Jesaja 7:1-9
De opdracht van de profeet Jesaja werd vernieuwd in het jaar toen koning Uzzia stierf, Hoofdstuk 6:1. Jotham, zijn zoon regeerde, en regeerde goed gedurende zestien jaar. Gedurende al die tijd heeft Jesaja ongetwijfeld geprofeteerd, naar het hem bevolen was, en toch hebben wij in dit boek geen van zijn profetieën, gedateerd van de regering van Jotham, maar die, welke het eerst komt, was in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham. Vele voortreffelijke, nuttige leerredenen heeft hij uitgesproken, die niet uitgegeven of in de registers bewaard zijn, want indien alles, wat merkwaardig was, geschreven ware, de wereld zelf zou de geschreven boeken niet kunnen bevatten, Johannes 21:25. Misschien had hij onder de regering van Achaz, een goddeloos koning, niet zoveel gelegenheid, om voor het hof te prediken, als in de tijd van Jotham, en heeft hij daarom meer geschreven tot een getuigenis tegen hen. Hier is:
I. Een zeer geducht komplot gevormd tegen Jeruzalem door Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de koning van Israël, twee naburige potentaten, die in de laatste tijd al invallen hadden gedaan in Juda, aan het einde van de regering van Jotham begon de Heer in Juda te zenden Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, 2 Koningen 15:37. Maar nu, in het tweede of derde jaar van de regering van Achaz, hebben zij, aangemoedigd door hun vorig succes, een verbond met elkaar aangegaan tegen Juda, omdat Achaz, ofschoon hij het zwaard boven zijn hoofd vond, zijn regering toch begon met afgoderij, daarom gaf hem de Heer, zijn God, in de hand van de koning van Syrië, 2 Kronieken 28:5, en in de hand van de koning van Israël, en er werd een grote slachting aangericht door hen in het koninkrijk, vers 6,7. Trots en opgeblazen door deze overwinning trokken zij op tegen Jeruzalem, de koninklijke stad, ten oorlog tegen haar om haar te belegeren en er zich meester van te maken, maar het bleek in het einde dat zij hun doel niet konden bereiken. De zonde van een land brengt invallen van buitenlandse vijanden teweeg, en verraadt alle voordelige en gemakkelijke toegangen aan de vijand. En God maakt soms het een goddeloze volk tot een gesel voor het andere, maar gewoonlijk begint het oordeel met het huis Gods.
II. De grote benauwdheid, die over Achaz en zijn hof is gekomen toen hun dit plan bericht werd. Het werd de huize Davids aangezegd, dat Syrië en Efraïm een verbond hadden getekend tegen Juda, vers 2. Dit ontaarde koninklijke geslacht wordt het huls Davids genoemd, om ons te herinneren aan het artikel van Gods verbond met David: Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten en in Mijn rechten niet wandelen, indien zij Mijn inzettingen ontheiligen en Mijn geboden niet houden, zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken en hun ongerechtigheid met plagen maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hen niet wegnemen, Psalm 89:31-33, hetgeen op merkwaardige wijze in dit hoofdstuk vervuld is. De tijding gekomen zijnde dat de legers van Syrië en Israël zich verenigd hadden en te velde waren getrokken, is er over het hof, de stad en het land een grote ontsteltenis gekomen, het hart van Achaz werd bewogen door vrees, en toen was het niet te verwonderen dat het hart van zijn volk het ook was, hun hart bewoog zich gelijk de bomen van het woud bewogen worden door de wind, zij werden geschokt en geschud en in grote verwarring gebracht, zij wankelden en waren onzeker in hun raad, heen en weer gejaagd, en konden tot geen vast besluit komen. Zij bogen zich voor de storm, en gaven alles op als verloren, daar zij het nutteloos achtten om weerstand te bieden. Nu was het de bewustheid van schuld, die hun deze angst veroorzaakte, alsmede de zwakheid van hun geloof, zij hadden God tot hun vijand gemaakt, en wisten niet hoe Hem tot hun vriend te maken, en daarom werden zij getiranniseerd door hun angsten, terwijl zij, die een onergerlijk geweten bewaren en wier hart bereid is, vertrouwende op God, niet behoeven te vrezen al veranderde de aarde haar plaats, maar de goddelozen door het geruis van een gedreven blad gejaagd worden, Leviticus 26:36.
