Psalm 95:8-11
Het laatste gedeelte van deze psalm, dat begint in het midden van vers 7, is een vermaning aan hen, die Evangeliepsalmen zingen, om een Evangelieleven te leiden en de stem van Gods Woord te horen, want hoe kunnen zij anders verwachten dat Hij de stem hunner gebeden en psalmen zal horen?
Merk op:
I. De plicht, die geëist wordt van allen die het volk van Christus' weide zijn en de schapen van Zijn hand. Hij verwacht dat zij Zijn stem zullen horen, want Hij heeft gezegd: Mijne schapen horen Mijne stem, Johannes 10:27. Wij zijn Zijn volk, zeggen zij. Zijt gij dit? Zo hoort dan Zijn stem. Indien gij Hem Meester of Heere noemt, zo doet hetgeen Hij zegt, en weest Zijn gewillig, gehoorzaam volk. Hoort de stem van Zijn leer, van Zijn wet, en in die beide, de stem Zijns Geestes, hoort en neemt ter harte, hoort en onderwerpt u. Hoort Zijn stem, en niet de stem van een vreemde. Indien gij Zijn stem hoort.. Sommigen vatten het op als een wens, O, dat gij Zijn stem wildet horen! Dat gij zo verstandig waart, zo goed voor uzelf wildet handelen, zoals dat woord van Christus: "Och of gij ook bekende", Lukas 19:42 dat is: och, hadt gij het maar geweten! Christus' stem moet heden gehoord worden, daar legt de apostel grote nadruk op, het toepassende op de Evangeliedag. Terwijl Hij tot u spreekt, zie toe dat gij acht op Hem slaat, want die dag uwer goede gelegenheid zal niet altoos duren, maak er dus gebruik van "terwijl het heden genaamd wordt," Hebreeën 3:13, 15. De stem van Christus te horen is hetzelfde als te geloven. Zo gij heden door het geloof de Evangelieaanbieding aanneemt, dan is het wel, maar morgen kan het te laat zijn. In een zaak van zo groot belang en gewicht is niets zo gevaarlijk als uitstel.
II. De zonde, waartegen zij gewaarschuwd worden, als onbestaanbaar met het gelovig, gehoorzaam oor, dat geëist wordt, en die is: hardheid van hart. Zo gij Zijn stem wilt horen, en uw voordeel wilt doen met hetgeen gij hoort, zo verhardt uw hart niet, want het zaad, dat op de rots gezaaid werd, heeft nooit vrucht voldragen. De Joden geloofden het Evangelie van Christus niet, omdat hun hart verhard was, zij waren niet overtuigd van het kwaad van de zonde en van hun gevaar vanwege de zonde, en daarom sloegen zij geen acht op de aanbieding van de zaligheid, zij wilden het juk van Christus niet op zich nemen, niet toegeven aan Zijn eisen, en indien des zondaars hart verhard is, dan is dit zijn eigen schuld, het is zijn eigen doen en hij alleen moet er tot in eeuwigheid de schuld van dragen.
