Richteren 13:15-23
Wij hebben hier een bericht:
I. Van hetgeen er bij dit onderhoud tussen de engel des Heeren en Manoach nog verder voorviel. Het was in vriendelijkheid voor hem dat het, zolang de engel bij hem was, verborgen voor hem bleef, dat het een engel was, want indien hij het had geweten, dan zou hem dit zo verschrikt hebben, dat hij niet zo vrij met hem had durven spreken als hij gedaan heeft, vers 16. Manoach wist niet dat het een engel des Heeren was. Zo was Christus in de wereld, en de wereld heeft Hem niet gekend Voorwaar, Gij zijt een God, die U verborgen houdt. Wij zouden het gezicht op de onomsluierde heerlijkheid Gods niet kunnen dragen. God besloten hebbende om tot ons te spreken door mensen gelijk wij zelf zijn, door profeten en leraren, zo was het, dat zelfs als Hij sprak door Zijn engelen of door Zijn Zoon, deze verschenen zijn in de gedaante van mensen, en dat zij slechts voor mannen Gods werden gehouden.
1. Deze engel nu weigerde het onthaal aan te nemen, en beval hem het in een offer te veranderen. Verlangend enig teken van eerbied en dankbaarheid te bewijzen aan deze eerbiedwaardige vreemdeling, die hem zo'n blijde tijding had gebracht, verzoekt Manoach hem enige verversingen met hem te willen gebruiken, vers 15. "Wij zullen spoedig een geitebokje voor uw aangezicht bereiden." Zij, die de boodschap welkom heten, zullen vriendelijk wezen voor de boodschappers, om diens wille, die hen gezonden heeft, 1 Thessalonicenzen 5:13 h. Maar de engel zei hem, vers 16, dat hij van zijn brood niet zou eten, evenmin als hij Gideons brood heeft willen eten, maar evenals toen aan Gideon, gebood hij hem het aan God te offeren, Hoofdstuk 6:20, 21. Engelen hebben geen behoefte aan spijs of drank, hun spijs en drank is God te verheerlijken, zoals dit ook Christus' spijs en drank geweest is Johannes 4:34. h En enigermate doen wij de wil van God, zoals zij hem doen, indien wij, hoewel wij niet zonder spijs en drank kunnen leven, eten en drinken ter ere Gods, en aldus zelfs onze gewone maaltijden in offeranden aan God verkeren.
2. De engel weigerde hem zijn naam te zeggen, en wilde dus zijn nieuwsgierigheid in zover niet bevredigen. Manoach wenste zijn naam te kennen, vers 17, en te weten van welke stam hij was, niet alsof hij aan de waarheid van zijn boodschap twijfelde, maar opdat zij hem een tegenbezoek konden brengen, en beter bekend met hem konden worden. Het is goed om onze bekendheid met Godvruchtige mensen en goede leraren te onderhouden, ten einde er geestelijk nut en voordeel van te hebben. En hij heeft nog een ander doel, "opdat wij u vereren, wanneer uw woord zal komen, u zullen vereren als een waar profeet, en anderen zullen aanraden om zich tot u te wenden voor Goddelijk onderricht, het kind, dat geboren zal worden naar uw naam zullen noemen, om u aldus eer aan te doen, of opdat wij u een geschenk kunnen zenden, en aldus hem eren, die God geëerd heeft." Maar de engel wijst zijn verzoek af, met ietwat van een bestraffing wegens zijn nieuwsgierigheid, vers 18, Waarom vraagt gij dus naar mijn naam? Jakob zelf heeft deze gunst niet kunnen verkrijgen, Genesis 32:29. Wij ontvangen niet wat wij vragen, als wij niet weten wat wij vragen. Manoachs verzoek was eerlijk bedoeld, maar toch werd het afgewezen. God heeft aan Mozes Zijn naam gezegd, Exodus 3:13, 14, omdat er een bijzondere reden was, waarom hij hem moest kennen, maar hier bestond die reden niet. Het onderricht, waarom Manoach verzocht, voor het vervullen van zijn plicht, werd hem geredelijk gegeven, vers 12, 13, maar wat hij vroeg ter bevrediging van zijn nieuwsgierigheid, werd hem geweigerd. God heeft ons in Zijn woord volledige instructies gegeven ten opzichte van onze plicht, maar Hij heeft nooit bedoeld om op alle vragen van hen, die zich graag aan bespiegelingen overgeven, te antwoorden. Hij geeft hem een reden voor zijn weigering: "hij is verborgen", vers 18. De namen van de engelen waren toen nog niet geopenbaard, ten einde hun vergoding te voorkomen. Na de ballingschap, toen de kerk genezen was van afgoderij, hebben engelen zich bij hun naam bekend gemaakt aan Daniël: Michaël en Gabriël, en aan Zacharias heeft de engel, zonder er naar gevraagd te zijn, zijn naam genoemd, Lukas 1:19, "ik ben Gabriël." Maar hier is hij verborgen, of wonderlijk, te wonderlijk voor ons. Eén van Christus' namen is "Wonderlijk," Jesaja 9:5. Zijn naam was lang verborgen, maar door het Evangelie is hij bekend gemaakt: Jezus, een Zaligmaker. Manoach moest niet vragen, omdat hij niet meest weten. Er zijn verborgen dingen, die niet van onze zijn, ons niet toekomen te weten, en waaromtrent wij dus tevreden moeten zijn in het duister te blijven, zolang wij nog in deze wereld zijn. Daarom moeten wij ons nooit toegeven in een ijdele nieuwsgierigheid betreffende deze dingen Colossenzen 2:18. "Nescire veile quae Magister maximus docere non vult, eredita inscitia est-Gewillig onwetend te blijven omtrent die dingen, welke onze grote Meester weigert ons te leren, is tegelijk onwetend en wijs te zijn."
