Jesaja 6:5-8
Onze weetgierigheid zou er ons toe leiden om nog een nader onderzoek in te stellen aangaande de serafim, hun lied en hun diensten, maar hier verlaten wij hen, om acht te geven op hetgeen er voorviel tussen God en Zijn profeet, verborgen dingen zijn niet voor ons de verborgen dingen van de wereld van de engelen, maar de dingen, die ons geopenbaard zijn door de profeten en het bestuur betreffende Gods koninkrijk onder de mensen. Nu hebben wij hier:
I. De ontsteltenis, waarin de profeet gekomen is door het gezicht, dat hij gezien heeft van de heerlijkheid Gods, vers 5. Toen zei ik: Wee mij. Ik zou gezegd hebben: zalig zijt gij, die aldus hogelijk bevoorrecht zijt geworden hogelijk geëerd en verwaardigd voor een tijd met het voorrecht van die heerlijke, schitterende wezens, die altijd het aangezicht van onze Vader aanschouwen. Zalig waren die ogen, die de Heer zagen, zittende op Zijn troon, en die oren welke de lofzang van de engelen hebben gehoord. En men zou denken dat hij zou hebben gezegd: "Zalig ben ik, voor eeuwig gelukzalig, niets zal mij nu meer ontroeren, niets zal mij meer doen blozen of beven", maar integendeel, hij roept uit: "Wee mij, want ik verga! Helaas, ik ben verloren, ik zat zeker sterven, Richteren 13:22, 6:22. Ik ben tot zwijgen gebracht, met stomheid geslagen, ik heb de doodslag ontvangen." Zo was er in Daniël, toen hij de woorden van de engel hoorde, geen kracht en geen adem meer overgebleven, Daniël 10:15, 17.
Merk op:
1. Welke gedachten het waren, die de profeet zo verschrikten. "Als God naar streng recht met mij handelt, dan ben ik verloren, want ik heb mij blootgesteld aan Zijn misnoegen, want ik ben een man van onreine lippen." Sommigen denken dat hij inzonderheid doelt op sommige roekeloze woorden, die hij had gesproken, of op zijn zondig zwijgen door de zonde niet te bestraffen met de moed en de vrijmoedigheid, die nodig waren, een zonde, waarvan de dienstknechten Gods zich maar al te dikwijls hebben te beschuldigen en waarover zij blozen bij de herinnering eraan. Maar het kan meer in het algemeen worden genomen: ik ben een zondaar, in het bijzonder: ik heb overtreden in woorden, en wie is er die dat niet doet? Jakobus 3 2. Wij allen hebben reden om dit te betreuren voor het aangezicht des Heeren,
a. Dat wij zelf mensen zijn van onreine lippen, onze lippen zijn niet gewijd aan God, Hij heeft de vrucht onzer lippen niet gehad, Hebreeën 13:15, en daarom worden zij onrein geacht, onbesneden van lippen, Exodus 6:29. Ja zij zijn verontreinigd door zonde, wij hebben de taal gesproken van een onrein hart, de kwade samenspreking gehouden, die goede zeden bederft, en daardoor zijn velen verontreinigd geworden. Wij zijn onwaardig en onbevoegd om Gods naam op onze lippen te nemen. Met hoe reine lippen hebben de engelen God geprezen! "Maar," zegt de profeet, "ik kan Hem zo niet prijzen, want ik ben een man van onreine lippen." De beste mensen van de wereld hebben reden om zich over zichzelf te schamen en over hun beste werken en diensten, als zij er toe komen om zich te vergelijken met de engelen. De engelen hadden de reinheid en heiligheid van God bezongen, en daarom noemt de profeet als hij nadenkt over de zonde, haar onreinheid want de zondigheid van de zonde is haar tegenstrijdigheid met de heiligen aard van God, en vooral daarom moet zij ons hatelijk en schrikkelijk zijn. De onreinheid onzer lippen behoort de smart te wezen van onze ziel, want door onze woorden zullen wij gerechtvaardigd of veroordeeld worden.
