18. En zij zullen uw stem horen; 1) Ik kan het u voorzeggen, dat de oudsten met het volk de tijding als een blijde boodschap zullen aannemen (
Exodus 4:30,
31); en gij zult gaan, gij en de oudsten van Israël, tot de koning van Egypte, en gij zult tot hem zeggen, in naam van het gehele volk: De Heere, de God van de
Hebreeën 2) is ons verschenen, 3) en heeft ons geroepen; zo laat ons nu toch gaan de weg van drie dagen in de woestijn, opdat wij de HEERE, onze God offeren, 4) buiten de grenzen van Egypte, en alzo niet met onze godsdienst de Egyptenaren tot een gruwel en een ergernis worden (
Hoofdstuk 8:25-
27).
1) Alle bezwaren neemt de Heere voor Mozes weg. Was het vroeger zijn ervaring geweest, dat zij hem verworpen hadden, nu zal hij ondervinden, daar het nu Gods tijd is, zij hem zullen aannemen..
2) Niet de God van de Israëlieten. Israël was de Verbondsnaam. Hebreeën de naam, waaronder Israël bij de volken bekend was..
3) Wel was de Heere slechts aan Mozes verschenen; maar deze verschijning gold toch het gehele volk, in wiens naam Mozes en de oudsten tot farao spreken zouden.. De Kanttekenaren verklaren aldus: Hij is ons buiten onze verwachting verschenen, en heeft ons aangesproken, bevelende, hetgeen wij verzoeken..
4) Het is een genadige neerbuiging tot farao, wanneer de Heere niets zwaarders van hem eisen laat dan het volk enige dagen te laten gaan, om zijn God te offeren; het moet hem zeer gemakkelijk gemaakt worden, aan de goddelijke wil te gehoorzamen: daarom wordt de eis zo klein en billijk mogelijk gesteld. Ware nu farao bij enige van de volgende voorstellen bereid geweest, om toe te geven, zo zou de Heere zeker ook middelen en wegen gevonden hebben, om verder daarop te bouwen, en bij de koning te bewerken, dat hij ze vrijwillig voor altijd liet gaan; want de eerste in geloofsgehoorzaamheid volbrachte daad maakt tot grotere en zwaardere offers van zelfverloochening bekwaam (Mattheus 13:12). farao streeft (zoals God tevoren weet, Vers 19) van het begin af aan tegen, en wil niet eens het gewichtigste en billijkste toegeven; daarom dringt God in de laatste plaag zó hard op hem aan, dat hij het volk uit zijn land uitdrijft (hfst.12:30), daardoor zelf de oorspronkelijke vordering opheft en alles voor Israël in het reine brengt. Als hij dan inziet wat hij eigenlijk gedaan heeft, en Israël najaagt, om het terug te voeren, overvalt hem de goddelijke straf zowel voor zijn misdaden en die van zijn voorgangers, als voor zijn halsstarrig weigeren. Hij komt in de Rode Zee om, en in deze is Israël's gehele onderworpenheid aan Egypte vanzelf begraven (hoofdstuk 14). Het is uit Egypte getrokken, niet ten gevolge van een toestemming, die het tot terugkeren verplicht had, maar door een sterke hand, die alle draden van de vroegere samenhang verscheurd heeft..
Men vraagt, hoe God, besloten hebbende, dat de Israëlieten Egypte ten enenmale verlaten zouden, zijn knecht Mozes kon gelasten, alleen voor het volk te verzoeken, een reis te doen van drie dagen opdat zij de Heere, hun God, zouden offeren. Kon Mozes zulk een verzoek doen zonder de koning te misleiden? Wij antwoorden: Dat het waar was, dat de Israëlieten zich naar de berg Sinaï, in de woestijn, moesten begeven, om daar de Heere offeranden toe te brengen, en dat zij zich ook waarlijk daarheen begeven hebben. Daarom sprak Mozes de waarheid, zonder deze in alle haar omstandigheden te zeggen, waartoe hij niet verplicht was. 2e. Mozes was hier alleen de boodschapper en het werktuig ter uitvoering van Gods bevelen, die aan farao niets schuldig zijnde, ook niet gehouden was, om hem rekenschap te geven van zijn handelingen en zijn voornemens in deze uitgestrektheid te openbaren. 3e. Wanneer God de koning deed verzoeken, dat hij de Israëlieten vrijheid zou geven, om zich alleen de weg van drie dagreizen uit het land van Gosen te begeven. Zo wist Hij, dat de dwingeland dat geringe verzoek zou afslaan, en zo diende het, om de onredelijkheid en de wreedheid van de geweldenaar in het openbaar tentoon te stellen, en Gods rechtvaardigheid te doen blijken in de oordelen, die over deze ongehoorzamen en hardnekkigen zouden worden uitgestort..
Het is geen droom, Mozes zelf zal het werktuig wezen, waarvan God zich bedient, om de straf van de drijver te breken. Hij moet heengaan, en de oudsten verzamelen, en hun meedelen, wat hier is geschied. Hij moet onverschrokken dat paleis weer intreden, waar hij voor vijftig, zestig jaren zo gemeenzaam was, en thans zo vreemd is geworden, en in naam van Israël's God Diens oproerige onderdaan op de troon tot plicht en gehoorzaamheid dwingen. Opzettelijk moet hij aan farao slechts een deel van de waarheid bekend maken. Wordt zelfs het billijk verzoek om een offerfeest te gaan vieren, geweigerd; het zal dan blijken, wat er in het hart van de dwingeland is, en wat God tot zijn vernedering doen zal! Nee, Mozes heeft niet te twijfelen, dat God zelf hem die last op de schouders legt; dezelfde berg (Vers 12), waar hij later met het volk van Jehova offeren zal, is hem het tastbaar teken van zijn hemelse roeping! Van Zijn roeping wat zullen wij ervan zeggen, dat gij niet reeds bij u zelf bedacht hebt? Wat eervolle taak, alzo heen te gaan, een hemelse volmacht in handen: te staan als middelaar tussen hemel en aarde; op te treden als vertrouwde van Hem, naar Wiens onnavolgbare naam Egypte's wijzen slechts raden!.