Jesaja 65:11-16
Hier worden de verschillende toestanden van de godvrezenden en de goddelozen, van de Joden, die geloofden, en van hen, die in hun ongeloof volhardden, tegenover elkaar gezet, gelijk het leven en de dood, het goede en het kwade, de zegen en de vloek.
I. Hier is het verschrikkelijk vonnis over hen, die zich verhardden in hun afgoderij na de verlossing uit Babel, en in ongeloof na de verkondiging van het Evangelie.
Merk op:
1. Met welk vonnis hier gedreigd wordt: Ik zal ulieden ten zwaarde tellen, gelijk schapen voor de slachter, en daar zal geen ontkomen of uitstel aan zijn, gij zult U allen ter slachting krommen, vers 13. Gods oordelen komen:
a. Geregeld en worden volgens Zijn raad uitgevoerd. Zij die door het zwaard vallen, zijn er voor afgeteld, en geen ander. Ofschoon het zwaard schijnbaar blindweg zowel de een als de ander verteert, is het aantal vastgesteld en zal niet overschreden worden.
b. Onweerstaanbaar. De sterkste en stouthartigste zondaren zullen gedwongen worden er zich voor te krommen, want niemand heeft ooit zijn hart tegen God verhard en voorspoed gehad.
2. Welke de zonden zijn, waarom zie ten zwaarde geteld worden.
A. Afgoderij was de oude zonde, vers 11. Gij zijt het, die inplaats van Mij te zoeken en Mij als Mijn volk te dienen, de Heere verlaat, Hem ontkent en Hem wegwerpt om andere goden te omhelzen. Gij zijt het die Mijn heilige berg vergeet (de voorrechten die Hij u schenkt en de verplichtingen waaronder Hij u brengt) om voor uw afgoden op de bergen wierook te branden, vers 7, en die de enige levenden en waren God verlaten hebt. Zij waren aanrichters van een tafel voor die bende, die bende afgoden welke de heidenen aanbaden, en opvullers des dranks voor dat getal, zij goten hun drankofferen uit voor die ontelbare menigte. Zij, die één God te weinig vinden, achten troepen en honderden goden niet genoeg, maar voegden er altijd nog anderen aan toe, tot zij zoveel goden als steden hadden en hun altaren als steenhopen op de voren van de velden. Hosea 12:12. Sommigen zien in Gad en Meni, hier vertaald door bende en getal, namen van twee afgoden, ongeveer gelijk staande met Jupiter en Mercurius. Maar wat zij ook waren, hun aanbidders spaarden moeite noch kosten om hen te vereren, zij richtten een tafel voor hen aan en mengden kostelijke wijn voor hen als drankoffer, zij zouden eer hun gezinnen te kort doen dan deze eredienst beperken, hetgeen de aanbidders van de ware God over hun onachtzaamheid moet doen beschaamd staan.
B. Ongeloof was de zonde van de latere Joden, vers 12. Ik heb geroepen, maar gij hebt niet geantwoord, hetgeen gelijk staat met hetgeen in vers 2 gezegd is. Ik heb de gehele dag Mijn handen uitgestrekt tot een tegenstrevend volk, en dit wordt toegepast op hen, die het Evangelie verwerpen. De Heere Jezus zelf riep hen (Hij stond en riep, Johannes 7:37), maar zij hoorden niet en wilden niet antwoorden, zij werden door zijn redenen niet overtuigd of bewogen door Zijn vermaningen, maar de oprechte waarschuwingen, die Hij hun tegen dood en verderf gaf en de aanbiedingen die Hij hun deed van leven en geluk werden veronachtzaamd en maakten geen indruk op hen. Maar dit was nog niet alles. Gij hebt gedaan dat kwaad was in Mijn ogen, niet onverhoeds, of bij verrassing, maar met overleg. Gij hebt verkoren hetgeen waaraan Ik geen lust heb, dat wil zeggen hetgeen Ik ten uiterste verfoei en verafschuw. Het is niet vreemd dat zij die niet overreed willen worden om het goede te doen, volharden in hun keus om het kwade na te jagen. Zie hier de kwaadaardigheid van de zonde, zij is kwaad in Gods ogen, zij is hoogst beledigend voor Hem, en toch wordt zij begaan voor Zijn ogen, in Zijn tegenwoordigheid en om Hem te tergen. Zij is een tegenspraak van Gods wil, zij doet door eigen keuze datgene wat wij weten dat Hem mishaagt.