b. Dat wij wonen onder hen, die dit ook zijn. Wij hebben reden om het te betreuren, dat niet alleen wij zelf verontreinigd zijn, maar dat de natuur en het geslacht van de mensheid het zijn, de kwaal is erfelijk en epidemisch, hetgeen er zo ver vandaan is om onze schuld te verminderen of te vergoelijken, dat het veeleer onze smart moet vergroten, inzonderheid als wij bedenken dat wij niet gedaan hebben wat wij hadden kunnen doen om de lippen van anderen te reinigen, ja veeleer hebben wij hun wegen geleerd en hun taal gesproken, zoals Jozef in Egypte de eed van het land heeft geleerd, Genesis 42:16. "Ik woon in het midden van een volk, dat door hun onbeschaamd zondigen verwoestende oordelen over het land haalt, waarin ik, die ook een zondaar ben, met recht verwachten kan betrokken te zullen worden.
2. Wat toen de aanleiding was tot deze treurige gedachten. Mijn ogen hebben de Koning, de Heer der heerscharen, gezien. Hij zag dat Gods soevereiniteit was, Hij is de Koning en Zijn macht is onweerstaanbaar, Hij is de Heer der heerscharen, dat zijn troostrijke waarheden voor Gods volk, en toch behoren zij ontzag in ons te wekken. Een gelovig gezicht op Gods heerlijke majesteit moet eerbied en godvruchtige vrees wekken in ons allen. Wij hebben reden om verootmoedigd te zijn in het besef van de oneindige afstand, die er is tussen ons en God, en van onze zondigheid en onwaardigheid in Zijn ogen, en Zijn misnoegen te vrezen. Wij zijn verloren, indien er geen Middelaar is tussen ons en deze heilige God, 1 Samuël 6:20. Jesaja werd aldus verootmoedigd om hem te bereiden voor de eer, waartoe hij nu geroepen zal worden als een profeet. Diegenen zijn het geschiktst om in de dienst van God gebruikt te worden, die gering zijn in hun eigen ogen, en die tot een diep besef zien gekomen van hun eigen zwakheid en onwaardigheid.
II. De vrees van de profeet tot zwijgen gebracht door de goede en troostrijke woorden, waarmee de engel hem antwoordde, vers 6,7. Onmiddellijk vloog één van de serafim tot hem om hem te reinigen en hem aldus gerust te stellen. God heeft sterke vertroostingen gereed voor heilige treurenden, zij, die zich verootmoedigen in berouwvolle schaamte en vrees, zullen spoedig bemoedigd en verhoogd worden, zij, die terneergeworpen worden op het gezicht van Gods heerlijkheid, zullen spoedig weer opgericht worden door de bezoekingen van Zijn genade, Hij, die verscheurt zal genezen. Engelen zijn gedienstige geesten, uitgezonden tot dienst van de heiligen voor hun geestelijk goed. Hier werd één van de serafim voor een tijd ontslagen van de dienst bij de troon van Gods heerlijkheid om een boodschapper van Zijn genade te zijn bij een godvruchtig man, en zo'n welbehagen had hij in deze dienst, dat hij tot hem kwam gevlogen. Aan onze Heer Jezus zelf is in zijn doodsbenauwdheid een engel verschenen uit de hemel om Hem te versterken Lukas 22:43. Hier is:
A. Een troostrijk teken hem gegeven, van de verzoening van zijn zonde. De seraf bracht een gloeiende kool van het altaar, en roerde er zijn lippen mee aan, niet om ze te schaden, maar om ze te genezen, niet om ze te branden maar om ze te reinigen, want er waren reinigingen door vuur, zowel als door water, en de drek van Jeruzalem werd afgewassen door de Geest van de uitbranding, Hoofdstuk 4:4. De gezegende Geest werkt als vuur, Mattheus 3:11. De seraf, zelf door een goddelijk vuur ontstoken zijnde, bracht leven in de profeet, om hem ook te bezielen met ijver, want het middel om de lippen te