37. Het geschiedde nu eenmaal omstreeks het jaar 698 v. Chr., dus in hetzelfde jaar, waarin ook Hizkia stierf, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, op de Assyrische gedenktekenen als een gevleugelde menselijke figuur met eenadelaars- of gierenkop voorgesteld, zich neerboog, dat Adrammelech en Sarezer, zijn beide oudste zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Arafat, in de middelste streken van het Armenische hoogland, van het daar zijnde gebergte (
Genesis 8:4), dat zo genoemd werd. En Esar-Haddon, zijn derde zoon, werd koning in zijn plaats (
2 Koningen 15:15). Wat een diepe indruk deze genadige en wonderbare redding van Juda uit het onvermijdelijk schijnend verderf, waarom de gehele tweede groep van de profetieën van de profeet Jesaja in 28-66 zich beweegt, op de harten van de vromen gemaakt heeft, bewijzen de hoogst waarschijnlijk destijds gedichte Psalmen 46, 66, 75, 76 aan de Assyriërs geschiede wonder van goddelijke macht, en goddelijk recht, waardoor de God van Israël zich als God over alle koninkrijken van de aarde wilde doen kennen, had op het wereldtoneel zodanig plaatsgevonden, dat het voor de heidenen niet verborgen had kunnen blijven. Sanherib zelf legt in de Assyrische gedenktekenen slechts getuigenis af van het begin van zijn veldtocht tegen Juda (
2 Koningen 18:13-
16), en zegt snoevend van zichzelf: "omdat Hizkia, de koning van Juda zich niet aan mijn opperheerschappij onderwierp, zo trok ik tegen hem, en met de kracht van mijn arm en het geweld van mijn macht nam ik 46 (naar een andere lezing van die plaats, 44) zijn sterke ommuurde steden, van de kleinere steden nam en plunderde ik ontelbare. In deze plaatsen nam ik gevangen en voerde ik weg 200:150 zielen, oud en jong, mannen en vrouwen, en tevens een zeer groot getal hengsten en merries, ezels en kamelen, ossen en schapen. En Hizkia zelf sloot ik in binnen Jeruzalem als, een vogel in een kooi; ik bouwde torens rondom zijn stad, om hem in te sluiten, en wierp aarden wallen bij zijn poorten op om hem het ontkomen te beletten. Toen begon Hizkia te vrezen voor de macht van mijn wapens, hij zond tot mij de voorgangers en oudsten van Jeruzalem met 30 talenten goud en 800 talenten zilver en verscheidene kostbaarheden, een ontzaglijk rijke buit. Al deze dingen werden mij naar Ninevé in de zetel van mijn regering gebracht, terwijl Hizkia ze mij toezond als schatting en teken van onderwerping." Zo weinig wij ons echter verwonderen over de snoevende overdrijving van de uitslag van Sanheribs pogingen, waarvan dit bericht spreekt, zozeer dient ons de gehele verzwijging van de verdere loop van de krijgsonderneming van 18:17-19:36, tot waarborg van de volle geschiedkundige waarheid van hetgeen de schrift ons verhaalt; hij vermeldt daarvan niets, omdat juist de afloop van de veldtocht niet tot zijn roem strekte. Maar bij de Griekse geschiedschrijver Herodotus (II. 141) vinden wij een heen wijzing op die afloop. Volgens haar zou Sanherib tot naar de stad Pelusium in Beneden-Egypte zijn voortgedrongen; daar was niet lange tijd na de val van de Ethiopische dynastie de priester van Hephaeston, Setkon geheten, aan de regering gekomen. Omdat de door hem verdrukte priesterkaste haar diensten hem weigerde, riep hij in zijn nood zijn goden te hulp en zij werd hem door hen toegezegd. Dadelijk na Sanherib's intocht in Pelusium nu had een leger van veldmuizen de legerplaats overdekt, en hun pijlkokers, bogen en schildriemen zodanig doorgevreten, dat zij met de aanbrekende morgen wapenloos moesten vluchten en vele mensen daarbij verloren. Deze geschiedenis is duidelijk niets anders dan een Egyptische lezing van het Bijbelse verhaal, een legende-achtige nabootsing van deze geschiedenis, waaruit zich niet eens zoveel als geschiedkundig feit laat afleiden, dat Sanherib werkelijk tot aan Pelusium gekomen is; waarom wij ons niet kunnen verenigen met de uitlegging, volgens welke tussen
Vers 34,
35 een tijdruimte van 2-3 jaar verlopen zou zijn, gedurende welke het Assyrische leger genoemde nederlaag in Egypte leed, dat daarop naar Jeruzalem terugtrok en hier tenslotte de straf van de Almachtige ervoer. Terwijl wij Sanherib's verdere geschiedenis tot aan zijn vermoording door zijn beide zonen pas bij 20:12 nader zullen behandelen, merken wij hier nog aan, dat de plotselinge slag, die de overmoedige Assyriër voor Jeruzalem trof, tevens besliste omtrent de verdere toekomst van zijn rijk, voortaan was zijn macht gebroken, Ninevé's ondergang bereidde zich voor, en andere volken werden door de Heere geroepen om de roeping te vervullen, die Hij hun had aangewezen. Bij zo'n keerpunt in de geschiedenis kon natuurlijk het optreden van een nieuwe profeet onder het volk van God niet ontbreken; deze profeet is dan ook Nahum uit Elkos in Galilea, wiens werkzaamheid valt in de tijd tussen Sanherib's nederlaag voor Jeruzalem tot aan zijn geweldige dood. Zijn "Boek der Godsspraken" sluit zich onmiddellijk aan deze gebeurtenissen van ons hoofdstuk aan, verkondigt de Assyrische koning zijn ondergang op dergelijke wijze als later ook geschiedkundig gevolgd is ( 1:14), en richt zich nu weer tegen de Assyrische hoofdstad, wier zonde hij voor ogen stelt en wier einde hij op zo'n levendige wijze schildert, als ware het reeds daar..
16. Nu nog een opmerking met betrekking tot het in Vers 13 ongenoemde gereedschap. De twee pilaren, de ene zee, 1) waartoe ook de twaalf koperen runderen behoorden (Jeremia 52:20), en de stellingen, die Salomo voor het huis van de HEERE gemaakt had: het koper van al deze vaten was zonder gewicht, d.i. werd niet gewogen, ofschoon men anders de buit gewoon was te wegen.
1) In Jeremia 52:20 zijn bij de koperen zee nog de 12 runderen onder haar, en bij de beschrijving van de pilaren meerdere zaken gemeld, die in onze boeken, niet alleen hier, maar ook in 1 Koningen 7:16vv. ontbreken. Het niet vermelden van de 12 runderen bewijst niet, dat zij er niet geweest zijn, zoals sommigen willen. Wij hebben hier een zeer korte beschrijving van hetgeen werd weggenomen. Jeremia vult aan, wat hier ontbreekt..