hele wereld.