2 Kronieken 28:6-15
Wij hebben hier:
I. Het trouweloze Juda onder de bestraffingen van Gods voorzienigheid, en zij zijn zeer streng. Nooit was er zulk bloedig werk onder hen verricht sedert zij een koninkrijk waren geworden, en dat nog wel door Israëlieten.
Achaz wandelde in de wegen van de koningen van Israël, en de koning van Israël was het werktuig door God gebruikt om hem te straffen. Het is rechtvaardig in God om diegenen tot onze plagen te maken, die wij ons tot voorgangers hebben gemaakt, of in wier zonden wij delen. Er brak een oorlog uit tussen Juda en Israël, waarin Juda de nederlaag leed. Want:
1. Er werd een grote slachting aangericht op het slagveld, honderd en twintig duizend mannen, die anders kloeke helden geweest waren, werden gedood, vers 6, onder wie sommigen van de voornaamsten des lands,. een van de zonen des konings.
Hij had sommigen van zijn zonen aan Moloch geofferd, rechtvaardig dus wordt deze aan de wraak Gods geofferd. Een ander, die de tweede was na de koning, zijn vriend, de eerste staatsminister, of misschien de naaste bij hem in de veldslag zodat de koning zelf ternauwernood ontkwam vers 7.
Het rijk van Israël was toentertijd niet sterk, maar toch sterk genoeg om deze grote verwoesting over Juda te brengen. Maar gewis, zoveel mannen, grote mannen, kloeke mannen, zouden niet aldus afgesneden zijn in een dag, indien zij niet op merkwaardige wijze moedeloos waren geweest, zowel door hun eigen schuldbesef als door de rechtvaardige hand Gods over hen.
Zelfs kloeke mannen waren als slachtschapen geacht en werden een gemakkelijke prooi voor de vijand, omdat zij de Heere, hunner vaderen God, hadden verlaten en Hij hen verlaten had.
2. Er waren vele vrouwen en kinderen gevangen gemaakt, vers 8..
Toen het leger te velde verslagen was, werden de steden, vlekken en dorpen gemakkelijk geplunderd, de inwoners gevangen en tot slaven gemaakt en hun bezittingen tot een buit verklaard.
II. Zelfs het zegevierende Israël onder de bestraffing van Gods woord, wegens het slechte beginsel, waaruit zij krijg hadden gevoerd tegen Juda, en het slechte gebruik, dat zij maakten van hun voorspoed, en de goede uitwerking die deze bestraffing op hen had. Hier is:
1. De boodschap, die God hun zond door een profeet, die hen tegemoet ging, niet om hun dapperheid toe te juichen of hen geluk te wensen met hun overwinning, hoewel zij terugkeerden beladen met buit en roem, maar om hun in de naam van God van hun verkeerdheden te spreken en hen voor de oordelen Gods te waarschuwen.
A. Hij zegt hun hoe zij aan deze overwinning, waarop zij zo trots zijn, gekomen zijn, het was niet omdat God hen begunstigde of omdat zij haar verdiend hadden, maar door de grimmigheid des Heeren over Juda, die u tot de roede van Zijn verbolgenheid heeft gemaakt. Niet om uw gerechtigheid, dit zij u bekend, maar om hun goddeloosheid, Deuteronomium 9:5, zijn zij afgebroken, en daarom zijt niet hooggevoelende, maar vreest dat God ook mogelijk u niet spare, Romeinen 11:20, 21.
B. Hij beschuldigt hen dat zij de macht, die God hun over hun broederen gegeven heeft, misbruikt hebben. Zij begrijpen niet wat een overwinning is, die denken dat zij er het recht door krijgen om te doen wat zij willen, en dat het langste zwaard het duidelijkste recht is op leven en bezitting-'Jusque datum sceleri' -Macht is recht-gelijk het onverstandig is geen gebruik te maken van een overwinning, zo is het goddeloos haar te misbruiken. De overwinnaars worden hier bestraft:
a. Om de wrede slachting, die zij hadden aangericht op het oorlogsveld. Het is waar, zij hadden krijgsbloed vergoten in de krijg, en wij onderstellen dat dit wettig en geoorloofd is, maar hun is het in zonde verkeerd, omdat zij het deden uit een slecht beginsel van vijandschap jegens hun broederen, en op een slechte wijze, met barbaarse woede, in toornigheid, die tot aan de hemel raakt, dat is: die tot God roept om wraak over zulke bloeddorstige mannen, die zich verlustigden in zulke slachtingen.
