Spreuken 24:23-26
Hier zijn lessen voor wijzen, voor rechters en vorsten. Evenals onderdanen hun plicht moeten doen en gehoorzaam moeten zijn aan de magistraten, zo moeten magistraten hun plicht doen in het recht te bedelen aan hun onderdanen. Dit zijn lessen voor hen.
1. Zij moeten altijd het recht van een zaak onderzoeken, en zich door geen bedenkingen buiten de zaak om hetzij voor of tegen een van de partijen laten leiden. Het is niet goed op zichzelf, en het kan nooit goed doen, om het aangezicht in het gericht te kennen, de gevolgen daarvan kunnen niet anders dan strekken om het recht te verkeren en onrecht te doen onder schijn van wet en billijkheid. Een goed rechter zal de waarheid kennen, maar geen aangezichten kennen, zoals om een vriend te steunen en hem heen te helpen door een slechte zaak, of ook maar iets nalaten, dat gezegd of gedaan kan worden ten gunste van een rechtvaardige zaak, als het de zaak is van een vijand.
2. Zij moeten nooit goddeloze mensen steunen of aanmoedigen in hun goddeloze praktijken, of die oogluikend toelaten. Magistraten in hun plaats en leraren in de hun moeten in getrouwheid handelen met de goddeloze, al is hij ook een aanzienlijk hooggeplaatst persoon, of een bijzonder vriend, om hem te overtuigen van zijn goddeloosheid, hem te tonen wat er het einde van zal zijn, hem te ontdekken aan anderen, opdat deze hem mijden. Maar indien zij, wier ambt hun de plicht oplegt om de mensen te wijzen op hun overtredingen, ze verbloemen, ze door de vingers zien, indien zij de goddeloze verontschuldigen, meer nog, indien zij hem bevorderen, en zich met hem vergezellen, hetgeen in werkelijkheid gelijk staat met te zeggen: Gij zijt rechtvaardig, dan zullen zij met recht beschouwd worden als vijanden van de openbare vrede en het openbare welzijn, die zij behoorden te bevorderen, en zullen de volkeren hen vervloeken en schande over hen roepen, en zelfs zij die tot andere natiën behoren zullen hen verafschuwen als lage verraders van het ambt, dat hun toevertrouwd werd.
3. Zij moeten alle bedrog en geweld, alle ongerechtigheid en onzedelijkheid afkeuren en beteugelen, en hoewel zij hierdoor een bijzonder persoon kunnen ontstemmen, zullen zij daardoor zich toch in de gunst van God en de mensen aanbevelen. Laat magistraten en leraren, en ook particuliere personen, die er toe geschikt en in staat zijn, de goddelozen bestraffen, ten einde hen tot berouw en bekering te brengen of hen te schande te maken, en dan zullen zij er in hun eigen hart de vertroosting van smaken, voor hen zal lieflijkheid zijn, als hun geweten voor hen getuigt dat zij getuigen zijn geweest voor God, en de goede zegen zal op hen komen, de zegen van God en goede mensen. Zij zullen goede, godsdienstige vaderlandslievende mannen geacht worden. Zie Hoofdst. 28:23.
4. Zij moeten altijd uitspraak doen naar recht en billijkheid vers 26. Zij moeten rechte woorden antwoorden, hun mening zeggen en vonnis vellen overeenkomstig de wet en de wezenlijke omstandigheden van de zaak, en van hem, die dit doet, zal men de lippen kussen, men zal hem eren en liefhebben, en zich onderwerpen aan zijn bevelen, want er is een kus van trouw en onderdanigheid, zowel als van genegenheid. Hij, die ook in de gewone omgang met gepastheid spreekt en met oprechtheid, beveelt zich aan bij zijn gezelschap, en wordt door iedereen geëerd en bemind.