reinigen van de onreinheid van de zonde, is de ziel te doen ontvlammen in liefde tot God. Deze gloeiende kool was van het altaar genomen, hetzij van het reukaltaar, of van het brandofferaltaar, want op beide werd gestadig vuur aangehouden. Niets is krachtig om de ziel te reinigen en te vertroosten, dan hetgeen genomen is van Christus' genoegdoening, en de voorbede, die Hij doet krachtens deze genoegdoening, om welke te doen Hij eeuwig leeft. Het moet een kool zijn van Zijn altaar, die leven in ons brengt en onze vrede is, het kan niet door vreemd vuur geschieden. B. Een verklaring van het teken. Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd, om u hiervan te verzekeren, dat uw misdaad van u geweken en uw zonde is verzoend. De schuld uwer zonde is weggenomen door vergevende genade, de schuld van uw zonden van de tong, uw verdorven neiging tot zonde is weggenomen door vernieuwende genade, en daarom kan niets u verhinderen om God welbehaaglijk te zijn als Zijn aanbidder in samenstemming met de heilige engelen, of om voor God gebruikt te worden als Zijn bode tot de kinderen van de mensen." Alleen zij, die aldus gereinigd zijn van een kwaad geweten, zijn bereid om de levende God te dienen, Hebreeën 9:114. Het wegnemen van onze zonde is noodzakelijk voor ons, hetzij om met vertrouwen en gerustheid te spreken tot God in het gebed, of om van Hem te spreken in de prediking, ook is niemand zo geschikt om voor anderen de rijkdom en de krachs van de evangeliegenade tentoon te spreiden, als zij, die zelf de zoetheid hebben gesmaakt en de invloed hebben gevoeld van die genade, en deze zullen hun zonde zien weggenomen, die er over klagen als over een last en zich in gevaar zien van er door ten verderve te gaan.
III. De vernieuwing van des profeten zending, vers 8. Hier is een bespreking van deze zaak tussen God en Jesaja. Zij, die anderen willen helpen in hun gemeenschapsoefening met God, moeten daar zelf niet vreemd aan wezen, want hoe kunnen wij verwachten dat God door ons zal spreken, als wij Hem nooit hebben horen spreken tot ons, of dat wij aangenomen zullen worden als de mond van anderen bij God, als wij nooit hartelijk tot Hem gesproken hebben voor onszelf?
Merk hier op:
1. De raad van God betreffende Jesaja's zending. God wordt hier ingevoerd naar de wijze van de mensen, bij zichzelf overwegende en met zichzelf raadplegende. Wie zal Ik zenden, en wie van ons heengaan? God behoeft geen raad te ontvangen van anderen noch met zichzelf te rade te gaan, om te weten wat Hij doen zal, maar aldus wil Hij ons tonen, dat er een raad is in geheel Zijn wil, en ons leren om onze wegen te overdenken en inzonderheid, dat het zenden van leraren een werk is, dat niet dan na rijp beraad behoort te geschieden.
Merk op
A. Wie het is, die beraadslaagt, het is de Heer, God in Zijn heerlijkheid, die hij gezien heeft op Zijn hoge en verheven troon. Het zet eer bij aan de bediening van de godsdienst, dat God, als Hij een profeet wilde uitzenden om in Zijn naam te spreken, in al de heerlijkheid verscheen van de bovenwereld, leraren zijn de gezanten van de Koning van de koningen, hoe gering zij ook zijn, Hij, die hen zendt is groot, het is God in drie personen. Wie zal voor ons heengaan? Zoals Genesis 1:26 :Laat ons mensen maken. Vader, Zoon en Heilige Geest, zij allen werken samen, gelijk in de schepping, zo ook in de verlossing en in de regering van de mens. De leraren worden geordend in dezelfde naam, als waarin alle christenen gedoopt zijn.