Indien zij, die Gods gerechtigheid dienen, het doen met toorn en in een geest van wraakzucht, dan worden zij er zelf aan onderhevig en verbeuren de eer van voor Hem gehandeld te hebben, want de toorns des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
b. Om hun wrede behandeling van de gevangenen. "Gij denkt de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen, hoewel zij uw broederen en vrijgeboren Israëlieten zijn." God neemt nota van wat de mensen denken en zich voornemen, zowel als van wat zij zeggen en doen.
C. Hij herinnert hen aan hun eigen zonden, waardoor ook zij aan de toorn Gods zijn blootgesteld. Zijn dan niet bij u, ja u aangaande, schulden tegen de Heere, uw God? vers 10.
Hij beroept zich op hun eigen geweten en het blijkbare van de zaak. "Hoewel gij nu tot de werktuigen zijt gemaakt van Juda's kastijding voor hun zonde, moet gij toch niet denken dat gij zelf onschuldig zijt, neen, ook gij zijt schuldig voor God."
Dit wordt bedoeld als verwijt om hen te beteugelen in hun triomf over hun voorspoed.
"Gij zijt zondaren, en het voegt niet aan zondaren om hoogmoedig te zijn, gij hebt nu de overwinning weggedragen, maar weest niet gerust, geeft u niet over aan gerustheid, de krijgskans kan weldra tegen u gekeerd worden, want indien het oordeel aldus begint met hen, onder wie Gods huis is, wat zal dan het einde wezen van hen, die de kalveren aanbidden?"
Op hun strengheid jegens hun broederen. "Gij hebt hen nu ten ondergebracht, maar gij behoort hun barmhartigheid te betonen, want gij zelf zijt verloren, zo gij geen genade vindt bij God. Het betaamt zondaren al heel weinig om wreed te zijn. Gij hebt reeds overtredingen genoeg voor uw rekening, en behoeft deze niet nog aan de overige toe te voegen." D. Hij beveelt hun de gevangenen vrij te laten en hen zorgzaam naar huis te zenden, vers 11, want: "Daar gij gezondigd hebt, is de hitte van des Heeren toorn over u, en er is geen ander middel om er aan te ontkomen, dan door barmhartigheid te bewijzen."
2. Het besluit, dat de vorsten daarop genomen hebben, om de gevangenen vrij te laten.
"Zij maakten zich op tegen degenen, die uit het heir kwamen", hoewel deze opgewonden en trots waren op hun overwinning, en verklaarden hun ronduit dat zij hun gevangenen niet naar Samaria zullen brengen, vers 12, 13.
Zij hadden reeds zonden genoeg te verantwoorden en wilden niet dat er nog meer aan hun overtreding toegevoegd zou worden. Hierin toonden zij een gehoorzaam achtgeven op het woord van God door Zijn profeet en een teder medelijden jegens hun broeders, dat door de barmhartigheid Gods in hen gewerkt was, want Hij zag de benauwdheid aan van dit arme volk en hoorde hun geschrei, en "gaf hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden", Psalm 106:44, 46.
3. De bereidwilligheid van de vorsten in deze zaak en de vrijlating van de gevangenen hierop.
a. Hoewel de toegerusten, gewapend zijnde hun recht hadden kunnen handhaven op hetgeen zij door het zwaard verkregen hebben, berustten zij en lieten hun gevangenen en de buit ter beschikking van de oversten, vers 14 en hierin legden zij meer heldhaftige kloekmoedigheid aan de dag dan in hen gevangen te maken. Het is voor iedereen een grote eer om zich te buigen voor het gezag van rede en Godsdienst tegen zijn eigenbelang.
b. De vorsten hebben zeer grootmoedig de arme gevangenen op gerieflijke wijze naar huis gezonden, vers 15. Zij, die hopen barmhartigheid te verkrijgen bij God, moeten hieruit leren met welke barmhartigheid zij hebben te handelen met hen, die in hun macht zijn en aan hun genade zijn overgeleverd.
Het is vreemd dat die oversten, die in deze omstandigheid zoveel eerbied hebben betoond voor het woord van God en zo'n invloed op het volk, niet zoveel genade hadden om in gehoorzaamheid aan de roepstemmen Gods door zoveel profeten de afgoderij uit te roeien in hun land, die er toch spoedig daarna het verderf van is geweest.