III. De orders, die aan Jesaja gegeven worden om Achaz in zijn benauwdheid te gaan bemoedigen, niet om zijnentwil, hij verdiende niets van God te horen dan woorden van verschrikking, die nog beproeving zouden toevoegen aan zijn smart, maar omdat hij een zoon was van David, en koning was van Juda. God had vriendelijkheid voor hem om zijns vaders wil, die niet vergeten moet worden, en ter wille van zijn volk, dat niet verlaten moet worden, maar bemoedigd zou wordend indien Achaz het was.
Merk op:
1. God gebood de profeet om Achaz tegemoet te geen, hoewel deze niet om de profeet gezonden had om met hem te spreken, noch hem verzocht had om de Heer voor hem te vragen, vers 3. Ga nu uit Achaz tegemoet. God wordt dikwijls gevonden van hen, die Hem niet zoeken, en nog veel meer zal Hij gevonden worden van hen, die Hem naarstig zoeken, Hij spreekt van vertroosting tot velen, die dit niet alleen niet waardig zijn, maar er niet eens naar vragen.
2. Hij beval hem om zijn zoontje mee te nemen, omdat er in zijn naam een prediking was Shear-Jaschub-een overblijfsel zal weerkeren. De profeten hebben soms wat zij predikten, als het ware, geregistreerd in de namen van hun kinderen, zoals Hosea 1:4, G, 9, daarom, worden Jesaja's kinderen gezegd te zijn tot tekenen, Hoofdstuk 8:18. Deze zoon werd aldus genoemd tot bemoediging van diegenen van Gods volk, die in gevangenschap weggevoerd werden, hun verzekerende dat tenminste een overblijfsel van hen zou weerkeren, hetgeen meer is dan wij kunnen zeggen te verdienen, maar toen deed God nog meer dan Hij had beloofd, want Hij droeg zorg niet alleen dat een overblijfsel zou wederkeren, maar het volle getal van hen die door de verenigde krijgsmacht van Syrië en Israël gevangen waren genomen, 2 Kronieken 28:15.
3. Hij onderrichtte hem waar hij Achaz zou vinden, hij zal hem ontmoeten, niet in de tempel, of in de synagoge, of in de koninklijke kapel, maar aan het einde van de watergang bij de opperste vijvers, waar hij zich waarschijnlijk bevond met velen van zijn dienaren om zich heen, overleggende hoe de waterwerken te behouden voor de stad, of de vijand van het voordeel ervan te beroven, Hoofdstuk 22:9,11, 2 Kronieken 32:3, 4, of om enige noodzakelijke aanwijzingen te geven om de stad zo goed zij konden te versterken ú en misschien heeft hij alles in een zeer slechte staat van verdediging gevonden, de waterleiding defect, en ook andere dingen in een toestand van verval, zijn vrees nam toe, en hij bevond zich in groter verlegenheid dan ooit, en daarom: Ga hem daar tegemoet. Soms zendt God zeer ter rechter tijd vertroostingen aan Zijn volk, en ten tijde als zij bevreesd zijn, moedigt Hij hen aan om op Hem te vertrouwen.
4. Hij legt hem woorden in de mond, want anders zou de profeet niet geweten hebben hoe een goede tijding te brengen aan zo'n slechte man, aan een zondaar in Zion, die bevreesd behoort te wezen, maar God bedoelde het tot steun voor de getrouwe Israëlieten.
A.De profeet moet hun vrees bestraffen en hun aanraden om er volstrekt niet aan toe te geven, maar hun bezonnenheid en hun tegenwoordigheid van geest, te behouden, vers 4 Wacht u en weest gerust. Om gerust te zijn is behoedzaamheid nodig, om kalmte van gemoed te hebben is het nodig op onze hoede te zijn tegen de dingen die dreigen ons te verontrusten. "Vrees niet met deze ontsteltenis, deze vrees, die verzwakt en waarin pijn is en uw hart worde niet week, zodat het bezwijkt, maar hebt goede moed en wees sterk laat de vrees u niet beroven van de steun en de hulp, die u door verstand en godsdienst geboden worden." Zij die verwachten dat God hen zal helpen moeten zichzelf helpen, Psalm 27:14.
