Jesaja 62:1-5
De profeet zegt ons hier:
I. Wat hij voor de kerk zal doen. Als profeet is hij ziener en ook een man des woords. De profeet besluit zijn roeping, nauwgezet te vervullen. vers 1. Hij zal niet zwijgen, en hij zal niet stil zijn. Hij zal aan zijn werk denken, hij zal er moeite voor doen, en nooit begeren zijn rust te nemen. Hierin was hij een type van Christus, die onvermoeibaar was in de uitoefening van Zijn roeping als profeet en deze tot Zijn spijs en drank maakte totdat Hij Zijn werk geëindigd had.
Merk hier op:
1. Wat het besluit van de profeet is: Hij zal niet zwijgen. Hij zal voortdurend zijn prediking vervolgen, niet alleen getrouw overleveren, maar geregeld herhalen de boodschappen, die hij van de Heere ontvangen heeft. Indien de mensen de voorschriften en beloften niet dadelijk aannemen, zal hij ze herhalen en hun regel op regel geven. En hij zal voortgaan in het gebed, hij zal niet stil zijn voor de troon van de genade, totdat hij van God de barmhartigheden van de beloften verkregen heeft. Hij zal volharden in de bediening des Woords en in het gebed gelijk de apostelen, Handelingen 6:4. De dienaren van Christus moeten voortdurend in beide bezig zijn en nooit vertragen in goeddoen. Het werk van de dienaren is tot het volk te spreken van God en tot God van het volk, en in beide opzichten nooit te zwijgen.
2. Welke beweegreden hij voor dit besluit had. Om Zions wil en om Jeruzalems wil, niet ter wille van enig belang van hemzelf, maar ter wille van de kerk, omdat hij liefde en belangstelling voor Zion gevoelt en dat hem nu aan het hart ligt. Wat er ook kome van zijn eigen huis en gezin, hij begeert het goede van Jeruzalem te zien en zal dat zoeken al de dagen zijns levens, Psalm 122:8, 9, 128:5. Het is Gods Zion en Zijn Jeruzalem, en daarom zijn zij hem dierbaar, want zij zijn het voor God en Gods heerlijkheid is betrokken bij hun voorspoed.
3. Hoelang hij besluit deze roeping voort te zetten: totdat de belofte van de gerechtigheid en het heil van de kerk in het voorgaande hoofdstuk gegeven, vervuld zal zijn. Jesaja zal zelf het ontslag van de gevangenen uit Babel niet beleven, nog veel minder de komst van het Evangelie waarin de genade door gerechtigheid zal heersen tot behoudenis en leven, en toch zal hij niet zwijgen totdat deze beloften vervuld worden, tenminste een deel er van, want door Zijn profetieën zal hij voortgaan er van te spreken, en er zal in elke eeuw een overblijfsel gevonden worden dat er voor zal blijven bidden, als zijn opvolgers, totdat de beloften vervuld zijn en daardoor de gebeden die er voor opgezonden werden verhoord zijn. Dan zullen de gerechtigheid en het heil van de kerk voortkomen als een glans en als een brandende fakkel, zo duidelijk dat zij haar eigen getuigenis medebrengen. Dat zal de kerk eer en troost geven, waardoor zij aangenaam en heerlijk zal verschijnen, en het zal leiding en onderricht aan de wereld geven, licht, niet alleen voor het oog maar ook voor de voet, en op de paden van hen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods.
II. Wat God doen zal voor de kerk. De profeet kan slechts prediken en bidden, God kan Zijn woord bevestigen en Zijn gebeden verhoren
1. De kerk zal grotelijks bewonderd worden. Wanneer die gerechtigheid, die haar heil, haar lof en haar heerlijkheid is tot stand gebracht zal zijn, dan zullen de heidenen het zien. De heidenen zullen haar gerechtigheid zien en zich tot haar begeven, zij zullen die gerechtigheid zo zien, dat zij er in zullen delen tenzij door hun eigen verzuim. Zelfs koningen zullen het zien en de heerlijkheid hater gerechtigheid liefhebben, vers 2. Zij zullen de fraaiheid van hun eigen hofhoudingen en koninkrijken voorbijzien en het oog vestigen op de geestelijke heerlijkheid van de kerk, die de hun ver overtreft.
