4. En hij zal daarna, zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, 1) om het daarmee in zijn plaats te stellen, dat het in zijn plaats doet en lijdt, wat hij eigenlijk zelf doen en lijden moest, namelijk de dood, opdat het voor Hem aangenaam zij, om hem te verzoenen, 2) door God ook als plaatsvervanger aangenomen worde, en door de dood, die het ondergaat, de zonde van hem, die zijn schuld en zijn doodvonnis daarop gelegd heeft, verzoent. 1) In de tweede plaats wordt vooropgezet, dat, wie het offerdier aanbiedt, nadat hij genaderd is tot de deur van de tabernakel, zijn hand legt op het hoofd van het brandoffer. Deze ceremonie nu is niet slechts een teken van wijding, maar ook van verzoening of van een zoenoffer (piaculum), omdat het dier in de plaats van de mens wordt gesteld, hetgeen Mozes uitdrukt met de woorden: opdat het voor Hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. Er is daarom volstrekt geen twijfel aan, of hun schuld, welke straf ook was verdiend, brengen zij over op het offerdier, opdat zij God verzoening zouden doen. Verder, omdat deze verzekering volstrekt niet bedrieglijk was, is vast te stellen, dat de prijs van de voldoening in de offerande van het Oude Verbond is geweest, welke hen voor zichzelf heeft ontslagen van schuld en straf in het oordeel van God, niet echter, omdat nu op zichzelf de stomme dieren bij machte waren de schuld te verzoenen, maar in zoverre zij bewijzen waren van de genade, die door Christus zou worden verworven. Alzo zijn de ouden door de offerande op sacramentele wijze verzoend met God, zoals wij heden door de doop worden gereinigd. Waaruit volgt, dat deze symbolen slechts in zoverre nuttig waren, als zij aansporing waren tot boete en geloof, opdat de zondaar de toorn van God zou leren vrezen en in Christus vergiffenis zoeken..
Maimonides zegt, dat hij de oplegging der handen doen moest met alle zijn macht. Dit was een plechtigheid bij de dank- en zondoffers (Le.3:2 4:4 ) als bij de brandoffers gebruikelijk, en kan ons bekwamelijk verbeelden, die daad des geloofs, waardoor een ziele, overtuigd van zijn zonde, onmacht en verdoemelijkheid, zich op de Heere als een vasten grondsteun neerzet en vestigt, met verlating van alle gebrokene rietstengels, van eigen gerechtigheid en wijsheid..
Wij treffen voor het eerst in Genesis 48:14 het gebruik van de handoplegging aan, waar het ook reeds voorlopig verklaard werd; hier moet het daar, onder 5a, vermelde geval nog bijzonder beschouwd worden. Uit de aangehaalde plaats van Passavant blijkt, dat de handoplegging bij al de verschillende handelingen, die daarmee gepaard gaan, altijd een mededeling te kennen geeft van hetgeen de een bezit en de ander van hem ontvangen zal. Hetgeen meegedeeld moet worden kan of iets zijn, dat hij die de handen oplegt de ander wil meedelen, zonder zichzelf te beroven; dan moeten wij ons die mededeling denken, zoals de brandende vlam een tweede vlam doet ontstaan, zonder daarom zelf iets te verliezen (zo bij zegening, genezing van zieken, mededeling van de Heilige Geest en inwijding tot een ambt); of iets, waarvan hij, die de hand oplegt, zich wil ontdoen, opdat de ander het geheel en alleen heeft; zo in de beiden naar Genesis 48:14 het laatst opgenoemde gevallen. Daar is het een meedelen in de eigenlijke zin van het woord, hier een over- of weggeven. Maar wat wordt nu bij de handoplegging op het offerdier daaraan overgegeven, of daarop overgedragen? Volgens de leer van de kerk de zonde van hem, die de hand oplegt met de door haar aangebrachte schuld, of het doodvonnis; evenwel komt het overdragen van zonde op het offerdier, streng genomen, maar eenmaal in de Mozaïsche wetgeving voor, namelijk met betrekking tot de enkele bok op de grote Verzoendag, die dan met de op hem overgedragene schuld naar de woestijn wordt uitgedreven (Leviticus 16:20). Wij moeten dus juister zeggen, dat de offeraar, door middel van de handoplegging, het doodvonnis van zichzelf op het offerdier overdraagt; of met andere woorden, de schuld van zijn zonde. Voor deze opvatting spreekt ook Leviticus 24:14, en de geschiedenis van Suzanna (Vers 34), slechts met dit onderscheid, dat hier de schuld of het doodsoordeel van hem, wie de handen werden opgelegd, juist daardoor weer wordt teruggeven; zij, die de handen opleggen, willen daaraan geen deel hebben; maar zij zouden die schuld van het doodsoordeel deelachtig worden, wanneer zij, wat nu geschieden moet, de doodstraf niet voltrokken (Numeri 35:31)
Een tweede punt, dat tot beter begrip van de offerwetten moet worden ontwikkeld, is de betekenis van het woord verzoenen. Zeer terecht zegt Kurtz: "Het hoogste en moeilijkste, ja het eigenlijke en enige raadsel van de gehele geschiedenis van de genade, dat door Gods genaderaad moet worden opgelost, is de verzoening van de zondige mens: is deze zwarigheid opgelost, dan zijn ook alle andere zwarigheden verdreven, dan is de weg tot het verkrijgen van alle andere heilgoederen reeds gebaand. Niet dit is de zaak, dat de door en tot God geschapen mens als zodanig tot de gemeenschap met God kom en daarin blijft, dat levert op zichzelf geen bezwaren op, dat zou zich om zo te zeggen vanzelf vinden; maar hier is de vraag, of, en hoe de zondige mens, in weerwil van zijn zonde, die alle banden van de gemeenschap met God verscheurd heeft en hun hereniging onmogelijk maakt, toch nog weer tot die gemeenschap komen kan. Alleen verzoening, d.i. uitdelging van zijn zonde, kan dit onmogelijke mogelijk maken, daarom is verzoening van zijn zonde de Alfa en de Omega voor de behoefte en het heimwee van de zondaar, die uitziet naar de gemeenschap met God. Daarom wordt de offerwet, die met haar genadebedelingen aan deze behoefte, aan dit heimwee tegemoet komt, niet moe altijd weer opnieuw haar wachtwoord "verzoenen" of "de priester zal hem verzoenen" uit te spreken..