B.Hij moet hen leren, hun vijanden te verachten, niet in hoogmoed, of in valse gerustheid, of in onachtzaamheid-niets is gevaarlijker dan op die wijze zijn vijanden te verachten-maar in geloof en vertrouwen op God. Achaz' vrees noemt hen twee machtige vijanden, tegen geen van beiden was hij opgewassen, maar samengebonden zijnde, kon hij er niet eens aan denken om hun het hoofd te bieden. "Neen" zegt de profeet " zij zijn de staarten van rokende vuurhaarden en zij brengen elkaar in een nog ergere toestand door samen verbonden te zijn, zoals stukken hout die in het vuur bij elkaar gelegd zijnde, heftiger branden, maar het zijn wel rokende vuren en waar rook is daar is ook enig vuur, maar het kan niet zoveel zijn als gevreesd wordt, hun dreigementen zullen in rook opgaan, verdwijnen. Farao, de koning van Egypte, is maar een gedruis, Jeremia 46:17 en Rezin de koning van Syrië, is maar rook-en dat zijn ook al de vijanden van Gods kerk, rokende vlaswieken, die spoedig uitgeblust worden, -zi zijn slechts staarten van vuurbranden, inzekere zin eeds uitgebrand, hun kracht is vergaan, zij hebben zichzelf verteerd door de hitte van hun eigen toorn, gij kunt uw voet op hen zetten en alzo hun vuur uitblussen".
De twee koninkrijken van Syrië en Israël waren nu hun ondergang reeds nabij. Hoe meer het oog hebben op God als een verterend vuur, hoe minder reden wij zullen hebben om mensen te vrezen al zijn zij nog zo woedend, ja wij zullen instaat zijn hen te verachten als zijnde slechte rokende vuurbranden.
C. Hij moet hun verzekeren dat het tegenwoordige plan van deze hoge bond- genoten-zo beschouwen zij zichzelf -tegen Jeruzalem gewis zal verijdeld zal worden, op niets zal uitlopen, vers 5-7.
a. Dezelfde zaak die Achaz zo geducht en dreigend vond, wordt de oorzaak van hun nederlaag, en dat was de diepte van hun plan en de lengte van hun hoop. "Daarom zullen zij teleurgesteld en met schande teruggezonden worden, omdat zij kwaad tegen u beraadslaagd hebben, hetgeen een belediging is van God, deze vuurbranden zijn een rook in Zijn neus, Hoofdst.65:5, en daarom moeten zij uitgeblust worden".
Ten eerste: Zij zijn zeer nijdig en boosaardig, en daarom zullen zij niet voorspoedig zijn. Juda had hen geen onrecht gedaan, zij hadden zelfs geen voorwendsel om met Achaz te twisten, maar zonder enige reden zeggen zij: "Laat ons optrekken tegen Juda en het verdriet aandoen." Zij die kwellend zijn voor anderen en anderen zonder oorzaak verdriet aandoen, kunnen niet verwachten voorspoedig te zullen zijn, zij die het beminnen kwaad te doen kunnen niet verwachten dat het hun zal welgaan.
Ten tweede: Zij zijn zeer gerust, gans zeker van de overwinning: zij zullen Juda verdriet doen door er tegen op te trekken, maar dat is nog niet alles, zij twijfelen niet, of zij zullen een bres maken in de muur van Jeruzalem, breed genoeg om er hun leger door te laten binnenrukken, of zij rekenen er op het koninkrijk in twee delen te kunnen verdelen, één voor de koning van Israël, het andere voor de koning van Syrië, die een onderkoning wilde aanstellen, namelijk de zoon van Tabeal, een onbekend persoon van geen aanzien of betekenis, het is onzeker of hij een Syriër of een Israëliet was. Zo zeker waren zij ervan hun doel te zullen bereiken, dat zij de buit verdeelden vóór zij hem hadden. Zij die het minst minachtend zijn, zijn gewoonlijk het minst voorspoedig, want God veracht gewis de verachters.