2. Zij zal waarlijk bewonderenswaardig zijn. Grote namen maken de mensen aanzienlijk in de wereld en hun wordt veel eerbied bewezen. Men stemt algemeen toe dat eer haar waarde ontleent aan de waardigheid van hem die geëerd wordt. God is de fontein van alle eer en uit Hem vloeit de eer van de kerk. Gij zult met een nieuwe naam genoemd worden, een aangename naam, waarmee gij vroeger niet genoemd werdt, ook niet in de dagen van uw grootste voorspoed, en met het tegendeel waarvan gij genoemd werd ten tijde uwer beproeving. Gij zult een nieuw karakter hebben, verheven zijn tot een nieuwe waardigheid, en daarom zullen allen nieuwe denkbeelden over u hebben. Dit schijnt aangehaald te worden in de belofte, Openbaring 2:17, "van de witte steen en op de steen een nieuwe naam," en die andere belofte, Openbaring 3:12. "De naam van de stad van mijn God en Mijn nieuwe naam zal op hen zijn". Het is een naam, welke de mond des Heeren uitdrukkelijk noemen zal. En die mond noemt niets verkeerd, en zal anderen verplichten haar ook bij de naam te noemen die Hij haar geven zal, want Zijn oordeel is naar waarheid en allen zullen er vroeger of later mee overeenstemmen. Twee namen zal God haar geven:
a. Hij zal haar Zijn kroon noemen, vers 3. Gij zult een sierlijke kroon zijn in de hand des Heeren-niet op Zijn hoofd alsof zij Hem werkelijk enige meerdere eer of macht toevoegde, zoals kronen dat aardse gekroonden doen, Naar in Zijn hand. Het behaagt Hem haar te rekenen en te vertonen als een heerlijkheid en schoonheid voor Hem. Toen Hij hen tot Zijn volk aannam, geschiedde dat opdat zij Hem zouden zijn tot een naam, en een lof en tot heerlijkheid, Jeremia 13:11. "Gij zult zijn een kroon van de heerlijkheid en een koninklijke hoed" (of diadeem), door de goede hand uws Gods over u, Hij zal u dat maken, want Hij zal voor u een kroon van de heerlijkheid zijn, Hoofdstuk 28:5. Gij zult dat zijn in Zijn hand, dat is: onder Zijn bescherming, Hij die al deze heerlijkheid op u leggen zal, zal ook een beschutting daarover scheppen, zodat de bloemen van uw kroon nooit verwelken en de juwelen van uw diadeem nooit zullen uitvallen.
b. Hij zal haar zijn echtgenote noemen, vers 4, 5. Deze eer is zoveel groter wanneer men bedenkt in welke verlaten toestand zij geweest is.
ten eerste. Haar geval was zeer betreurenswaard. Zij werd de verlatene genoemd en haar land lag gedurende de gevangenschap vereenzaamd, gelijk een met schande verstoten vrouw of een ontroostbare weduwe. Zo was de toestand van de godsdienst in de wereld vóór de verkondiging van het Evangelie, hij was in zekere zin verstoten en verlaten, iets weer niemand naar omzag en waarvoor niemand werkelijk belangstelling gevoelde.
Ten tweede. Zij zal nu zeer aangenaam worden, want God zal in barmhartigheid tot haar wederkeren. Inplaats van beide schandnamen, zal zij twee eervolle namen dragen. Zij zal genoemd worden, Hephzibah, dat is Mijn lust is aan haar, zo heette de koningin van Hizkia, de moeder van Manasse, 2 Koningen 21:1, een geschikte naam voor een vrouw, die de vreugde haars echtgenoots is, Spreuken 5:19. En hier is de Maker van de kerk haar man. Des Heeren lust is aan haar. God heeft door Zijn genade in Zijn kerk datgene gewrocht, waarin Hij zich verlustigt, zij is door Hem verfijnd, hervormd en tot Hem wedergebracht, door Zijn voorzienigheid doet Hij voor haar hetgeen toont dat Hij zich in haar verlustigt en dat het zijn lust is haar wel te doen.
Ten derde. Zij zal genoemd worden Herlas, dat is: de getrouwde, terwijl zij tot nog toe verlaten was, dus in een toestand geheel tegenovergesteld tegen die van een gehuwde vrouw, Hoofdstuk 54:1. "Uw land zal getrouwd worden," dat is het zal weer vruchtbaar en bevolkt worden. Of schoon het zolang woest gelegen heeft, zal het weer bevolkt worden, het zal weer worden als een gelukkige moeder van kinderen omringd, Psalm 1-13:9. Het zal getrouwd worden:
A. Zijn zonen zullen van harte het land van hun geboorte en belangen huwen dat zij gedurende lange tijd verwaarloosd hadden, en waarvan zij gewanhoopt hadden dat zij er ooft meer gelukkig leven zouden. Hun zonen zullen u kennen, zij zullen gelukkig en met verheuging in u leven. Toen zij in Babel waren, scheen het dat zij dat land gehuwd hadden, want hun werd gezegd zich er in te vestigen en er de vrede voor te zoeken, Jeremia 29, 5-7. Maar nu zullen zij weer hun eigen land trouwen, gelijk eenjongeling een jonkvrouw trouwt, in welke hij zich verlustigt, die hij zeer liefheeft en bij welke hij vele kinderen hoopt te krijgen. Het is goed voor een land, wanneer zijn eigen inboorlingen en inwoners er genoegen in hebben, het boven andere landen verkiezen, wanneer zijn vorsten het huwen en besluiten zich er geheel aan te wijden.
B. Haar God (en dat is nog veel beter) "zal haar Zich ondertrouwen in gerechtigheid en gericht," Hosea 2, 19, 20. Hij zal Zich over Zijn kerk verheugen "gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid," zich verblijdt over zijn betrekking tot haar en over haar genegenheid tot hem, Hij zal rusten in Zijn liefde tot haar, Zefanja 3:17, Hij zal zich in haar verblijden, Psalm 147:11, en Hij zal haar goeddoen met geheel Zijn hart en geheel zijn ziel, Jeremia 32, 41. Dit in zeer toepasselijk op de liefde van Christus voor Zijn gemeente en de voldoening die Hij in haar smaakt, welke zo heerlijk te voorschijn treedt in Salomo's hooglied, en in de hemel zal voltooid worden.