III. Het voorbeeld, dat hun ter waarschuwing wordt voorgehouden, namelijk dat van de Israëlieten in de woestijn. Wacht u van te zondigen zoals zij gezondigd hebben, opdat gij niet buitengesloten wordt van de eeuwige rust, zoals zij van Kanaän buitengesloten werden." Wees niet gelijk uw vaders, een wederhorig en weerspannig geslacht, Psalm 78:8. Zo ook hier: Verhardt uw hart niet, zoals gij, (dat is: uw voorouders), gedaan hebt, in de verbittering, of te Meriba, de plaats, waar zij met God en Mozes hebben getwist, Exodus 17:2-7, en ten dage van de verzoeking in de woestijn, vers 8. Zo dikwijls hebben zij God getergd door hun wantrouwen en hun murmureren, dat geheel de tijd van hun verblijf in de woestijn een dag van de verzoeking, of Massa, genoemd kan worden, de andere naam, die aan deze plaats gegeven werd, Exodus 17. 7, omdat zij de Heere verzochten, zeggende: Is de Heere in het midden van ons of niet? Dat was in de woestijn, waar zij geheel hulpeloos waren, geheel en al in Gods macht waren, en waar God hen wonderbaarlijk had geholpen en hun zulke merkbare tekenen had gegeven van Zijn gunst en zulke onmiskenbare bewijzen van Zijn macht, als nooit tevoren en nooit daarna een volk gehad heeft. Dagen van verzoeking zijn dagen van terging, niets is beledigender voor God dan ongeloof aan Zijn belofte en wanhoop aan de vervulling ervan vanwege enige moeilijkheden, die er in de weg voor schijnen te liggen. Hoe meer ervaring wij gehad hebben van de macht en goedheid van God, hoe groter onze zonde is als wij Hem wantrouwen. Hoe, wat! Hem verzoeken in de woestijn, waar wij van Hem leven! Dat is even ondankbaar als ongeremd en onredelijk. Hardheid van hart is op de bodem van al ons wantrouwen van God en van ons twisten mèt Hem. Het is wel een hard hart, dat de indrukken niet ontvangt van de Goddelijke openbaringen, zich niet verenigt met de bedoelingen van de Goddelijke wil, dat niet vertederd wordt, zich niet wil buigen. De zonden van anderen moeten ons ter waarschuwing zijn, om niet in hun voetstappen te treden. De murmureringen van Israël zijn "beschreven tot waarschuwing van ons," 1 Corinthiers 10:11.
Merk hier nu op:
A. De beschuldiging, in de naam van God ingebracht tegen de ongelovige Israëlieten vers 9, 10. Vele eeuwen daarna klaagt God hier over het slechte gedrag jegens Hem, in uitdrukkingen van hoog misnoegen.
a. Hun zonde was ongeloof, zij verzochten God, zij twijfelden of zij wel aan konden op Zijn woord, en drongen aan op nadere bewijzen en waarborgen, eer zij voorwaarts wilden gaan naar Kanaän, door het uitzenden van verspieders. Toen deze hen ontmoedigden, twijfelden zij aan Gods macht en belofte, en wilden een hoofd opwerpen, (= leider kiezen) om naar Egypte terug te keren Numeri 14:3, 4. Dit wordt weerspannigheid genoemd, Deuteronomium 1:26, 32.
b. Wat deze zonde verzwaarde, was dat zij Gods werk gezien hebben, gezien hebben wat Hij voor hen gedaan heeft door hen uit te voeren uit Egypte, ja wat Hij op die eigen dag voor hen deed, en iedere dag door hun brood uit de hemel te doen regenen, en in het water uit de rots, dat hen volgde. Ontwijfelbaarder bewijzen dan deze konden zij niet hebben van Gods tegenwoordigheid in hun midden, zelfs hun zien leidde hen niet tot geloven, omdat zij hun hart verhardden, ofschoon zij gezien hadden hoe het Farao verging voor zijn verharden van zijn hart.
c. De oorzaken van hun zonde. Zie waaraan God het toeschreef: zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijne wegen niet. Der mensen ongeloof en wantrouwen van God, hun murmureringen en hun twisten met Hem zijn de uitwerkselen van hun onwetendheid en dwaling.
Ten eerste. Van hun onwetendheid: zij kennen Mijne wegen niet. Zij zagen Zijn werk, vers 9, en Hij heeft hun Zijn daden bekend gemaakt, Psalm 103:7, en toch kenden zij Zijn wegen niet, de wegen van Zijn voorzienigheid, die Hij met hen hield, of de wegen van Zijn geboden, waarin Hij wilde dat zij zouden wandelen, zij kenden ze niet, hadden er geen recht begrip van, en daarom keurden zij ze niet goed. De reden, waarom de mensen de wegen Gods veronachtzamen en verlaten, is dat zij ze niet kennen.