3. De engel was tegenwoordig bij hun offerande en nam haar aan, en bij het scheiden gaf hij hun te verstaan wie hij was. Hij had hun bevolen hun brandoffer de Heere te offeren, vers 16. Lof, aan God geofferd, is het kostelijkst onthaal voor engelen, zie Openbaring 22:9. Aanbid God. En daar Manoach zo goed en wettig een machtiging had, heeft hij, hoewel hij geen priester was en geen altaar had, zijn spijs in een spijsoffer veranderd, en offerde het op de rotssteen de Heere, vers 19, dat is: hij bracht het en legde het neer om geofferd te worden, "Heere, hier is het, doe er mee wat U behaagt." Zo moeten wij Gode ons hart brengen als levende offeranden, en ze aan de werking des Geestes onderwerpen. Alle dingen nu gereed zijnde:
a. Heeft de engel wonderlijk gehandeld, want Zijn naam was Wonderlijk. Waarschijnlijk was het wonder, dat hij deed, hetzelfde wat hij voor Gideon gedaan heeft, hij heeft vuur doen komen hetzij van boven uit de hemel, of van beneden uit de rotssteen, om het offer te verteren.
b. Hij voer op naar de hemel in de vlam van het altaar vers 20. Hieruit bleek dat hij niet, zoals zij dachten een gewoon mens was, maar een bode, die onmiddellijk van de hemel kwam, vandaar is hij gewis neergekomen, want daarheen is hij opgevaren, Johannes 3:13, 6:62. h Dit betekende Gods aanneming van het offer, en duidt aan wat het is, waaraan wij de aanneming van al onze offeranden verschuldigd zijn, namelijk aan het middelaarschap van de Engel van het verbond, die andere Engel, die veel reukwerk legt bij de gebeden van de heiligen en ze offert voor de troon, Openbaring 8:3. Het gebed is een opvaren van de ziel tot God. Maar het is Christus in het hart door het geloof, waardoor het een offer wordt ten lieflijke reuk, zonder Hem zijn onze diensten een walgelijke rook, maar in Hem zijn zij een welbehaaglijke vlam. Wij kunnen dit toepassen op Christus' offeren van zichzelf voor ons, Hij is opgevaren in de vlam van Zijn eigen offerande, want door Zijn eigen bloed is Hij eenmaal ingegaan in het heiligdom, Hebreeën 9:12. Tweemaal wordt gezegd, vers 19, 20, dat Manoach en zijn huisvrouw toezagen terwijl de engel dit deed. Dit is een bewijs van het wonder, het feit, de zaak, was waar, want uit de mond van deze twee ooggetuigen is het bericht er van bevestigd. Al wat er gedaan werd in dit offeren, werd door de engel gedaan, zij hebben slechts toegezien, maar toen de engel opvoer ten hemel is ongetwijfeld hun hart met hem opgevaren in dankzegging voor de belofte, die vandaar gekomen is, en in de verwachting van de vervulling er van, die ook vandaar komen zal. Maar toen de engel opgevaren is, durfden zij niet, evenals zij, die getuigen waren van Christus' opvaren naar de hemel, staan blijven om op te zien naar de hemel, maar in heilige vrees en eerbied vielen zij met hun aangezicht ter aarde. En nu wisten zij dat het een engel was, vers 21. Het was duidelijk dat het geen menselijk lichaam was dat zij daar zagen, daar het niet aan de aarde was gekluisterd, noch geschaad werd door vuur, maar opvoer, opvoer in een vlam, en daarom kwamen zij terecht tot de gevolgtrekking dat het een engel was, want Hij maakt Zijn engelen geesten en Zijn dienaren een vlam des vuurs. Maar hij is hun niet weer verschenen, het was voor een bijzondere gelegenheid, die nu voorbij was, dat hij was gezonden, niet om een voortdurende gemeenschap te vestigen zoals de profeten dit gedaan hebben. Zij moeten zich herinneren wat de engel hun gezegd heeft, het getrouw nakomen, maar niet verwachten meer te horen.