B. Wat de beraadslaging is: Wie zal Ik zenden, en wie van ons heengaan? Sommigen denken dat dit inzonderheid ziet op de boodschap des toorns, die aan Israël gezonden werd, vers 9, 10. Wie zal bereid zijn op zo'n treurige boodschap uit te gaan, waarop zij in de bitterheid hunner ziel zullen uitgaan, Ezechiël 3:14. Maar ik neem het veel in ruimere zin voor al de boodschappen, die hij in de naam van God had te brengen, waarin het werk van de verharding volstrekt niet de eerste of voornaamste bedoeling was, maar het ondergeschikte gevolg ervan, 2 Corinthiers 2:16. Wien zal Ik zenden? te kennen gevende, dat het een zaak betrof, waarvoor een uitgelezen zeer bekwame boodschapper werd vereist, Jeremia 49:19. God verscheen nu, vergezeld van heilige engelen, en toch vraagt Hij: Wie zal Ik zenden? Want Hij wilde hun een profeet zenden van uit het midden van hun broeders, Hebreeën 2:5. Het is de onuitsprekelijke gunst van God jegens ons, dat het Hem behaagt om ons Zijn wil te doen kennen door mensen, zoals wij zelf zijn, wier verschrikking ons niet zal beroeren en die zelf belang hebben bij de boodschap die zij brengen. Zij zijn medearbeiders met God, die zondaren en medelijders zijn met ons. Het is iets zeldzaams om iemand te vinden, die geschikt is om voor God heen te gaan en Zijn boodschappen aan de kinderen van de mensen te brengen: Wie zal Ik zenden? Wie is er voor bekwaam? Zulk een mate van kloekmoedigheid voor God en van belangstelling in de zielen van de mensen, als nodig is om iemand getrouw te maken, en daarbij, zo'n inzicht in de verborgenheden van het koninkrijk van de hemelen, als nodig is om iemand bekwaam te maken, worden zelden aangetroffen, zo'n uitlegger van de wil en de bedoeling Gods is één uit duizend, Job 33:23. Aan niemand wordt vergund om voor God heen te gaan dan aan hen, die gezonden worden door Hem, Hij zal geen anderen erkennen dan die door Hem aangesteld zijn, Romeinen 10:15. Het is het werk van Christus om mensen in de bediening te stellen, 1 Timotheus 1, 12.
2. Jesaja's bewilliging er in. Toen zei ik: Zie hier ben ik, zend mij henen. Hij moest op een treurige boodschap uitgaan, die dienst scheen zich aan te bieden, maar iedereen weigerde hem, en toch bood Jesaja er zich voor aan. Het is een eer om als iets zeldzaams op te treden voor God, Richteren 5:7. Wij moeten niet zeggen: "ik zou heengaan, als ik dacht voorspoed te zullen hebben, " maar: "ik zal heengaan en het aan God overlaten of ik voorspoed zal hebben, hier ben ik, zend mij." Jesaja is zelf in een neerslachtige gemoedstoestand geweest, vers 5, vol van twijfel en vrees, maar nu hij de verzekering heeft van de vergeving van zijn zonde, zijn de wolken weggevaagd en is hij geschikt voor de dienst en ijverig er voor. In hetgeen hij zegt komt
a. Zijn bereidheid uit, "hier ben ik, een vrijwilliger, niet geprest tot de dienst." Zie mij, zo luidt het oorspronkelijke. God zegt tot ons: Zie Mij. Hoofdstuk 65:1, en hier ben Ik, Hoofdstuk 58:9, zelfs voordat wij roepen, laat ons dit zeggen tot Hem, als Hij roept.
b. Zijn besluit: liter ben ik, bereid om de grootste moeilijkheden tegen te treden. Ik heb mijn aangezicht gesteld als een keisteen." Vergelijk dit met Hoofdstuk 50:4-7.
c. Zijn zich overgeven aan God: Zend mij waarheen Gij wilt, maak het gebruik van mij, dat U behaagt. Zend mij, Heer, geef mij opdracht en volledige instructies, zend mij, en dan zult Gij ongetwijfeld mij bijstaan." Het is een grote troost voor hen, die God zendt dat zij heengaan voor God, en dus kunnen spreken in Zijn naam als gezaghebbende, en zeker kunnen zijn dat Hij ben zal steunen en doorhelpen.