De in het Hebreeuws gebruikte uitdrukking voor "verzoenen", betekent eigenlijk dekken, bedekken, toedekken, en wel in figuurlijke of oneigenlijke zin. Wat nu bedekt of toegedekt zal worden (lijdende zin), is het God mishagende of Hem tegenstaande, waardoor Zijn toorn opgewekt en Zijn straf geëist wordt, alzo de zonde of overtreding van Zijn geboden; zij is dit ook, wanneer er van een verzoenen van de zondaar sprake is; juist de hem aanklevende zonde en onreinheid moet worden toegedekt, opdat hij van Gods toorn en straf bevrijd worde. Wat nu bedekt of toedekt (bedrijvende vorm), kan geen dienst, een gave aan God zijn, die Hem op Zijn uitdrukkelijk verlangen gebracht wordt (Exodus 30:11, het losgeld van een halve sikkel), of de bede, de voorbede van een Middelaar, die in Gods oog wat betekent (Exodus. 32:30 Deuteronomium 16:46, Aärons reukvat), of ook het bloed van de offerdieren, dat de Heere tot verzoening van de zielen gegeven heeft (Leviticus 17:11) elk van deze drie verzoeningsmiddelen plaatst zich tussen de zonde van de mens en de toorn van God als een belemmering, zodat zowel God de zonde niet meer ziet, zoals zij op zichzelf is, als een misvorming van Zijn beeld in de mens en een opstand tegen zijn heilige wil, zodat ook de zonde niet meer om wraak ten hemel schreit en Gods straffende gerechtigheid niet meer inroept. Zulk een verzoenende of bedekkende kracht hebben zij natuurlijk niet op zichzelf, deze is hun door God slechts zó lang toegekend, als de rechte in zichzelf tot verzoening geschikte middelen, nog niet aanwezig zijn, en wel met bepaalde heenwijzing naar deze, zodat zij eigenlijk reeds werken, eer zij in de wereld zijn; wij menen `Christus' losprijs, `Christus' voorbede, `Christus' bloed..
Wanneer wij zo-even over een bepaalde betrekking op deze drie verzoeningsmiddelen spraken, dan blijft in ieder geval de verborgenheid van de nieuwtestamentische verzoendag in het Oude, voor het tegenwoordige nog onbekend, althans tot op de profeten Jesaja 53) wordt van dit geheim nog niets verklaard; maar voor het oog van de Heere is alles reeds helder en duidelijk; ook voor de geest van de vromen en gelovigen is het niet geheel bedekt meer. Nu volgt de vraag: hoe het mogelijk zal zijn, dat een tussen de zonde van de mens en de toorn van God bestelde bedekking, God kan verhinderen om nog langer in de zonde te zien wat zij is, en de zonde zo van haar kracht beroofd, dat zij niet meer om wraak ten hemel schreit. Op deze vraag geven twee plaatsen ons het antwoord. Volgens Numeri 25:11 heeft Pinehas met zijn ijver voor God de kinderen van Israël verzoend, en volgens Numeri 35:33 kan een land niet verzoend worden van het daarin vergoten bloed, dan door het bloed van hem, die het vergoten heeft. Daar wil God nu van Israëls zonde afzien, waar Zijn oog op iets anders, dat Hem behaagt, kan rusten, op de ijver van Pinehas; deze is machtiger en sterker in zijn aantrekkingskracht, dan de misdaad die Zijn toorn opwekt, maar welke door de ijver van Pinehas bedekt wordt. Maar hier ontvangt door de dood van de doodslager de door hem bedreven zonde haar loon; daardoor is zij tot zwijgen gebracht en werkeloos gemaakt of uitgedelgd. Zo heeft Christus in bet Nieuwe Testament voor ons genoeg gedaan, onze zonde verzoend en bedekt, deels door Zijn dadelijke, deels door Zijn lijdende gehoorzaamheid; nu ziet God, terwijl Hij ons de verdienste van Christus toerekent, in ons niet meer onze zonden, maar Zijn Zoons gerechtigheid aan; onze zonde kan ons nu ook niet meer bij Hem aanklagen en Hem noodzaken haar te straffen, want de straf is reeds geleden..
2) Op zichzelf betekende het offer niets, maar in zoverre, als het zijn verzoenende kracht ontleende aan de zoendood van Christus. Waar het alzo in het geloof gebracht werd, daar was het God aangenaam..