II. De verzwaring van dit vonnis door het aanschouwen van de gelukkige toestand van hen, die tot berouw en geloof gebracht waren.
1. De zegeningen van hen die God dienen, en de ellendige toestand van hen, die tegen God opstaan, worden hier tegenover elkaar geplaatst, opdat zij elkaar zullen toelichten, vers 13-16.
A. Gods dienaren mogen zich wel gelukkig achten en voor eeuwig aan Hem verplicht, omdat vrije genade hen daartoe gebracht heeft, wanneer zij zien hoe ellendig anderen er aan toe zich bij gemis van die genade, die zijn verhard en gevaar lopen voor eeuwig in hun ongeloof verloren te gaan, en hoe zij nauwelijks er aan ontsnapt zijn om daarbij te behoren. Zie Hoofdstuk 66:24.
B. Het zal het ongeluk van hen, die verloren gaan, vergroten wanneer zij de gelukzaligheid van Gods dienaren zien, die zij hebben gehaatt, miskend en met de uiterste verachting behandeld, en voornamelijk wanneer zij zullen zien dat zij in dezelfde zegeningen hadden kunnen delen indien zij gewild hadden. Dit was de pijniging van de rijke man in de hel en maakte haar zoveel zwaarder dat hij Abraham van verre zag en Lazarus aanliggende in diens schoot, Lukas 16:23. Zie Lukas 13, 28. Soms maakt Gods voorzienigheid een dergelijk verschil tussen goed en kwaad in deze wereld, en dan wordt de voorspoed van de rechtvaardige een grievend gezicht en een harteleed voor de goddeloze, Psalm 112:10, en vooral zal dat zo zijn in de grote dag.
2. Het verschil in hun toestand ligt in twee omstandigheden:
A. In vertroosting en voldoening.
a. Gods dienaren zullen eten en drinken, zij zullen het brood des levens hebben om gevoed te worden, om geduriglijk feest te vieren, overvloedig zullen zij hun huizen door Gods goedheid gevuld zien en geen nodig ding zal hun ooit ontbreken. Het geluk des hemels zal hun een altijddurend feest zijn: zij zullen verzadigd worden met hetgeen waarnaar zij nu hongeren en dorsten. Maar zij die hun hart op de aarde zetten en van haar geluk verwachten, zullen hongerig en dorstig zijn, altijd ledig, altijd begerend, want het is geen brood, het voldoet en voedt niet. In de gemeenschap met God en algehele afhankelijkheid van Hem is volledige voldoening, maar in zondige ontwerpen is niets dan teleurstelling.
b. Gods dienstknechten zullen blij zijn en van ganser harte juichen. Zij hebben bestendige reden tot blijdschap, en er is niets dat een oorzaak van droefheid voor hen zou kunnen zijn of zij hebben er een afdoend middel tegen, en naarmate hun geloof krachtig en werkzaam is hebben zij een verblijd hart en is hun blijdschap hun sterkte. Zij zullen zich verblijden in de hoop, omdat die hen niet zal beschamen. De hemel zal een wereld van eeuwigdurende blijdschap zijn voor allen die nu met tranen zaaien. Maar aan de andere zijde: zij, die de Heere verlaten, sluiten voor zich alle blijdschap buiten, zij zullen beschaamd worden door hun ijdel vertrouwen op zichzelf, en door hun eigen gerechtigheid en de hoop, die zij daarop gebouwd hebben. Wanneer de verwachtingen van zegeningen, waarmee zij zichzelf gevleid hebben, vernietigd zijn, welk een beschaamdheid zal dan hun aangezichten bedekken! Zij zullen schreeuwen van weedom des harten en huilen van verbreking des geestes: misschien reeds in deze wereld, wanneer hun lachen zal veranderd worden in rouwklagen en hun vreugde in droefheid, en zeker in die wereld, waar de pijniging eindeloos en ongeneeslijk zal zijn, enkel geween en gejammer en knersing van de tanden, in eeuwigheid. Vergelijkt deze twee: Nu wordt hij vertroost en gij lijdt smarten: en welk van die beide kiest gij voor uw eeuwig deel?