II. Wij hebben een bericht van de indruk die door dit visioen op Manoach en zijn huisvrouw was teweeggebracht. Terwijl de engel wonderlijk handelde, zagen zij toe en zeiden niets, (zo betaamt het ons, opmerkzaam Gods wonderwerken na te gaan, en te zwijgen voor Zijn aangezicht) maar toen hij was weggegaan, zijn werk volbracht hebbende, toen hadden zij tijd om hun opmerkingen te maken.
1. In Manoachs opmerkingen is grote vrees, vers 22. Hij had met grote verzekerdheid gesproken van de zoon, waarvan zij weldra de blijde ouders zullen zijn, vers 8, 12, en toch is hij nu in zo'n verwarring gebracht door de eigen zaak, die zijn geloof had moeten versterken en aanmoedigen, dat hij niets anders verwacht, dan dat zij beide terstond gedood zullen worden. Wij zullen zeker sterven. Het was de algemene volksmening onder de oude Joden, dat God, of ook wel een engel, te zien ogenblikkelijk sterven ten gevolge had, en dit denkbeeld kreeg voor het ogenblik geheel en al de overhand over zijn geloof, zoals dit ook met Gideon het geval was, Hoofdstuk 6:22.
2. In de opmerking van zijn vrouw is groot geloof, vers 23. Hier was het zwakkere vat de krachtiger gelovige, hetgeen wellicht de reden was, waarom de engel beide malen verkozen heeft aan de vrouw te verschijnen. Manoachs moed begon hem te ontzinken, maar zijn vrouw heeft, als zijn hulpe tegenover hem, hem bemoedigd. Twee zijn beter dan een, want indien de een zich aan mismoedigheid overgeeft, zal de ander hem opwekken. Echtgenoten moeten elkanders geloof en blijdschap steunen en aanmoedigen, zo dikwijls er zich de gelegenheid toe aanbiedt. Niemand zou beter kunnen redeneren dan Manoachs huisvrouw hier redeneert. Wij zullen zeker sterven, zei haar echtgenoot. "Neen," zegt zij, "dat behoeven wij niet te vrezen, laat ons toch niet datgene als tegen ons beschouwen, wat in werkelijkheid voor ons is. Wij zullen niet sterven, tenzij het God behaagt ons te doden, onze dood moet van Zijn hand komen en van Zijn welbehagen. Nu verbieden ons de tekenen van zijn welgevallen, die wij hebben ontvangen, te denken dat Hij ons verderf bedoelt. Had Hij goedgevonden ons te doden, Hij zou:
a. Ons offer niet hebben aangenomen, en ons Zijn welgevallen er in niet te kennen hebben gegeven, door het tot as te maken, Psalm 20:4. Het brandoffer was het rantsoen van ons leven, en het vuur, dat het heeft aangestoken, was een duidelijke aanwijzing, een duidelijk blijk, dat Zijn toorn van ons was afgewend. Het offer van de goddelozen is een gruwel, maar gij ziet dat het onze dit niet is.
b. Hij zou ons al deze dingen niet getoond hebben, deze vreemde, buitengewone gezichten, in deze tijd nu er geen of weinig openbare visioenen zijn, 1 Samuël 3:1, noch zou Hij ons deze grote en dierbare beloften gegeven hebben van een zoon, die een nazireër zijn zal, en een verlosser van Israël. Hij zou ons zulke dingen niet gezegd hebben, indien Hij ons had willen doden. Wij behoeven het verdorren niet te vrezen van die wortelen, uit welke zo'n spruit nog moet voortkomen. Hieruit blijkt dat God de dood van de zondaren niet bedoelt, dat Hij het grote offer heeft aangenomen, dat Christus voor hun verlossing geofferd heeft, en hen op de weg gesteld heeft om Zijn gunst te verkrijgen, en hun op hun berouw en bekering daarvan verzekerd heeft. Indien Hij hen had willen doden, Hij zou dit niet gedaan hebben. En laat de goede Christenen, die in het woord en het gebed gemeenschap hebben gehad met God, aan wie Hij zich genadiglijk heeft geopenbaard, en die reden hebben te denken dat Hij hun werken heeft aangenomen, hieraan moed ontlenen ten dage van de wolk en van de donkerheid: "God zou voor mijn ziel niet gedaan hebben wat Hij gedaan heeft, indien Hij bedoeld had mij te verlaten en mij ten slotte te laten omkomen, want Zijn werk is volkomen, en Hij zal Zijn volk door geen schijn-gunstbewijzen misleiden." Leer te redeneren zoals Manoachs huisvrouw geredeneerd heeft: "Indien God bedoeld had mij te laten omkomen onder Zijn toorn, Hij zou mij zulke bijzondere tekenen van Zijn gunst niet getoond hebben." O, vrouw, groot is uw geloof.