b.God zelf geeft hun Zijn woord, dat de aanslag niet zal geschieden, vers 7. Alzo zegt de Heer Jahweh, de vrijmachtige Heer van allen, die de raad van de heidenen vernietigt, Psalm 33:10. Hij zegt: "Het zal niet bestaan en het zal niet geschieden, hun maatregelen zullen allen verbroken worden en zij zullen niet in staat zijn hun onderneming te volvoeren." Al wat staat tegen God of denkt te kunnen staan zonder Hem, kan niet lang bestaan. De mens wikt maar God beschikt, en wie zegt iets hetwelk geschied, zo de Heer het niet beveelt, of ertegenbevel voor geeft? Klaagliederen 3:37. Zie Spreuken 19:21.
D. Hij moet hun ten slotte een vooruitzicht geven van het verderf van deze vijanden, die nu zulk een verschrikking voor hen waren.
a. Geen van beiden zal zijn gebied vergroten, of zijn veroveringen voortzetten. De hoofdstad van Syrië is Damaskus, en het hoofd van Damascus is Rezin, daar roemt hij in, en laat hem daarmee tevreden zijn, vers 9. De hoofdstad van Efraïm is gedurende lange tijd Samaria geweest, en het hoofd van Samaria is nu Pekah, de zoon van Remalia, aan deze zal bekend gemaakt worden wat van hen is, hun grenzen zijn vastgesteld, en zij zullen ze niet overschrijden om zich meester te maken van de steden van Juda, en nog veel minder om Jeruzalem tot hun prooi te maken. Gelijk God de woning van de mensen heeft bepaald Hand.17:27 zo heeft Hij voor de vorsten de grenzen van hun gebied vastgesteld, binnen welke zij behoren te blijven, e zij moeten geen inbreuk maken op de rechten van hun buren.
b.Efraïm, die misschien de boosaardigste en voortvarendste vijand was van die twee, zal binnenkort geheel ontworteld worden, en er zover vandaan zijn om zich van de landen van anderen meester te maken, dat zij niet instaat zullen zijn om het hunne te behouden. De uitleggers zijn in grote verlegenheid over de vraag hoe de vijf en zestig jaren te beschouwen, binnen welke Efraïm ophouden zal een volk te zijn, want de gevankelijke wegvoering van de tien stammen heeft reeds elf jaren later plaats gehad, en sommigen houden het voor een vergissing van de overschrijvers, en denken dat hier gelezen moet worden binnen zes en vijf jaren, dat dan juist elf is. Maar het is moeilijk om dit toe te geven. Anderen houden het er voor dat het vijf en zestig jaren was van de tijd toen de profeet Amos voor het eerst de ondergang heeft voorzegd van het rijk van de tien stammen, en enige latere uitleggers achten dat het ziet op de laatste verwoesting van dat land door Esar-Haddon, die omstreeks vijf en zestig jaren hierna plaats had. Toen was Efraïm zo verbroken, dat het geen volk meer was. Nu was het de grootste dwaasheid van de wereld dat zij hun buren ten verderve wilden brengen, die zelf voor het verderf getekend waren en er reeds zo nabij waren. Zie wat een profeet hun zei toen zij zo triomfeerden over Juda, 2 Kronieken 28:10. Bij u zijn schulden tegen de Heer uw God.
E. Hij moet hen aansporen om geloof te mengen met de verzekering, die hij hun had gegeven, vers 9. "Indien gij niet gelooft wat tot u gezegd wordt, zeker, gij zult niet bevestigd worden, uw bewogen, wankelende staat zal niet bevestigd worden, uw onrustig gemoed zal het niet, ofschoon hetgeen u gezegd wordt zo bemoedigend is, zal het toch voor u niet zo zijn, tenzij gij het gelooft en Gods woord wilt aannemen." De genade des geloofs is volstrekt noodzakelijk om kalmte en rust te doen heersen in het gemoed temidden van al de opschudding en beroering van deze tegenwoordige tijd, 2 Kronieken 20:20.