B. In eer en goede naam, vers 15, 16. De gedachtenis des rechtvaardigen is en zal gezegend zijn, maar de naam des goddelozen zal verrotten.
a. Afgodendienaars en ongelovigen zullen hun naam als een vloek achterlaten, die naam zal met schande bedekt en voor eeuwig eerloos gemaakt worden. Hij zal gebruikt worden om slechte hoedanigheden aan te wijzen. Hij zal voor eeuwig voor Gods uitverkorenen een vervloeking zijn, dat is, een waarschuwing voor hen, zij zullen bevreesd zijn om te vallen onder het oordeel, dat het Joodse volk trof en te vergaan evenals dat voorbeeld van ongeloof. De vloek over hen, die God verwerpt, maakt geheel hun toestand ellendig. De Heere zal u slaan! Hij zal de ongelovige Joden afsnijden van Zijn volk, zij zullen niet langer als geordend volk bestaan, en nooit meer zo vergaderd worden.
b. De naam van Gods verkorenen zal een zegen zijn. Hij zal Zijn knechten met een andere naam noemen. De kinderen des verbonds zullen niet langer Joden maar Christenen genoemd worden, en aan hen zullen onder die naam, al de beloften en voordelen van het nieuwe verbond verzekerd worden. Die andere naam zal een eervolle naam zijn-hij zal niet beperkt worden tot een enkel volk, maar in die naam zal men zich zegenen over de gehele aarde. God zal Zijn dienaren hebben onder alle volken van de wereld, die verwaardigd zullen worden deze nieuwe naam te dragen. Zij zullen zich zegenen in de God van de waarheid.
Ten eerste. Zij zullen God de eer geven in hun gebeden en in hun plechtige eden, in hun dankzeggingen voor hun geluk door Zijn gunst, en in hun inroepen van Zijn gerechtigheid als rechter. Dit is een deel van de verering, welke wij Gode verschuldigd zijn, wij moeten ons in Hem zegenen, dat is, wij moeten rekenen dat wij genoeg hebben om ons gelukkig te maken, dat wij niets meer behoeven, en niets meer kunnen begeren indien wij Hem hebben als onze God. Het is van veel- belang waarin wij onszelf zegenen wat ons het meest behaagt en wat wij voor onze belangen het hoogste schatten. De wereldse mensen zegenen zich in hun overvloed van aardse goederen, Psalm 49:18, Lukas 12:19, maar Gods dienstknechten zegenen zich in Hem als hun algenoegzame God. Hij is hun een heerlijke kroon en een sierlijke hoed, hun deel en hun sterkte. Alleen bij Hem zullen zij zweren, en niet bij enig schepsel of bij enige valse God. Aan Zijn oordeel zullen zij hun zaak overlaten, waarnaar alle menselijk oordeel zich regelen moet.
Ten tweede. Zij zullen Hem de eer geven als de God van de waarheid de God van Amen (zo staat er). Sommigen verstaan dit van Christus, die zelf de Amen is, de getrouwe getuige, Openbaring 3:14, en in Wien alle beloften ja en amen zijn, Z Corinthiers 1:20. In Hem moeten wij ons zegenen en bij Hem moeten we zweren, als de Heere met Wien wij in verbond zijn. Hij die gezegend is op de aarde (zo lezen sommigen deze tekst), zal gezegend zijn in de waarachtige God, want Christus is de waarachtige God en het eeuwige leven, 1 Johannes 5:20. En van ouds was beloofd dat in Hem alle geslachten van de aarde zouden gezegend worden, Genesis 12:3. Anderen lezen hier: Hij zal zich zegenen in de God van Zijn gelovig volk, dat is: in God als de God aller gelovigen, niets meer begerende dan te mogen delen in de zegeningen, waarmee zij gezegend zijn, behandeld te worden gelijk Hij hen behandelt.
Ten derde. Zij zullen Hem de eer geven als de bewerker van de gelukkige verandering, die zij ondergaan hebben, zij zullen het hun voorrecht achten dat zij Hem tot God hebben, die hun hun vorige droefenissen deed vergeten en de gedachtenis daaraan deed verzinken in hun tegenwoordige vertroostingen, omdat zij voor Gods ogen verborgen zijn, dat is, zij zijn geheel weggenomen, want indien er ook maar iets van hun vorige benauwdheden overgebleven was, zou God er het oog op hebben in medelijden met hen en om hen te helpen. Zij zullen die niet langer gevoelen want God zal ze niet meer zien. Het behaagt Hem er over te spreken als iets dat Hem genoegen doet omdat het hun aangenaam is, en daaraan zullen zij met blijdschap zich zegenen in Hem.