Spreuken 29:5
Diegenen kunnen gezegd worden hun naasten te vleien, die het goede in hen loven en toejuichen (het goed dat zij doen, of het goede dat zij hebben) dat er in werkelijkheid niet is of niet zoals zij het voorstellen, en een achting en een genegenheid voor hen betuigen, die zij in werkelijkheid niet voor hen koesteren. Dezen spreiden een net voor hun gangen.
1. Voor de gangen, of voeten, van hun naaste. Zij hebben er een boze bedoeling mede, zij zouden niet zulke fraaie woorden spreken als zij niet hoopten er hun voordeel mee te doen. Daarom is het verstandig om hen, die ons vleien te verdenken van ons heimelijk een strik te spannen, en dienovereenkomstig op onze hoede te zijn. Of het heeft een slechte uitwerking op hen, die gevleid worden, het blaast hen op van hoogmoed, maakt hen verwaand, en zo blijkt het een net te zijn, dat hen verstrikt in zonde.
2. Voor hun eigen gangen, of voeten, zo verstaan het sommigen. Hij, die anderen vleit in de verwachting dat zij van hun zijde hem complimenten zullen maken, hem zullen vleien, maakt zich slechts bespottelijk en hatelijk zelfs in de ogen van hen, die door hem gevleid worden.