Ten tweede. Van hun dwaling. Zij zijn dwalende van hart. Zij dwalen af van de weg, in hun hart keren zij terug naar Egypte. Zonden zijn dwalingen, dwalingen in de praktijk, dwalingen in het hart, de zodanigen zijn er en ze zijn even noodlottig als dwalingen van het hoofd. Als de verdorven neigingen het oordeel verkeren, en aldus de ziel buiten de wegen van plicht en gehoorzaamheid leiden, dan is er een dwaling van het hart.
d. Gods toorn over hun zonde, Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht. De zonden van Gods belijdend volk vertoornen Hem niet slechts, zij doen Hem ook verdriet, zij smarten Hem, inzonderheid hun wantrouwen van Hem, en God houdt er rekening van hoe dikwijls, Numeri 14:22, en hoe lang zij Hem grieven. Zie de lankmoedigheid Gods jegens tergende zondaars, veertig jaren heeft Hij verdriet aan hen gehad, en toch eindigden deze jaren in een triomfantelijke intocht in Kanaän van het volgende geslacht. Indien onze zonden God gegriefd hebben dan voorzeker behoren zij ons te grieven, en niets in de zonde moet ons zo smarten als dat.
B. Het vonnis, dat wegens hun zonde over hen uitgesproken werd vers 11. "Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: zo zij in Mijne rust zullen ingaan, zeg dan dat Ik veranderlijk en onwaar ben." Zie het uitvoerige vonnis in Numeri 14:21 en verv.
Merk op:
a. Vanwaar dit vonnis kwam: van de toorn Gods. Hij heeft plechtig gezworen in Zijn toorn, Zijn rechtvaardige, heilige toorn, maar laat de mensen daarom niet op onheilige wijze zweren in hun toorn, hun zondige toorn. God is niet onderhevig aan zulke hartstochten als waaraan wij onderhevig zijn, maar Hij wordt gezegd toornig, zeer toornig te zijn tegen de zonde en de zondaren, teneinde het boosaardige te tonen van de zonde en de rechtvaardigheid van Gods regering. Het is voorzeker iets kwaads, dat zo'n vergelding van de wraak verdient, als van een vertoornd God verwacht kan worden
b. Hoe het luidde: Dat zij niet in Zijn rust zonden komen, de rust, die Hij voor hen bereid en bestemd had, een vestiging voor hen en de hunnen, dat geen van hen, die geteld werden toen zij uit Egypte kwamen, op de rol van de levenden geschreven zou staan bij de intocht in Kanaän, behalve Kaleb en Jozua.
c. Hoe het bekrachtigd werd, Ik heb het gezworen. Het was niet slechts een voornemen, maar een raadsbesluit, de eed toonde de onveranderlijkheid van Zijn raad, de Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen, iedere gedachte, of hoop, dat er nog genade voor hen was weggelegd, werd er door afgesneden. Gods bedreigingen zijn even vast als Zijn beloften.
Nu kan die zaak van Israël toegepast worden op diegenen van hun nakomelingen, die in Davids tijd leefden, toen deze psalm geschreven werd. Laat hen Gods stem horen en hun hart niet verharden, zoals hun vaderen gedaan hebben, opdat, indien zij even hardnekkig waren als zij, God er niet toe gebracht zou worden, hun de voorrechten te ontzeggen van Zijn tempel te Jeruzalem, waarvan Hij gezegd had: Dit is Mijne rust. Maar zij moet toegepast worden op ons, Christenen, omdat de apostel haar aldus toepast. Er is ons een geestelijke en eeuwige rust voorgesteld en beloofd, waarvan Kanaän een type was. Allen zijn wij in belijdenis tenminste op weg naar die rust, maar velen die het schijnen, blijven achter en zullen er nimmer ingaan. En wat is het, dat een grendel aan hun deur maakt? Het is zonde, het is ongeloof, die zonde tegen het geneesmiddel, en dus is er geen beroep van dat vonnis. Zij, die, gelijk Israël, God wantrouwen, Hem, Zijn macht en Zijn goedheid, aan het knoflook en aan de uien van Egypte de voorkeur geven boven de melk en de honing van Kanaän, zullen rechtvaardiglijk buitengesloten worden van Zijn rust. Zo zal hun oordeel wezen, zij zelf hebben het beslist. "Laat ons dan vrezen." Hebreeën 4:1.